Wroeten in het verleden van Suriname

Een gezonken slavenschip, een onopgeloste massamoord en een vergeten vakbondsman. 151 jaar na de afschaffing van de slavernij, die morgen wordt gevierd, zoekt Suriname nog steeds naar de ware toedracht achter gebeurtenissen uit het koloniale verleden. 'Het wordt tijd om de geschiedenis te herschrijven.'

PIETER VAN MAELE

PARAMARIBO - De zon brandt, muskieten prikken onze armen en benen lek. Drie decennia nadat suikerfabriek Mariënburg - vanuit hoofdstad Paramaribo drie kwartier lang kronkelen over smalle weggetjes - op de fles ging, is de suikerrietplantage waardoor we ons een weg banen weer opgeëist door het onstuitbare regenwoud. Ooit was dit de grootste plantage van de kolonie, waar op het hoogtepunt van haar bestaan liefst achtduizend hectare suikerriet stond te wiegen in de wind, om in oogsttijd te worden gekapt door honderden contractarbeiders uit Java en Brits-Indië. Door dalende wereldmarktprijzen sloot de fabriek in 1986 voorgoed de deuren, sindsdien wordt in Suriname geen gram suiker meer geproduceerd.

Het is lang niet de meest treurige episode in de geschiedenis van Mariënburg. In 1902 kwamen de contractarbeiders in opstand tegen plantagedirecteur James Mavor, die loonsverlagingen wilde doorvoeren. De man werd door een woedende menigte met kapmessen in stukken gehakt. Ter vergelding schoot het koloniale leger de volgende dag zeventien mensen dood, zeven anderen stierven later aan hun verwondingen. De lijken werden gedumpt in een massagraf, ergens langs het twaalf kilometer lange treinspoor dat over de plantage liep.

Naar dat massagraf is archeoloog Benjamin Mitrasingh sinds vorig jaar op zoek. Hij is de beste archeoloog van het land, lacht hij, en de enige. "Met een grote graafmachine hebben we een deel van het voormalige treintracé al opengestoten. Nu nemen we bodemmonsters met handboren, in de hoop ergens verstoringen in de kleigrond waar te nemen. We gaan ervan uit dat de lijken in een ondiepe kuil zijn begraven, zoals vaak bij provisorische massagraven."

De zes mannen die Mitrasingh bijstaan, velen voormalige arbeiders van de suikerfabriek, zweten onder de felle ochtendzon. Een halve dag graven naar monsters levert alweer niks op, terwijl de zoektocht al in januari vorig jaar begon.

De wetenschapper, in Suriname bekend als een echte dwarsligger die nooit een blad voor de mond neemt, beseft dat hij zoekt naar de figuurlijke speld in een hooiberg. "Geld om met geavanceerde technologie naar het graf te zoeken, bijvoorbeeld met infrarode stralen, hebben we niet. Daarnaast gooit de Surinaamse politiek roet in het eten. De vereffenaar van het failliete Mariënburg heeft enorme lappen grond verkocht en fabrieksmachines als oud ijzer van de hand gedaan. Het geld heeft hij zelf opgestreken, terwijl het een staatsbedrijf was. Oude plantagekaarten wil hij me daarom niet laten inzien, bang als hij is welke schandalen we hier zouden ontdekken."

Mitrasingh ergert zich eraan dat de corrupte dorpspolitiek van Suriname zelfs archeologisch onderzoek in de weg zit. Toch vindt hij het belangrijk om door te zetten. "Surinamers kennen de hunebedden van Drenthe beter dan hun eigen geschiedenis. Als kolonie moesten we alles leren over het vaderland, maar leerden we niks over onszelf. Zelfs wij zijn tijdens archiefonderzoek op details gestuit die we niet kenden. Het wordt tijd de Surinaamse geschiedenis te herschrijven. We willen daarnaast de vermoorde mensen een herbegrafenis schenken en hen het respect betuigen dat ze altijd hebben verdiend. Daarmee kan dan eindelijk een punt worden gezet achter een stuk geschiedenis."

undefined

Speuren naar het wrak van een vergaan slavenschip

Niet alleen in Mariënburg wordt naar een massagraf gezocht. Honderdtwintig kilometer naar het oosten, in de monding van de grensrivier de Marowijne, wordt gespeurd naar het wrak van het slavenschip Leusden. Het is een schoolvoorbeeld van een vergeten ramp, nochtans de grootste ramp uit de Nederlandse slavernijgeschiedenis.

De Leusden voer van het huidige Ghana naar Suriname. Op nieuwjaarsdag 1738 maakte de kapitein echter een navigatiefout, waardoor het schip op een zandbank liep. Uit angst voor een opstand spijkerde de bemanning het ruim dicht waarin 660 mensen zaten opgesloten, waarmee hun doodsvonnis was getekend.

De in Suriname geboren historicus Leo Balai stuitte tijdens zijn studietijd als bij toeval op het verhaal. Hij zou in 2011 uiteindelijk over het onderwerp promoveren aan de Universiteit van Amsterdam. "Op een gegeven moment kwam ik voor het vak Caraïbistiek het boek 'The Dutch in the Atlantic Slave Trade' van Johannes Postma tegen. Daarin stond een halve pagina over die ramp met de Leusden. Ik wilde er meer over lezen, maar meer was er niet. Daarop besloot ik zelf op zoek te gaan, wat me uiteindelijk vier jaar archiefonderzoek heeft gekost", vertelt Balai.

Het onderzoek leverde verschillende boeken op, maar het allermooiste zou natuurlijk zijn het schip terug te vinden. Dat kan, want als het werd overspoeld met zand en modder moet het de tand des tijds hebben doorstaan.

Daarom voer Balai medio vorig jaar samen met maritiem archeoloog Jerzy Gawronski het rampgebied in. "In een vissersboot hebben we een klein deel van de riviermonding onderzocht op een verhoogde concentratie ijzer in het water, afkomstig van de twaalf kanonnen die aan boord waren. We hebben enkele plekken met een verhoogd ijzergehalte gevonden, maar dat volstaat niet om al te kunnen zeggen waar het scheepswrak ligt."

De onderzoeker voert momenteel gesprekken met mogelijke partners om medio volgend jaar opnieuw naar de Marowijne te kunnen afreizen. Balai: "Je moet als wetenschapper een persoonlijke drive hebben om dit te willen doen, en nog hopen dat je resultaten boekt ook. Je verdiente er namelijk niks mee."

Mocht het slavenschip worden gevonden, dan zou dat volgens hem een vondst van onschatbare waarde zijn. "Over de bouw van slavenschepen is verbazingwekkend weinig bekend. Er zijn wereldwijd slechts enkele gezonken slavenschepen teruggevonden, en verder is tragisch genoeg geen enkel ander slavenschip bewaard gebleven. Daardoor weten we er ook zo weinig over. We gaan er tot nu toe van uit dat slaven tijdens hun gedwongen overtocht helemaal niets bij zich hadden, maar misschien vinden we op de Leusden wel persoonlijke spullen terug?"

Balai wil naast het wetenschappelijke debat ook een maatschappelijke discussie op gang brengen. "In Nederland, én in Suriname, maakt de slavernijgeschiedenis geen deel uit van het collectief geheugen. Het begint met het onderwijs. In beide landen gaat men op school niet diepgaand genoeg in op de vraag hoe de maatschappij geworden is zoals zij er vandaag uitziet. Hoe zijn alle bevolkingsgroepen overal terechtgekomen? Die vraag kunnen beantwoorden helpt je om huidige ontwikkelingen te begrijpen, en te kunnen uitleggen waarom de wereld is zoals die is."

undefined

Mysteries ontrafelen van de vergeten vakbondsman

Aan vakbondsman Louis Doedel (1905 - 1980) mag in Paramaribo sinds vorig jaar al wel een monument zijn gewijd, zijn tragische levensloop blijft omhuld met mysteries. Dat vindt althans de 89-jarige Emile Wijntuin, die in de jaren zeventig parlementsvoorzitter van Suriname was.

Doedel woonde eind jaren twintig op Curaçao, maar werd daar in 1931 weggestuurd omdat hij zich zou bezighouden met 'revolutionaire praktijken'. Terug in Suriname richtte hij het Werklozencomité op, dat protesteerde tegen de ellendige werkomstandigheden in de Nederlandse kolonie.

In 1937 wilde Doedel een petitie aanbieden aan gouverneur Johannes Kielstra, maar Kielstra wilde op zijn paleis enkel blanken ontvangen. De vakbondsman smeerde zich in met witte klei, trok naar het gouvernementspaleis en liet daar zijn broek zakken.

Doedel werd opgepakt en op bevel van Kielstra veroordeeld tot een celstraf van 28 dagen in een psychiatrische kliniek. Hij zou er uiteindelijk langer dan veertig jaar opgesloten zitten. Amper twee weken voor zijn dood werd hij vrijgelaten.

Zelfs toen Suriname in 1975 onafhankelijk werd, bleef Doedel achter de tralies. Wijntuin: "Ik ben dus zelf debet geweest aan zijn jarenlange opsluiting; ik had als parlementsvoorzitter aan zijn vrijlating kunnen werken. Maar iedereen was Doedel vergeten. Zelfs zijn eigen familie dacht dat hij dood was. Ik heb ook maar bij toeval over hem gehoord. Niet alleen Nederland treft hier schuld, ook Suriname gaat niet vrijuit."

In 1998 schrijft Wijntuin een beknopte studie over de vakbondsman, die hij persoonlijk aanbiedt aan de voorzitter van de Tweede Kamer. Vijf jaar later staat hij aan de wieg van het Comité Eerherstel Doedel. Het doel is de Nederlandse regering uiteindelijk te laten erkennen dat ze een man heeft laten opsluiten die alleen maar streed voor een rechtvaardige samenleving. Wijntuin: "Daarnaast moet ook Suriname hem in ere herstellen. Alleen een borstbeeld is niet genoeg. Er moet over hem worden verteld op school, tijdens de geschiedenisles. We spreken alleen maar over Anton de Kom (schrijver en verzetsstrijder, red.), terwijl ook Doedel belangrijk was. Ook moet worden onderzocht hoe het kon dat iemand 43 jaar lang opgesloten zat. Was zijn opname in het krankzinnigengesticht medisch verantwoord? Hoe kon hij worden vergeten? Al die vragen moeten worden beantwoord."

Ligt het aan Wijntuin, dan wordt Doedel zelfs opgenomen in het Guinness Book of Records, als de vakbondsleider die het langst opgesloten zat. "Veel hoop dat het lukt heb ik eigenlijk niet meer. De regering van Desi Bouterse lijkt Doedel vooral politiek te willen gebruiken, als een figuur die is onderdrukt door Nederland. Dat klopt niet, want ook Suriname heeft hem laten zitten in zijn cel. Het boekje dat ik over hem heb geschreven is amper verkocht. Doedel is nog steeds vergeten."

undefined

'Niet de bedoeling Nederland te beschuldigen'

Al trachten deze Surinaamse onderzoekers nieuw licht te werpen op excessen van het koloniaal gezag, geen van hen zegt dat te doen om met een beschuldigende vinger naar Nederland te wijzen.

Historicus Leo Balai: "Het gaat mij puur om het verwerven van inzichten. Ik wil niet dat mijn onderzoek wordt gebruikt om Nederland van allerlei zaken te beschuldigen. Dat zou een zinloze exercitie zijn, omdat dit een gezamenlijke geschiedenis is waarin we helderheid moeten krijgen. Ik ben met feiten bezig, en dan kun je er niet onderuit dat op de slavenschepen ook Afrikanen meevoeren die de gevangenen moesten begeleiden. Het waren niet enkel witte mensen die zwarten verhandelden, de grote rol van Afrikanen kun je niet ontkennen."

Archeoloog Benjamin Mitrasingh: "Ik heb de Nederlandse zaakgelastigde in Paramaribo over mijn zoektocht verteld en benadrukt dat we er allebei niet persoonlijk bij betrokken waren."

Lachend: "Bovendien zei ik tegen de diplomaat dat ik hem ook zou neerschieten als hij met een kapmes op mij af zou stormen."

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden