Wreed en nobel

Garry Wills is een Amerikaanse historicus en schrijver, specialist op het gebied van kerk en politiek, oud-hoogleraar aan de Northwestern University, autoriteit inzake Augustinus, tevens kenner van leven en werk van een andere heilige, Mohammed Ali. In 1999 schreef hij het volgende: "Toen ik Ali ontmoette nadat zijn verval had ingezet, was ik zo van slag dat ik besloot nooit meer naar enige bokswedstrijd te kijken." Wills hield zich daaraan, al bekeek hij nog wel wat oude banden om het essay 'The Great Black Hope' te kunnen schrijven. Een 'ontluisterende activiteit'.

Laten we wel wezen, boksen is een belachelijke sport. Elkaar een hersenbeschadiging bezorgen om anderen te amuseren - eigenlijk is het een soort stierenvechten. Een wreed spel, dat zich - zeker in de dagen van Mohammed Ali - voltrok tegen de achtergrond van raciale duisternis; Amerika was een land van formele en informele apartheid.

De man die zichzelf uitriep tot 'The Greatest' zei het in 1970 zelf: "Boksers zijn niets meer dan bruten die komen vechten om witte rijken te vermaken. Slaan elkaar verrot, breken elkaars neuzen, bloeden - twee kleine apen die elkaar afmaken voor het publiek. In de ring zijn we gewoon twee slaven. De meesters laten ons vechten terwijl zij gokken: mijn slaaf hakt jouw slaaf de pan in."

Maar wat een tegenstellingen! Begin over Ali en binnen de kortste keren ben je de weg kwijt. Boksen als slavernij? Het was ook, juist dankzij Ali, een emancipatie-versneller. Een primitieve sport? Het laat zich ook omschrijven als martiaal ballet, met Ali als de mooiste danser, de man die kon zweven als een vlinder en steken als een bij.

Garry Wills wilde er niet meer naar kijken, maar hij bleef erover schrijven, en daarmee schaarde hij zich in de gelederen van de grootste namen uit de Amerikaanse literatuur en journalistiek. In de VS wordt over boksen bericht met een ernst en ambitie als betrof het de belangrijkste zaak van de wereld. Dat zegt iets over de rol van sport in dat land, en over boksen als de meest geconcentreerde variant van het maatschappelijk gevecht.

Maar daarmee zijn we er niet: Mohammed Ali was een man die buiten alle categorieën viel, en dáárom onweerstaanbaar was. Hijzelf zag het als een missie. Tegen David Remnick, hoofdredacteur van The New Yorker, zei hij dat hij zijn opdracht was 'te bewijzen dat je een nieuwe soort zwarte man kon zijn'. Niet de goede zwarte, niet de slechte, niet de niet-witte, maar zichzelf: "Ik ben Amerika. Ik ben het deel dat je niet wilt zien. Zwart, zelfverzekerd, eigengereid. Wen er maar aan."

Lees over de wereld waar Ali, geboren als Cassius Clay, vandaan kwam, en je voelt het gewicht van deze uitspraak. Als jongen maakte hij nog mee hoe de 14-jarige Emmett Till werd vermoord omdat hij een witte vrouw vrijpostig zou hebben bejegend - dat was de werkelijkheid waar Ali tegen vocht, daarvoor moest hij anderen tot pulp slaan en zichzelf kapot laten beuken. Een wreed spel, een nobel spel.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden