W

Wat is er toch gebeurd met de grote idealen van vroeger? Durven we niet meer te dromen en te strijden? Zijn we cynisch geworden of bang? Of hebben we het te goed?

’Verbeter de wereld, begin bij jezelf.’ Met deze nuffige uitdrukking worden hemelbestormers met beide voeten op aarde gezet. Je kunt bezield zijn van de hoogste idealen, maar als je er zelf niet naar leeft, heb je geen recht van spreken. Daarmee wordt heel precies het spanningsveld geschetst waarin dromers van een betere wereld zich bevinden. Het draait om de verhouding tussen het individu en het collectief, de mens en de maatschappij, vrijheid en regels.

We leven in een onvolmaakte wereld. Ook als we het zelf goed hebben, zien we de ellende bij anderen. Het kan beter. Het kan altijd beter. De meesten van ons proberen via haalbare ideaaltjes dichtbij huis een klein verschil te maken. Maar altijd zijn er medemensen die behoefte hebben aan een grote greep en ongeduldig naar de maan reiken.

Dat zijn de hemelbestormers. Groots en meeslepend willen ze leven en bovendien de wereld verbeteren. Visionairs zijn het. Ze ontwerpen een beeld van een ideale samenleving, waarnaar we met alle kracht die in ons is dienen te streven.

De westerse beschaving heeft ervaring opgedaan met een aantal blauwdrukken voor het geluk. Dat is niet goed bevallen. De meeste reëel existerende utopieën eindigden in bloedbaden of in de vuilnisbak van de geschiedenis. Zijn ze er daarom niet meer, de onvervalste idealisten, die alleen of groepsgewijs optrekken tegen armoede en ellende, zonde en verderf, en die het Nieuwe Jeruzalem voor hun geestesoog zien stralen met muren van jaspis en huizen van goud? Durven we niet meer te dromen en te strijden? Zijn we cynisch geworden of bang? Of hebben we het te goed?

De generatie van ’68 – ik behoor ertoe – was de laatste generatie die massaal haar afkeer van het oude uitschreeuwde en een nieuwe maatschappij ontwierp. Dat die nieuwe maatschappij al in de jaren zeventig verzandde in totaal mislukte communes, doorgeslagen democratisering en onvervalst geweld, duidt er al op dat utopieën het in deze tijd niet meer zo lang volhouden.

Hans Achterhuis betoogt in zijn meesterlijke ’De Erfenis van de Utopie’ dat de behoefte aan een heile Welt ontstond op het grensvlak van Middeleeuwen en Moderne Tijd, toen nieuwe vragen werden gesteld en oude antwoorden hadden afgedaan. Thomas More schreef ’Utopia’. Macchiavelli’s ’Il Principe’ verscheen in hetzelfde jaar.

Het waren twee tegenstrijdige antwoorden op eenzelfde vraag: hoe moeten we samenleven? Europa was in beroering. Schisma, scheuring, dood en verderf, angst en onzekerheid heersten. Het beeld van een ideale wereld bood een uitweg, gaf een sprankje hoop.

Een nieuw inzicht haalde de hoop binnen handbereik: de mens was geen machteloze speelbal in de hand van God, maar hij kon zijn eigen lot beïnvloeden en de hemel op aarde realiseren. Al snel werd een poging gewaagd de daad bij het woord te voegen. De Wederdoper Jan van Leiden vestigde in Münster zijn Koninkrijk Sion. Het liep slecht af.

Achterhuis constateert met recht dat een utopie slechts in schijn een ideale wereld schetst. Wie erdoorheen weet te kijken ziet de onvrijheid, de beklemming, de dwang, de gevangenschap. De hemel: dat zijn de anderen. Het individu wordt opgeofferd aan het algemeen belang. Utopia is een statische samenleving, op zijn best dodelijk saai en ontdaan van emoties.

Maar goed, hoe saai en eenvormig een utopie ook is, ze wortelt in een opvatting over de bestaande werkelijkheid. De hemelbestormer ziet de wereld en ziet dat het niet goed is. Hij heeft de overtuiging dat de mens de werkelijkheid naar zijn hand kan zetten. Vaak grijpt hij terug op een Gouden Tijd in het verleden toen alles nog heel was. De eenheid is uit elkaar gespat en moet worden hersteld. Het lijkt of de complexiteit toeneemt in de loop van de tijd. De overzichtelijkheid en de heelheid nemen af. De hemelbestormer staat meer en meer voor een onmogelijke taak.

Zolang een utopie bij dromen en woorden blijft, doet ze weinig kwaad en kunnen we haar zien als een heilzame afleiding. Maar wanneer ze in de praktijk wordt gebracht, verliest ze haar onschuld en laat ze aan tegenstanders en twijfelaars haar wrede gezicht zien. Het persoonlijke moet worden ondergeschikt aan het publieke. De vrijheid komt in de knel.

Maar hoe erg is het om bepaalde vrijheden op te geven als je daarmee bepaalde zekerheden verwerft? Dat zou niet erg zijn als de keuze om dat te doen voor ieder vrij was. In Utopia is dat niet het geval. De totalitaire trekken van een zogenaamde ideale samenleving zijn evident.

Een nadeel van grootse visioenen is dat ze worden gekaapt door zeloten of idioten. We kunnen de namen van twintigste-eeuwse leiders dromen: het zijn nachtmerries. Hitler, Stalin, Pol Pot. Zij verziekten ons geloof aan idealen en de bereidheid ervoor te vechten. Zij hielden ons een spiegel voor: de mens laat zich maar al te gemakkelijk verleiden een leider en zijn dodelijke beloften van geluk te volgen.

Maar jonge mensen dan? Bij jonge mensen hoort het toch de hemel te willen bestormen? Een zekere mate van irrationeel enthousiasme is de motor die hen het volwassen leven in schiet. En we hebben het nodig: de beweging, de vernieuwing, de kritiek. Waarom doen ze het niet meer, of maar zo kort en halfhartig dat ze net als Icarus al snel met gesmolten vleugels in zee storten?

De grote verandering ten opzichte van ’vroeger’ is de enorme toename en verspreiding van informatie. Het geloof aan het ideaal of de utopie bestaat bij de gratie van een zekere mate van onwetendheid, van naïviteit, anders loop je niet zo lang achter een vals vaandel aan. We weten alles. En we weten het heel snel. Geen detail blijft ons bespaard. Iedere beweging kent haar zwarte zijde. Iedere actievoerder gaat wel eens over de schreef. Dat wordt niet meer gepikt. Het doel heiligt niet langer de middelen.

Onwetendheid bestaat niet meer in onze tijd. Het afbreukrisico van Leiders is groot. Niemand laat zich meer bedotten. En ja, we hebben het te goed. De nood is niet hoog genoeg om een illusie te omhelzen.

Hoewel de utopie een van oorsprong westers verschijnsel is, zoals Achterhuis beweert, is het niet langer voorbehouden aan de westerse cultuur. Het utopisch denken, niet onbekend met religieuze inspiratie, is geëxporteerd.

De politieke islam bijvoorbeeld mikt niet op de vestiging van de islamistische staat in het hiernamaals, maar ziet die duidelijk in het hier en nu. Ze strijden ervoor. Er is sprake van een heilsstaat, waar de islamitische wet geldt. Het persoonlijke belang van de man die een gordel explosieven omhangt, wordt ondergeschikt aan het algemeen belang.

De oorsprong van het islamitisch ideaal ligt net als de oude westerse utopieën in maatschappelijke nood, in angst en onzekerheid, in echte of vermeende achterstelling. De islamitische wereld beschouwt zichzelf als slachtoffer, voelt zich de mindere, en dat is een prima voedingsbodem voor utopische fantasieën en grootheidswanen. Rancune en ressentiment wakkeren het vuur van het idealisme aan. Daar bestormen jongeren nog de hemel. Wij houden ons hart vast.

Wat stellen we ertegenover? De zelfgenoegzame generatie, die volgens onderzoek van Motivaction alleen aan zichzelf denkt en geen poot uitsteekt voor anderen. Ook daarvoor houd ik mijn hart vast.

Er is een tussenweg. Ik heb de illusie dat we daar nog iets aan kunnen doen, wij volwassenen, ouderen, docenten, ouders, opa’s en oma’s. Veel is niet nodig: een mespunt idealisme, een snufje solidariteit, een vleug bescheidenheid. The readiness is all, zei Hamlet.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden