YOSSI GAL

“Van Ter Apel naar Sneek, van Middelburg naar Dalfsen en van Rijssen naar Nijmegen, ik reis als een 'mesjoggene' alle provincies af op de 'Holland Tour'. Overal zijn bijeenkomsten in het kader van het 50-jarig bestaan van Israël. Het is lichamelijk uitputtend, maar buitengewoon indrukwekkend.

ANITA LOWENHARDT

Neem Rijssen. Daar woont welgeteld één joods persoon, maar de kerk zat barstensvol tijdens de herdenking. Ontroerend vond ik dat. En de burgemeester van Nijmegen, 'he made my day' met zijn aankondiging dat hij de synagoge zal 'teruggeven' aan de joodse gemeenschap. Inderdaad, Israëls verjaardag wordt hier uitgebreider gevierd dan in Israël zelf, maar we zijn er ook al anderhalf jaar geleden mee begonnen.

Toen had ik hier, in mijn huis, twintig vooraanstaande mensen, vrienden, uitgenodigd uit alle geledingen van de samenleving: joods, christelijk, kunstenaars. Samen bedachten we dat we niet één grote bijeenkomst wilden, in avondkleding, met alleen grote namen, maar bijeenkomsten verspreid over het hele land en met een grote diversiteit om alle verschillende aspecten van het jodendom, Israël en de Nederlandse samenleving recht te doen.

Daarom was ik vandaag (donderdag) in de liberale synagoge van Rotterdam om Yad Vashem-onderscheidingen uit te reiken aan mensen, of hun nabestaanden, die in de oorlog hun leven waagden voor joodse landgenoten. En daarom ook nodigden wij de belangrijkste Israëlische schrijvers en andere kunstenaars uit, gaat het Concertgebouw naar Israël, komt de opperrabijn van Israël hier en zijn er bijeenkomsten van alle verschillende joodse gemeenten en christenen voor Israël, en één viering van alle joodse groeperingen samen, op 29 april. Ja, waarlijk een wonder op zichzelf.

In Israël zal men zich echt wel realiseren wat 50 jaar Israël inhoudt: een tehuis voor joden uit de hele wereld, de indrukwekkende economische ontwikkeling, maar als Israëliër kun je dat allemaal niet, zoals hier, van een afstand zien. Daar word je te zeer in beslag genomen door het leven van alledag. Elk gezin heeft wel een familielid in het leger en dan kun je je niet veroorloven om achterover in je leunstoel te zitten en feest te vieren. Bovendien, als je 50 jaar bent, is je zicht op het leven realistischer, meer 'down to earth' dan als je 25 bent en je verjaardag nog uitbundig viert.

Daar komt bij dat de band met Israël in Nederland een van de hechtste is die ik heb meegemaakt. Ik heb heel lang in Amerika gewerkt en ook in andere delen van de wereld, maar Nederlanders spannen de kroon. Neem alleen al het aantal Nederlandse joden dat familie in Israël heeft, het land regelmatig bezoekt. Of ze nu orthodox, liberaal, zionistisch, niet-zionistisch of atheïst zijn, de verbondenheid met Israël is algemeen, al zijn ze het beslist niet eens met alles wat je zegt over het land.

Zoals over het vredesproces, inderdaad. Ik ben er echt van overtuigd dat 99 procent van de Israëliërs vrede wil, maar je moet het wel in perspectief zien. Als je ziet wat er op dit moment gebeurt, zul je gefrustreerd zijn, maar wie had vijf, zes jaar geleden kunnen bevroeden dat Arafat en Netanjahoe met elkaar aan tafel zouden zitten? Ik denk dat we het 'point of no return' gepasseerd zijn, al denkt de Israëlische kant vandaag dat er geen vrede kan zijn omdat, als de Israëliërs zich niet persoonlijk veilig kunnen voelen, ze geen verdere concessies zullen doen.

Ik heb een zoon in het leger en ik lig 's nachts wakker omdat ik weet dat hij de bus neemt en zo lang geleden is het niet dat er bommen ontploften in de straten van Jeruzalem waarbij onschuldige mensen vermoord werden. Beide partijen moeten zich houden aan de letter van het vredesakkoord en er moet vertrouwen zijn, over en weer. Tijdens de Golfoorlog zag ik mijn Arabische buren op de daken dansen en 'Saddam, bombardeer Tel Aviv' schreeuwen. Dat is niet de manier om vertrouwen te winnen. Maar uiteindelijk zal de rede overwinnen. De grote meerderheid van de mensen wil vrede, ook de Arabieren.

Begin 1991 was ik lid van de onderhandelingsdelegatie met Jordanië, dat was de meest opwindende en bevredigende periode van mijn beroepsmatige leven. Ik reisde heen en weer van Jeruzalem naar Washington. Onderhandelen met de Jordaniërs was eigenlijk heel makkelijk en na afloop praatten we over van alles, heel anders dan de gesprekken met de Palestijnse delegatie.

Ik weet nog dat er een heel aardige man bij was, ongeveer zo oud als ik, met kinderen in dezelfde leeftijd als ik. Het was februari 1992 en er was een sneeuwstorm over Jeruzalem en Ramalla. Ik ging naar hem toe om het ijs te breken en zei, in het Arabisch: 'Ik hoorde dat onze steden met sneeuw bedekt zijn, hoe gaat het met jouw familie daar?' Hij antwoordde in het Engels: 'In Ramalla geldt nog steeds een uitgaansverbod'. Er was ook een heel aardige vrouw bij de delegatie en op een dag had ze bijzondere oorbellen in. Normaal zou je dan spontaan zeggen: 'Wat een mooie oorbellen', maar ik aarzelde of dat wel goed zou vallen. Uiteindelijk deed ik het op een dag toch en ze glimlachte. Het had vijf, zes maanden gekost om dat punt te bereiken.

Hoe ik in de diplomatieke dienst terechtkwam? Bij toeval. Ik ben in september 1950 geboren in Jeruzalem, uit Marokkaans-joodse ouders die in 1948 naar Israël emigreerden. Mijn vader was bouwvakker, mijn moeder werkte, naast het zorgen voor zeven kinderen, van wie ik de middelste ben, als huishoudster bij rijkere families. Wij leefden op de rand van de armoede, zoals veel mensen uit Noord-Afrika, maar het was een heel hecht, fantastisch gezin. In de meeste Noord-Afrikaanse families gingen de kinderen na de lagere school werken om hun ouders te helpen, maar wij gingen naar de middelbare school, terwijl dat geld kostte.

Later kon je, als je goed was, een soort beurs krijgen. Na de middelbare school ging ik meteen het leger in en op een vrijdag kwam ik vlak voor de sabbat thuis, in mijn officiersuniform en wilde ik douchen en me verkleden om naar de synagoge te gaan. Maar mijn vader vroeg me of ik m'n uniform aan wilde houden, zo trots was hij op zijn zoon die, als eerste van de buurt, officier was geworden.

Na mijn diensttijd, waarbij ik in 1970 gewond raakte in de Sinaï-woestijn - niet heel erg, ik lag een paar maanden in een ziekenhuis, ik raakte een vinger kwijt en heb nog wat littekens - ging ik naar de universiteit van Jeruzalem om wiskunde en statistiek te studeren. Mijn droom was om wiskunde op de universiteit te doceren.

Ik was bezig met mijn doctoraal toen ik een advertentie zag, die jaarlijks op de universiteiten werd verspreid, om te solliciteren voor Buitenlandse Zaken. Dat was omgeven met zoveel mystiek, dat jaarlijks honderden en honderden studenten zich voor een test opgaven. Dat jaar, 1975, waren het er ruim duizend. Ze testen echt alles: psychologisch, je kennis van Israël, van de geschiedenis, je talenkennis, wiskunde. Ik deed mee voor de lol, om te zien hoe ver ik kwam, net zoals jonge mensen dat hier doen met de Elfstedentocht. Na de eerste test waren er nog 400 over, en uiteindelijk, tot mijn stomme verbazing, slaagde ik. Op dat moment gaf ik al les aan de universiteit en dus moest ik een keuze maken. Dat was heel moeilijk, maar ik heb er nooit één moment spijt van gehad.

Ik begon met een stage van een half jaar op het ministerie van buitenlandse zaken en in 1976 werd ik naar de ambassade van Washington gestuurd. Dat was een schok, want meestal gebeurt dat niet met iemand die net begonnen is. Dus ging ik naar mijn mentor, die zei: 'Ik adviseer je dringend geen vragen te stellen'. Ik was inmiddels getrouwd en we gingen naar Washington, waar ik vijf jaar 'chef de bureau' was. Daarna werkte ik vier jaar in Jeruzalem en in 1985 ging ik terug naar Washington als woordvoerder van de ambassade. Moet je je voorstellen: het was de periode van de Intifida, van Irangate, ik was de 'bliksemafleider' en sprak met de Washington Post, de New York Times, ABC, NBC, noem maar op. Soms moest ik mezelf in de arm knijpen: ik ben dat mannetje uit die arme buurt van Jeruzalem. Dat heb ik trouwens nog steeds. Het waren zeer, zeer interessante jaren.

Terug in Israël werd ik adjunct-directeur-generaal van het het ministerie van buitenlandse zaken. Sjamir was premier, Levy minister van buitenlandse zaken en Netanjahoe zijn staatssecretaris. Toen de onderhandelingen begonnen met de Syriërs, Libanezen en Jordaniërs, werd ik gevraagd als woordvoerder van de onderhandelingsdelegatie. Na afloop van de onderhandelingen met Jordanië wilde ik de eerste Israëlische ambassadeur van Jordanië worden, maar Rabin en Peres konden het maar niet eens worden tussen mij en een tweede kandidaat, dus werd het een derde.

Mijn eerste keus was dus Jordanië, maar mijn tweede Nederland. Nu kan ik dat beter begrijpen dan toen. Ik weet nog dat Peres toen op de Nederlandse tv over mijn komst zei: 'Holland is voor ons waarschijnlijk het belangrijkste land in Europa', dat was heel aardig. Ik was nog geen twee maanden ambassadeur toen Rabin werd vermoord, een van die gebeurtenissen die je je van minuut tot minuut kunt herinneren, een van die traumatische ervaringen die je niet echt kunt vatten. Rabin was een van de grootste leiders die Israël ooit voortbracht.

Behalve de intense contacten met de Nederlandse joden, overal in Nederland en van welke 'kleur' dan ook, liggen mijn prioriteiten bij het versterken van de economische banden tussen Holland en Israël. Ik ben er zeer trots op dat de afgelopen drie jaar het handelsverkeer over en weer gegroeid is van twee biljoen gulden naar twee biljoen dollar. Ik spendeer veel tijd aan het overhalen van concerns als Daf en Philips om in Israël te investeren. Philips opent er binnenkort een vestiging. Onze beide landen zijn klein en moeten overleven met handeldrijven.

Verder besteed ik veel tijd aan en in de culturele wereld. Ik geloof sterk in het feit dat cultuur volkeren bijeen brengt. En wat ik echt fantastisch vond, was de reactie van Den Haag op mijn verzoek om gasmaskers tijdens de Golfoorlog. Dat verzoek werd gericht tot een groot aantal landen, maar Nederland had, als enige, in 24 uur beslist en binnen 48 uur stond ik op Schiphol om te zien hoe de gasmaskers en beschermende pakken werden ingeladen.

Of mijn handen niet jeuken om weer te participeren in het vredesproces? Ik zou niet eerlijk zijn als ik zou ontkennen dat werken aan vrede de grootste wens is van elke diplomaat. Maar mijn moeder, zaliger nagedachtenis, hield ons altijd voor dat je, om gelukkig en succesvol te zijn, tevreden moet zijn met wat je op dat moment doet. En de basis daarvan is wat ik voor mijn land kan doen.''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden