Yasmine Allas

Yasmine Allas (Mogadishu, Somalië, 1967) is schrijfster. Ze verliet op jonge leeftijd haar geboorteland, volgde in Nederland een opleiding voor actrice en debuteerde in 1998 met de roman ’Idil, een meisje’. In 2001 verscheen ’De generaal met de zes vingers’, in 2004 gevolgd door ’De blauwe kamer’. Begin dit jaar schreef Allas ’Ontheemd en toch thuis’, een openhartig essay over de Nederlandse samenleving.

Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

„Hoe ben jij opgevoed? Gereformeerd? Ook dáár heb ik oren naar – alles is goed. Je zit hier tegenover een totaal havenloze dame. Ik word niet voortgestuwd door de beperkingen of bepalingen van een geloof; het is de vrijheid die mij gaande houdt.

Ik geloof wel in Allah en in Mohammed, zijn profeet, maar het zijn míjn Allah en míjn profeet. Als mijn buurvrouw zegt: Allah is geel en heeft veertjes, vind ik dat ook best. Er zijn meerdere Goden mogelijk, of misschien moet ik zeggen: er zijn meerdere verschijningsvormen mogelijk want uiteindelijk aanbidden we, denk ik, allemaal dezelfde.”

Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

„Om ons heen, in Afrika, werden de prachtigste maskers en beelden gemaakt. In Somalië niet. Somalië leeft in een grote identiteitscrisis en dat is altijd zo geweest. Er werd ook niet tegen die beelden gepredikt; hoe het er bij de buren aan toe ging kwam nooit ter sprake. Je was gelovig en meer niet. Heb je laatst die bewaker van de Merapi-vulkaan op het Journaal gezien? Dat is een vorm van verafgoding die ik kan begrijpen: als je zo dicht bij de natuur leeft, leer je er, op een of andere manier, mee communiceren. Zo’n man kijkt naar de berg en weet: het is zijn tijd nog niet. In Somalië was de natuur overweldigend. Het onweer daar: angstaanjagend! De hemel gromt, er wordt gevochten, tot het plotseling ophoudt, heel even stil is en dan* knal! De bliksem. Het is ook zo’n bizar landschap: kaal, droog, stoffig. De natuur hunkert er naar het leven, het is net alsof de grond waarop je staat met jou in oorlog is. En je kunt nergens schuilen. Nergens is schaduw, koelte of een beetje water. Je bent voortdurend in gevecht. Dat maakt ons, Somaliërs, ook zo bloeddorstig: we deinzen nergens voor terug en zijn net zo weerbarstig als de aarde onder onze voeten.”

Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

„Het maakt je leven draaglijker als je kunt zeggen dat je in opdracht van Allah handelt; dat alles wat je doet, of alles wat jou overkomt door Allah werd bedacht. Maar Allah heeft juist gezegd: ’Doe voorzichtig, neem je verantwoordelijkheid en ik help je erbij’.

Soms, als ik het moeilijk heb, hef ik mijn handen ten hemel en roep: waar bent U dan? Tegelijkertijd kan ik Hem vervloeken. Dat wil zeggen: in het Nederlands. In het Somalisch zou ik het niet kunnen. Ik krijg het gewoon niet over mijn lippen. Het is alsof de letterlijke betekenis van zo’n vloek dan pas tot mij doordringt.”

Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

„Zodra je mij ergens in serene rust aantreft, moet je echt iemand gaan waarschuwen; dan gaat het niet goed met me. Als ik mezelf erop betrap dat ik niet bezorgd ben, niet in de knoop zit, of bezig ben een of ander probleem op te lossen, raak ik in paniek. Dan creëer ik snel een drama waarover ik me druk kan maken, waarover ik moet piekeren, waarvan ik nachten wakker kan liggen en – hoe dat komt? Wat is dat nou voor Nederlandse vraag? Hoe komt dat! Ik ben gewoon altijd zo geweest. Ik hou van de ruis in mijn hoofd. Dat is overigens iets anders dan drukte om mij heen: die kan ik namelijk helemaal niet verdragen. Ik herinner dat ons huis vroeger altijd vol visite zat. De familie die maar kwam en maar kwam – ik werd er draaierig van! Chaos. Ik vervloekte de mensen die iedere keer weer op de stoep stonden. Mijn moeder kon heel boos worden om wat zij mijn ’ongastvrijheid’ noemde. ’Bewaar die maar voor je eigen huis’, zei ze dan. Ja, dat heb ik in zekere zin gedaan* Ik doe vaak niet open als er wordt aangebeld. Ik kijk niet eens uit het raam om te zien wie er voor de deur staat. Ik kruip onder de tafel, of hol – ’Ik ben er niet!’ roepend – naar de slaapkamer.

Buitenshuis overkomt me hetzelfde: laatst liep ik door de Blokker toen ik plotseling twee mensen zag met wie ik op dat moment niet wilde praten. Ik dook ineen en kroop op mijn knieën achter een stellage – ja, idioot hè?, maar het ergste was: ze hadden me gezien! Ik begrijp zelf ook niet waarom ik mij zo achterlijk gedraag* In sociaal opzicht kan ik vreselijk onhandig zijn. Vraag mijn man maar eens hoe vaak per dag hij zich voor mij schaamt.”

Eer uw vader en uw moeder

„En als iemand voortdurend in je hoofd zit? Als je, tot diep in je ziel, warm wordt als je aan hem denkt? Is dat ook een vorm van eerbied? Ik kan dat beeld zo voor je oproepen: grote man, grote handen. Ik zie twee strenge ogen. Een frons; zo’n diepe gleuf tussen zijn wenkbrauwen. Op elkaar geperste lippen, een mond waar nooit woorden uitkwamen. Een uniform. Een pet. Geen type om te knuffelen, maar wel heerlijk om naar te kijken. Een held. Mijn held. Nee, ’kracht’ en ’bescherming’ zijn geen termen die daarbij passen – daarvoor is hij te kort in mijn leven geweest. Wat ik zie is zijn silhouet, zoals hij daar voor het laatst stond. Ik was tien.

Mijn oma had een voorspellende droom gehad. Ze zei: ’De engel des doods heeft vannacht ons huis bezocht’. Mijn moeder reageerde daar lacherig op: ’En heeft hij nog iemand meegenomen?’ ’Dat heb ik niet gezien’, antwoordde mijn oma, ’toen werd ik net wakker’. Een paar dagen later viel een foto van mijn vader van de wand. Toen wist mijn moeder het ook. We hebben zijn lichaam nooit meer teruggezien. De eerste weken na zijn dood waren vreselijk.

Ik stond hem iedere middag op te wachten. Het klinkt hard, maar de tijd leert je dat hij niet meer terugkomt. Hij verdween uit mijn gedachten. Pas in de laatste jaren ben ik weer aan hem gaan denken. Als ik in het donker over straat loop, denk ik zijn voetstappen, zijn stem te horen, maar zodra ik mij wil omdraaien is hij weg. Mijn verstand weet dat hij dood is, maar mijn hart wil zo graag dat hij nog leeft. Ik heb een intens verlangen om met hem van gedachten te wisselen. Ik wil zijn erkenning, zijn mening over de manier waarop ik leef, desnoods zijn afkeuring en de confrontatie – ik wil al de dingen die de tijd van leven ons niet heeft gegund.

Toch ervaar ik het gemis niet als een last. Net zomin als ik heimwee als een last ervaar. Het is een pijn die ik graag voel. Wat ik moeilijker kan accepteren is het feit dat ik niet op een behoorlijke manier afscheid van mijn moeder heb kunnen nemen. Zij is, na mij, van Somalië naar Nederland gekomen, maar kon hier niet aarden. Ze vereenzaamde, verdween in haar geloof. Mijn moeder wilde graag dat ik op haar manier zou leven. Ze zei: ’Je geniet van dit bestaan, maar denk erom dat je nu je best moet doen om straks van het leven hiernamaals te kunnen genieten’.

Ik denk dat zij zich vaak heeft afgevraagd wat ze verkeerd had gedaan, hoe ik toch zo ver van het geloof heb kunnen afdwalen. Ik heb haar dat verdriet bezorgd en ik heb verzuimd haar te zeggen hoeveel ik – ondanks het feit dat ik niet in haar voetsporen heb willen volgen – van haar heb gehouden. Ik dacht dat er nog voldoende tijd voor was. Ik dacht dat ik eerst nog sterker moest worden voor ik die stap kon zetten, voordat ik over die muur van emotie heen kon klimmen* Maar in 1997 kreeg ze een hersenbloeding, raakte in coma en een paar uur later was ze dood. En het gekke is dat ik het gevoel heb ook haar lichaam niet meer terug te hebben gekregen. Ik herinner me dat we met de begrafenisondernemer hadden afgesproken dat wij, de familie, haar nog één keer mochten zien, maar toen we aankwamen was de kist al dicht en moesten we – vanwege het geloof – hup, hup naar de begraafplaats. Een paar mannen in witte djellaba’s – imams – bepaalden wat er verder moest gebeuren. Bij de begrafenis zelf mocht ik ook niet aanwezig zijn. Van een afstandje heb ik staan kijken hoe een stel voor mij onbekende mannen een kist in de aarde lieten zakken.

De gedachte dat het niet mijn moeder was die in de kist lag, heeft me maandenlang beziggehouden. Ik heb zelfs een brief gestuurd naar de gemeente waar ze werd begraven, met het verzoek haar graf te mogen openen. Ik heb nooit antwoord gehad. Toen ik merkte dat mijn dromen over haar veranderden, ben ik een beetje tot rust gekomen. Vroeger, toen ze nog leefde, droomde ik altijd dat ik haar moest begraven. Dan stond ik als laatste bij haar graf en voelde ineens hoe haar handen mijn enkels grepen. Of ik werd achtervolgd door haar afgehakte armen of benen. Nu is alles mooi in mijn dromen. Groen, fris. Zij komt in een doorzichtig gewaad voorbij. Ze kijkt me aan en ik zie dat het goed is; dat we ondanks onze conflicten nog altijd een diepe verbintenis hebben.”

Gij zult niet doodslaan

„Maar dat is een fabeltje! Gij móet doden! We kunnen niet anders. In ieder mens schuilt een demon. Die van mij ligt ergens te slapen; ik ben nog nooit in een situatie gekomen waarin hij zou kunnen worden opgeschrikt, maar ik geloof dat hij, als het erop aankomt, mij in staat stelt de gruwelijkste dingen te doen. Niemand is heilig in de wereld. Ik weet zeker dat iedere moordenaar ooit heeft gedacht: zoiets zal ik nooit kunnen doen. Kijk eens wat er in Afrika, tussen de Hutu’s en de Tutsi’s is gebeurd: gewone mensen die zich aan vreselijk geweld te buiten zijn gegaan.

Of een moord ooit is goed te keuren? Dat is een lastige vraag* Ja, toch wel. Ik denk dat iemand die zich aan kinderen vergrijpt de doodstraf verdient. Moeten we dan genade hebben met de man die welbewust het meisje van Nulde vermoordde, haar in stukken hakte en op de vlucht sloeg? Nee, je lost niets op met een doodstraf, dat weet ik wel, maar wat wil jij dan met dat soort gekken doen? Levenslang opsluiten? Ik ben het met je eens: de doodstraf is wreed – ik kan in verbijstering kijken naar documentaires over de death rows van Amerika – maar het verkrachten of vermoorden van kinderen is vele malen erger. Weg met die lui.”

Gij zult niet echtbreken

„Op dit punt ben ik nuchter, misschien wel nuchterder dan de Nederlander. Ik geloof niet in eeuwigheid, niet in eeuwig geluk of in eeuwig samenzijn, maar ik heb mezelf wel beloofd dat er voor mij geen andere man op de wereld is dan mijn geliefde. Of ik hem trouw ben? Ik geloof in liefde. Verliefdheid is voor mij een teken van leven. Stelletjes die zo braaf verkondigen dat ze al dertig jaar lang alleen maar oog voor elkaar hebben moet je niet vertrouwen. Ik zou iedere dag wel verliefd willen zijn. Ik geloof dat het hart van de mens niet bedoeld is voor één persoon. Ik ben ik ervan overtuigd dat je van meerdere mensen kunt houden zonder daarmee je eigen geliefde tekort te doen.”

Gij zult niet stelen

„Ik heb wel eens geld gestolen van mijn oma. Ze heeft het nooit geweten, maar áls ze er achter was gekomen, had het niet veel uitgemaakt. Wat er ook gebeurde: ik kreeg overal de schuld van. Ze zag mij als de kwade genius in huis en niemand kreeg dat uit haar hoofd gepraat. Ze kon met een uitgestreken smoelwerk voorbijlopen en net als je dacht: hé, ditmaal gaat ze naar een ander! en je stiekem verkneukelde over het lot van je broertje of zusje, had je een klap te pakken. Ze had van die poezelige handjes, maar als ze mijn oor te pakken kreeg, kneep ze zo hard dat ik het bot hoorde kraken. Soms herinnerde ze zich tijdens het vlechten van mijn haren ineens een gebeurtenis – ’O ja, gisteren is er iets in mijn kamer gebeurd! Yasmin, dat was jij’ – en dan begon ze me keihard op mijn hoofd te slaan. Mijn oma heeft mijn moeder steeds gewaarschuwd: ’Met dat kind zul je heel wat te stellen krijgen’. Ik zou de familienaam ten gronde richten als ik niet wat ingeperkt zou worden. Als mijn oma ons hier kon zien, zou ze mijn moeder aanstoten en zeggen: ’Nou, wat zei ik? Moet je haar eens zien, met een blanke man! En ze is niet eens fatsoenlijk gekleed!’ ”

Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

„Ik kom uit een cultuur waar je, vooral als je een meisje bent, al in een vroeg stadium begrijpt hoe de waarheid te verdraaien. Ik heb hier, in Nederland, pas begrepen dat het een vorm van liegen is. Ik was alleen maar bezig met het redden van mijn leven of nee, laat ik het anders zeggen: door creatief met de waarheid om te gaan kon ik het leven leiden dat ik wilde leiden. Als ik terugkwam van school en mijn moeder met een bezorgde blik in de deuropening zag staan, begon ik razendsnel, uit zelfbescherming, een verhaal te verzinnen. De waarheid – dat ik met een paar vriendinnen langzaam naar huis was gedrenteld – zou ze toch niet geloven.

Een meisje werd überhaupt niet geloofd. Terwijl je er zelf – hormonaal noch geestelijk – nog niet aan toe bent, word je er door je omgeving bewust van gemaakt dat je een meisje bent, dat je ’bepaald gedrag’ zult gaan vertonen, dat je ongesteld zult gaan worden en dat* o wee, wat er allemaal niet kon gaan gebeuren!

Lust, daar draaide alles om. Mannen die aan je willen zitten! Die angst, die dreiging is onverdraaglijk. Voor mij was dagdromen de manier om aan die werkelijkheid te ontsnappen. Ik creëerde mijn eigen wereld. Op een gegeven moment verdwijnt de angst en daarmee ook de noodzaak dingen te verzinnen.

Toch werd ik laatst, toen ik voor een televisieprogramma van de Ikon terugging naar Somalië, onmiddellijk met die ’basis’ geconfronteerd. Ik was nog maar een minuut in het land toen er al werd gevraagd van welke stam ik was. De angst gierde door mijn lichaam. ’Wat doet het ertoe’, zei ik, ’van welke ik stam ik ben? Belachelijk!’ Ik erger me ook echt aan dat stammengedoe, maar ik was vooral bang het verkeerde antwoord te geven. Het voordeel van die achterdocht is overigens dat je leert creatief te denken. Je bent altijd een stap verder, voortdurend alert. En het verdraaien van de waarheid, zoals ik vroeger deed, heb ik gelukkig in de loop der jaren afgeleerd.”

Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

„Echt, ik begeer helemaal niets wat van een ander is! Maar om jou een plezier te doen wil ik best toegeven dat ik soms jaloers ben op vrouwen die boezemvriendschappen kunnen onderhouden. Ik vind vriendschappen met vrouwen vaak zo benauwend. Mijn levensfilosofie, mijn hele manier van zijn is gericht op vertrouwen: kan ik je vertrouwen? Bij mannen heb ik dat gevoel van onvoorwaardelijke loyaliteit veel sneller.

De laatste tijd begin ik in te zien dat het mijn eigen tekortkoming is; dat ik een deel van mijn vrouwzijn afwees en daardoor juist vrouwen met een gepaste afstand benaderde. En wat dan gebeurt, gebeurt wel vaker in dit leven: je krijgt wat je geeft.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden