Writer's block

Vijftig jaar geleden was ik in mijn jongenskamertje de trotse bezitter van een Tomado-rekje met wel dertig boeken, merendeels handelend over de vliegenier Biggles, afgewisseld met christelijke jongensboeken als Jaap Holm en z'n vrinden. Tegenwoordig woon ik in een bibliotheek met tienduizend hoogliteraire boeken en loop ik dagelijks zuchtend de trap af naar de voordeur om een nieuw exemplaar van een koerier aan te nemen. In 'De laatste dagen van Pompeii' van Bulwer Lytton lees ik dat een fikse Romeinse huisbibliotheek uit zo'n dertig boeken bestond. Oh heerlijke tijden die ik, toen ik erin leefde, grotelijks miskende. Maar zo nu en dan komt er nog wel eens een boek langs dat mee naar bed mag. Dat is het geval met 'McSorley's wonderbaarlijke saloon' van Joseph Mitchell, dat me bij uitgeverij Van Oorschot in handen werd geduwd. Ik had nog nooit van deze Mitchell gehoord, het had evengoed een zanger of politicus kunnen zijn, maar hij was in de jaren dertig reporter voor het weekblad The New Yorker. In die hoedanigheid schreef hij verhalen over wat heet 'de rafelranden' van zijn stad, zwervers, kleine misdadigers, onheilsprofeten, armoedzaaiers etcetera. Verhalen die zich vooral in de havens, de kroegen of driehoog achter afspelen. Anders dan bij ons Simon Carmiggelt schreef chroniqeur Mitchell zonder ironie en relativering maar objectief en zonder tussenkomst van zijn eigen mening of smaak over de mensen die hij tegenkwam. Hij was geïnteresseerd in de verhalen die al die nobody's hem opdisten en schreef ze zo nauwkeurig op dat je je moeiteloos in al die achterafplaatsen met hun wonderlijke en toch alledaagse menagerie verplaatst. Tijdschriften als The New Yorker hadden toen plaats voor verhalen van zo'n zes à zevenduizend woorden, een ideale lengte voor een verhaal in bed, zoals een kat het ideale formaat huisdier is, zal ik maar zeggen. In die twintig pagina's sleept Mitchell je telkens krachtig de nieuwe wereld in. Hier, het begin van 'Een patente vent': 'Commodore Dutch is een brutaal klein mannetje dat de afgelopen veertig zijn brood heeft verdiend met het geven van een jaarlijks bal ten bate van hemzelf' of in 'Koning der zigeuners': 'Er zijn minstens een stuk of tien zigeunerkoningen in de stad. Ze zijn allen bejaard, twistziek en zelfbenoemd.' Joseph Mitchell is de geïntereseerde en welbespraakte gids in marginaal maar springlevend New York. Niet voor niets wordt hij wel 'de aartsvader van de literaire non-fictie genoemd.' Het mooiste verhaal vond ik 'Avond met een hoogbegaafd kind' waarin hij het briljante zwarte meisje Philippa Schuyler en haar ouders bezoekt en al die brille en begaafdheid zo alledaags weet neer te zetten alsof je naast het wonderkind zit.

Maar het allermooiste verhaal is dat over Joseph Mitchell (1908-1996) zelf, die na 1964 nog dagelijks naar de redactielokalen van The New Yorker kwam maar nooit meer iets opschreef. Hij trok 's ochtends de deur achter zich dicht en kwam er na een dag nietsdoen weer uit, zo nu en dan hoorde iemand hem in de lift zuchten. Buiten in New York was de welvaart uitgebroken.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden