WROK

(Trouw) Beeld
(Trouw)

Hij wilde niets weten van verzoening. Vergevingsgezindheid beschouwde hij als onrechtvaardig en immoreel. De Oostenrijks-Joodse journalist Jean Améry bleef na zijn kamptijd diepe haat koesteren tegen de schuldigen aan de Holocaust. Tot aan zijn laatste snik.

Op 19 oktober 1964, tijdens het Auschwitzproces, leest de Joodse journalist en ex-kampgevangene Jean Améry voor de Duitse radiozender een essay voor, getiteld ’Folteren’. Hij confronteert daarin de luisteraars met de verwoesting die de nazi’s met hun martelingen in hem hebben aangericht. Er volgen nog vier gesproken essays, later gebundeld onder de titel ’Jenseits von Schuld und Sühne’. Ze maken Améry tot een begrip in Duitsland.

Het is vreemd dat de Nederlandse vertaling (’Schuld en boete voorbij’) tot 2000 op zich liet wachten. De essays zijn even beklemmende als belangrijke literatuur. In een directe beeldende stijl geeft Améry woorden aan de eenzaamheid, angst en vervreemding die zijn leven beheersen sinds de oorlog. Het litteken op zijn ziel maakt hij al schrijvend even zichtbaar als het getatoeëerde nummer op zijn arm.

Maar Améry is meer dan een ’professionele concentratiekamper’ zoals hij zichzelf soms spottend noemt. Hij is bovenal een filosoof die tegen de stroom in durft te denken, door zijn onorthodoxe, maar relevante pleidooi voor het recht op wrok. In het huidige tijdperk van waarheids- en verzoeningscommissies – de laatste tien jaar alleen al in Peru, Marokko, Oost-Timor, Sierra Leone, Ghana en Liberia – is zijn schrijnende analyse van het slachtofferschap een onverminderd actueel appèl om niet al te lichtzinnig te denken over vergeving en verzoening.

Jean Améry komt in 1912 als Hans Mayer ter wereld in een geassimileerd, Joods-katholiek gezin in Wenen – de stad die de eerste decennia van de twintigste eeuw zindert van artistiek en intellectueel leven, de stad van Gustav Klimt, Martin Heidegger, Sigmund Freud en Arnold Schönberg. Hij studeert letterkunde en filosofie, bezoekt lezingen van de Wiener Kreis. Zijn Joodse achtergrond speelt geen rol in het dagelijks leven, hij kent Jiddisch noch Hebreeuws, bij huiselijke ongelukken roept zijn katholieke moeder Jezus en Jozef aan en op Kerstavond gaat hij naar de Nachtmis. Hij is nooit een Jood geweest, denkt hij. Hij kan het daarom niet zijn en hij zal het daarom ook niet worden.

Tot die dag in 1935 dat hij in een Weens café in een krant leest over de net uitgevaardigde Neurenberger wetten en beseft dat die op hem van toepassing zijn. Het antisemitisme bestempelt hem definitief tot Jood. Tot ’een dode met vakantie’, tot „iemand die moest worden vermoord en door toeval nog niet was waar hij thuishoorde”. Zijn waardigheid, die hij definieert als ’het door de samenleving verleende recht op leven’, wordt hem ontnomen. Dat gevoel zal hem na die dag in dat Weense café zijn leven lang vergezellen.

Hij realiseert zich dat hij aan het uitgesproken vonnis niet zal kunnen ontsnappen. Toch voelt hij de behoefte ertegen in opstand te komen. Hij doet dat door bewust en radicaal te kiezen voor het Jood-zijn. Het is een van de vele paradoxen in Améry’s leven.

In december 1938, na de Anschluss, vlucht hij via smokkelwegen met zijn vrouw naar België. Met vijftien mark en vijftig pfennig op zak beginnen ze aan hun leven in ballingschap. Het afgesneden zijn van zijn geschiedenis, het verlies van landschap, bezit, mensen en taal vallen hem zwaar. Het roept gevoelens op van onveiligheid waarvan hij niet weet hoe hij ze moet bezweren.

Na de Duitse inval op 10 mei 1940 pakt de Belgische regering Améry op als ’verdachte buitenlander’ en deporteert hem naar Gurs, een Frans concentratiekamp in de Pyreneeën. Améry slaagt erin te vluchten. Hij sluit zich aan bij een Duitstalige communistische verzetsgroep die antinazistische vlugschriften verspreidt. Hun werkwijze is weinig professioneel en in 1943 rolt de Gestapo de groep op. Améry wordt gevangen gezet in fort Breendonk, een vesting uit de Eerste Wereldoorlog die dienst doet als doorgangskamp. Daar zit hij drie maanden in een isoleercel en wordt hij gefolterd. Een afgrondelijke ervaring.

„Wie ooit gefolterd is, voelt zich nooit meer thuis in deze wereld. De smaad van de vernietiging laat zich nooit meer uitwissen. Het vertrouwen in de wereld, dat deels bij de eerste klap en later tijdens de foltering in zijn volle omvang wordt gebroken komt nooit meer terug. Dat de medemens als tegenmens wordt ervaren staat als een hoge muur van verschrikking in de gefolterde overeind; daar kan niemand overheen kijken naar de wereld waarin de hoop regeert. Wie gemarteld werd is weerloos overgeleverd aan de angst. En het is deze angst die voor de rest van zijn leven de scepter over hem zwaait. Angst en ook datgene wat men wrok noemt. Die blijven en krijgen nauwelijks kans zich tot een reinigende wraakzucht te verdichten.”

Daar in de kelders van Breendonk, waar hij ’vlees en dood’ wordt, liggen de kiemen van zijn vervreemding en eenzaamheid. Als de Duitsers zijn Joodse identiteit achterhalen zetten ze hem begin november 1943 op transport naar Mechelen en vervolgens half januari 1944 naar Auschwitz. Het konvooi telt 657 Joden van wie er bij aankomst 400 naar de gaskamers worden gestuurd. In zijn roman ’Lefeu oder der Abbruch’ schrijft Améry: „Vlammen waren er niet te zien, alleen zwartige rook die zich een weg baande uit de schouwen en graven groef in de hemel. Hemel! Ik kan niet loskomen van die opgekropte woorden die de werkelijkheid vervormen. Dat doorstaan zou een absurditeit zijn.”

Intellectuelen zijn – zoals Améry later zal beschrijven in het essay ’Aan de grenzen van de geest’ – het slechtst bestand tegen de barre omstandigheden in het kamp. Hun voornaamste werktuig, de geest, biedt geen bescherming tegen de voortdurende fysieke vernederingen.

Eén keer verzet Améry zich. Hij deelt een vuistslag uit aan een kapo die hem zonder reden vol in het gezicht slaat. Het komt hem op een genadeloos pak rammel te staan. Het kan hem niet schelen, hij heeft zijn waardigheid gedeeltelijk heroverd. Kampgenoot Primo Levi, die in ’De verdronkenen en de geredden’ een hoofdstuk aan Améry besteedt, ziet deze gebeurtenis als een sleutelverhaal in diens leven. Evenals Jeroen Brouwers, die in ’Oefeningen in nergens bij horen’ een kleine studie aan hem wijdt. „Améry had aan het voorval een nieuwe moraal ontleend: die van het Zurückschlagen. Hij zou later een categorische neezegger worden, voortdurend polemisch in de weer tegen wat in zijn ogen de waanideeën van de vooruitgangsideologie waren.”

Begin 1945 evacueren de Duitsers het kamp en via Dora-Mittelbau, een bijkamp van Buchenwald, komt Améry terecht in Bergen-Belsen waar hij in april 1945 wordt bevrijd. Hij keert terug naar België in de hoop op hereniging met de enige mens voor wie hij het kamp wilde overleven: zijn vrouw. Zij blijkt een klein jaar eerder gestorven aan een hartkwaal.

Améry gaat in Brussel wonen. Hij probeert als journalist „met woorden de wereld de baas te worden”. Hij werkt aan een essay getiteld ’De psychologie van het Duitse volk’, waarin hij het vertrouwen uitspreekt dat de daders de volle verantwoordelijkheid op zich zullen nemen. Al snel moet hij tot zijn verbijstering constateren dat het antisemitisme de oorlog heeft overleefd. Hij blijft een ter dood veroordeelde, zij het met uitstel van executie.

Weer is het de blik van de antisemiet die hem tot Jood maakt – een ervaring die bij hem gepaard gaat met angst en woede. „Op mijn linkerarm draag ik het nummer van Auschwitz. Dat lees je vlugger dan de Pentateuch of de Talmoed, en toch geeft het meer informatie. Bovendien is het bindender dan welke grondformule van het jodendom ook.” Iedere ochtend bij het wakker worden roept het zien van dat nummer een angst in hem op die hem raakt tot op de bodem van zijn ziel. Het is in die tijd dat zijn wrokgevoelens manifester worden. Als hij ziet dat het naoorlogse Duitsland zich met grote voortvarendheid richt op de toekomst, en in zijn ogen het verleden te snel verwerkt, neemt de wrok definitief intrek in zijn geest.

Halverwege de jaren vijftig besluit hij – een symbolisch protest tegen de Duitse cultuur – om voortaan onder de naam Jean Améry, het Romaans klinkende anagram van Hans Mayer door het leven te gaan. In 1964 culmineren zijn reflecties over marteling, ballingschap en slachtofferschap in de vijf genoemde essays waarvan het hoofdstuk ’Wrok’ in mijn ogen het weerbarstigste en belangwekkendste is.

Améry heeft verschillende redenen om zijn wrok levend te houden. Allereerst wil hij dat de misdaad een morele realiteit voor de misdadiger wordt. Zou er slechts sprake zijn van één dader, bijvoorbeeld zijn kwelgeest de Vlaamse SS’er Wais, dan wordt het recht hersteld op het moment dat die voor het executiepeloton staat. Dan verandert hij van tegenmens weer in medemens. Maar hoe kun je die morele realiteit afdwingen wanneer het om ontelbare daders gaat?

Door wrok.

Slachtoffers hebben de taak de wond open te houden zodat de daders de gruwelijke waarheid van hun daden onder ogen zien en erkennen. Alleen die erkenning kan Améry terughalen bij de samenleving en hem verlossen uit de extreme verlatenheid die de vervolging met zich heeft meegebracht. Alleen die erkenning maakt een met anderen gedeelde wereld mogelijk.

Vergeven is in zijn ogen niet alleen te makkelijk maar ook onrechtvaardig. „De wereld die vergeeft en vergeet heeft mij veroordeeld en niet degenen die gemoord hebben of het moorden hebben toegestaan.” Verzoeningsgezindheid ziet hij als onverschilligheid tegen het leven of als verdrongen wraakzucht.

Een door sociale druk bewerkstelligd vergeven en vergeten beschouwt hij als immoreel. Begrijpen is uit den boze. „Men heeft mij verwond. Ik moet die wonde ontsmetten en verbinden, en niet overdenken waarom de beul zijn bijl nam want dan zou ik zijn beweegreden vinden en hem op die manier gedeeltelijk van zijn schuld bevrijden.” Dat is het laatste dat mag gebeuren. Niet uit zelfmedelijden houdt hij radicaal vast aan wrok maar om de schuldigen niet te ontlasten. Zij hebben geen recht op verzoening.

Er is ook een politiek motief. Améry verweert zich „tegen een heden dat het onbegrijpelijke in de diepvries van de geschiedschrijving heeft gedeponeerd en het zodoende op stuitende wijze vervalst”.

Alleen wanneer het verleden op een schrijnende manier levend wordt gehouden kan het betekenis hebben voor de toekomst Hij verzet zich tegen het natuurlijke proces van de tijd die wonden heelt. Deze natuurlijke tijd is niet moreel maar immoreel.

Principieel weigert Améry om zich te verzoenen met het onomkeerbare. Hij hekelt de Franse filosoof Gabriel Marcel die in zijn ogen met zijn vergevingsgezinde houding de Holocaust reduceert tot een arbeidsongeval in de Duitse geschiedenis. Hij staat op het standpunt dat er geen werkelijke verzoening kan zijn zonder gerechtigheid. Door het verleden open te houden ken je aan de Holocaust een impact toe die onmogelijk ooit nog te negeren valt. Iedereen móét het zich herinneren.

Améry weet dat hij bezig is met een onhaalbare missie. Dat hij door de keuze voor wrok meer zichzelf dan de daders vastnagelt aan zijn vernielde verleden. Hij weet dat ressentiment het onmogelijke verlangt: terugkeer naar het voorbije en opheffing van het gebeurde. Hij weet dat zijn keuze doortrokken is van paradoxen en tegenstrijdigheden. Maar hij weet ook dat hij niet anders kan. Het is zijn opdracht als slachtoffer. Hij wil niet verwerken. Hij mag niet verwerken.

Améry maakt zich niet populair met deze visie. Primo Levi noemt zijn standpunten rigide en onverzoenlijk en Tzvetan Todorov spreekt van een steriel verlangen naar wraak.

Tegen de te verwachten kritiek uit de hoek van de psychiatrie dekt Améry zich bij voorbaat in. Nee, hij heeft geen neurose of concentratiekampsyndroom. Nee, hij is niet psychisch ziek. Hij lijdt alleen maar ongeneeslijk aan de werkelijkheid. „De anderen zijn de gekken en radeloos leef ik onder hen.” Hij weet dat hij met zijn pleidooi ook moralisten, voor wie wrok een tekortkoming is, tegen zich in het harnas jaagt maar dat laat hem onverschillig.

Hij is fel gekant tegen Nietzsche’s analyse van wrok als element van een slavenmoraal, ontwikkeld door de zwakken. De filosoof typeerde de rancuneuze mens als „niet open, niet naïef en niet eerlijk tegen zichzelf, zijn ziel ziet scheel, zijn geest houdt van schuilhoeken en achterdeuren”. Améry schampert: „Zo sprak de man die droomde van een synthese van de onmens en de supermens. Laat hen die getuigen waren van het samengaan van de onmens en de ondermens hem van antwoord dienen. Zij zijn degenen die bevoegd zijn tot het werkelijk oordelen.”

Ook anticipeert Améry op de reactie van de lezer die ongetwijfeld geneigd zal zijn hem af te schilderen als een monster „zo niet van wraakzucht dan toch van verbittering”. Dat oordeel is niet helemaal bezijden de waarheid, maar dat is dan ook alles. Wellicht graaft Améry zich in de loop van de tijd dieper in in zijn wrok omdat niemand zijn inzichten lijkt te delen.

Améry keert terug naar de etymologische wortel van het begrip ressentiment, re-sentir, hervoelen. In zijn visie is wrok een gerechtvaardigde en natuurlijke rebellie van het slachtoffer, oog in oog met onrechtvaardigheid.

Hij beschouwt wrok als dé emotionele bron van iedere authentieke moraal. Als protest tegen het verblekende wrede verleden en het onverschillige heden. Als enige manier om de waardigheid van het slachtoffer te herstellen en herhaling te voorkomen. Zijn missie overstijgt het particuliere. Door wrok als een deugd en een middel tot verzoening te presenteren, voegt hij een nieuwe dimensie toe aan het denken over herstel van de verhouding tussen dader en slachtoffer. Maar de prijs die hij daarvoor betaalt is hoog.

In het voorwoord bij de heruitgave van ’Jenseits von Schuld und Sühne’ in 1977 beschrijft Améry hoe betogers voor de Palestijnse zaak ’Dood aan het Joodse volk’ scanderen. Hij zegt dan: „Mensen als wij zijn dat gewend. Wij hebben gadegeslagen hoe het woord vlees werd en het vleesgeworden woord een stapel lijken.”

Oude wonden breken open als nieuwe zweren. Het proces van vervreemding zet genadeloos door. Améry is regelmatig zo hevig in de greep van de angst dat hij, zo schrijft hij, niet meer kan zeggen: „Ich habe Angst, vielmehr ich bin Angst.” Voor hemzelf blijkt de wrok allesbehalve genezend en heilzaam te werken, zoals hij bij vlagen radeloos weet. „Wraakgevoelens [] maken weinig of geen kans om het leven en werk van de overwinnaars te verzuren. Wij, de slachtoffers moeten ons werk van de wrok ’afmaken’, afmaken in de betekenis die ooit het kampargot aan dat werkwoord gaf, namelijk er een eind aan maken. Wij moeten en zullen er vlug een eind aan maken. Tot het zover is smeken wij hen die door onze rancune in hun rust worden gestoord om geduld.”

Het zal nog twaalf jaar duren voor hij zijn kwelgeesten die rust gunt. Op 17 oktober 1978 maakt hij het werk van de wrok af door de hand aan zichzelf te slaan. Hij kiest voor de Freitot, bevrijdt zich van zijn wanhopige leven. De oorlog heeft hij overleefd, maar de vrede overleven lukt hem niet. Zijn zelfgekozen dood is het laatste hartgrondige nee van de categorische neezegger.

De grote verdienste van Améry is dat hij wrok als morele categorie heeft aangekaart en zo nieuw leven heeft geblazen in een slapend debat. Tegelijkertijd heeft hij met zijn keuze voor de dood een laatste paradox, een nieuwe vraag opgeworpen. Want hoe weeg je een ethisch appèl dat de pleitbezorger ruïneert?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden