Worsteling met moeder

Edgar Fernhout: Winter, 1973. (COLLECTIE MUSEUM VOOR MODERNE KUNST ARNHEM) Beeld
Edgar Fernhout: Winter, 1973. (COLLECTIE MUSEUM VOOR MODERNE KUNST ARNHEM)

Pas toen zijn dwingende moeder Charley Toorop ging kwakkelen met haar gezondheid, vond Edgar Fernhout zijn ’eigenheid’. Zijn gang naar abstractie is te zien in het MMKA.

Als kind werd Edgar Fernhout al gestimuleerd om te schilderen, door zijn opa Jan Toorop, maar vooral door zijn moeder, Charley Toorop. In Edgars kunstenaarschap zag zij de zo vurig begeerde voortzetting van het schildersgeslacht Toorop in de derde generatie. Charley Toorop legde deze wens zelfs vast op doek, in het beroemde schilderij ’Drie Generaties’ waaraan ze bijna tien jaar werkte voordat het af was. Edgar poseerde niet graag voor zijn moeder, omdat hij haar taxerende blik moeilijk kon verdragen. Hoewel Edgar zelf ook dolgraag kunstschilder wilde worden, vraag je je wel af hoe hij zich ontwikkeld zou hebben zonder zo’n dwingende en bemoeizuchtige moeder. Als je kijkt naar Fernhouts schilderijen in volgorde van ontstaan, valt meteen op dat zijn vooroorlogse werk totaal anders is dan zijn naoorlogse oeuvre. Voor de oorlog stuurde en steunde zijn moeder hem waar ze maar kon, niet alleen professioneel maar ook financieel. Na de oorlog ging Charley Toorop kwakkelen met haar gezondheid en moest zij eerder leunen op haar zoon dan omgekeerd. Heeft dat ertoe geleid dat Fernhout pas toen losser, robuuster en ook steeds abstracter ging schilderen en een eigen stijl begon te ontwikkelen?

Feit is dat het werk van Edgar Fernhout (1912-1974) altijd vergeleken werd met dat van zijn moeder. Bij de krachtige, vaak als mannelijk getypeerde schilderijen van Charley Toorop waren zijn werken volgens kunstcritici ’voorzichtiger, ijler en nerveuzer’ of wel ’vrouwelijk’. Kortom machokunst tegenover mietjeskunst. Het kan haast niet anders dat dit naast de bemoeienis van zijn moeder ook invloed heeft gehad op zijn ontwikkeling. In ieder geval leidde het tot een levenslange zoektocht naar een eigen stijl, naar ’eigenheid’, zoals hij het zelf noemde. Die worsteling wordt nu prachtig in beeld gebracht in het Museum voor Moderne Kunst Arnhem met de expositie ’Edgar Fernhout modernist’, die een vervolg is op de tentoonstelling ’Edgar Fernhout neo-realist’ die in 2002-2003 in hetzelfde museum werd gehouden. Toen werden de stillevens, portretten en landschappen uit zijn realistische periode tot 1945 gepresenteerd. Nu gaat het over de naoorlogse periode, toen Fernhouts schilderijen steeds abstracter werden.

De gang van Fernhout van realisme naar abstractie is haast op de voet te volgen. Voor de oorlog, toen hij met zijn eerste vrouw een paar jaar in Italië woonde, schilderde hij verfijnde stillevens tegen een strakblauwe lucht. Zijn moeder vond dat maar niks. Hij moest de ’natuur’ meer in zijn werk brengen. Fernhout probeerde dat door rechttoe, rechtaan onderwerpen te gaan schilderen, zoals een pot met een appel en brood met een fles in meer aardse kleuren. Dat beviel Charley Toorop beter, getuige de brief die ze schreef: „Je begint heel andere dingen in je werk te krijgen, gelukkig. De natuur komt er meer in”.

Na zijn terugkeer in Nederland wilde Fernhout die lijn doorzetten, maar hij raakte in een depressie toen hem een beroepsverbod werd opgelegd. Net als zijn moeder had hij geweigerd zich in 1942 aan te melden bij de Kultuurkamer, met als gevolg dat ze alleen nog clandestien konden doorwerken. Pas in de winter van 1943-1944 kwam hij de depressie te boven. Uiteindelijk kwam hij zelfstandiger uit de oorlog dan hij erin was gegaan. Zijn huwelijk was inmiddels op de klippen gelopen, wat zijn moeder die het niet kon vinden met haar schoondochter niet betreurde. Ze vond de ziekelijke echtgenote maar een belemmering voor haar zoons carrière. Zelf werd Toorop na de oorlog ook ziekelijk, ze kreeg een aantal beroertes. Fernhout stond toen eigenlijk voor het eerst van zijn leven op eigen benen. Hij nam artistiek afstand van zijn moeder, vond een nieuwe vrouw in Nannette Salomonson en ging in Amsterdam wonen.

Dat leidde niet meteen tot grote veranderingen in zijn werk. De eerste jaren borduurde hij nog voort op zijn vertrouwde genres, stillevens en portretten, al probeerde hij daar wel meer expressie in te leggen. Zich vastleggen op een bepaalde stijl deed hij echter niet, wat werd uitgelegd als onzekerheid. Na het plotselinge overlijden van Charley Toorop in 1955 verhuisde Fernhout met zijn vrouw naar het huis van zijn moeder in Bergen. Het eerste wat ze daar deden was de meest zichtbare sporen van Toorop weghalen. Kunstenaar Wim Schuhmacher (met wiens werk Charley Toorop niets had) werd gevraagd het door Gerrit Rietveld uitgevoerde interieur met het gele en rode houtwerk en de witte wanden over te schilderen in rustige kleuren. Het eerste schilderij dat Fernhout maakte in Bergen, was ook een artistieke streep onder het verleden: hij ’restylede’ in ’Voorjaarsstilleven’ zijn ’Bloemetjes op laken’ uit 1933.

De verhuizing naar Bergen leidde er ook toe dat de rotte appels en verflappen die tot dan figureerden in zijn stillevens, plaatsmaakten voor voorwerpen die hij op het strand had gevonden. Hij schilderde de zee, de duinen, de polder en het bos. Maar tot een echte doorbraak in zijn werk kwam het maar niet. Museumdirecteur Edy de Wilde ,die zag dat hij vastliep, bracht hem in contact met de Franse kunstenaar Jean Bazaine, schilder van lyrisch-abstracte landschappen. Die ontmoeting, in 1957, bleek cruciaal. Zelf schreef Fernhout in een brief: „De sprong is nu gemaakt. Ik heb me nu wezenlijk bevrijd van het me afzetten tegen hetgeen vroeger is gebeurd. De nieuwe taal heb ik gevonden. Waar het nu om gaat is die taal te verrijken, te intensiveren.”

Fernhout ging veel losser schilderen en de sombere grijstinten in zijn werk maakten plaats voor een ritmisch patroon van gekleurde vlakjes en toetsen, overwegend blauw en groen. Nog steeds schilderde hij landschappen, maar niet meer zoals hij ze had gezien, maar zoals hij de natuur beleefde. En dat codeerde hij in kleur en ritme. Geleidelijk aan liet hij zo zijn realistische stijl steeds meer los. „Ik maak een nieuw beeld van wat ik zie”, zei hij in 1963. Maar hij was er nog lang niet. Uiteindelijk moest hij helemaal ’zee’ worden, of ’dooi’ of ’winter’ om zee, dooi en winter te kunnen schilderen.

Na 1970 werd zijn beeldtaal nog eenvoudiger. Hij gebruikte twee, hooguit drie kleuren die hij in kleine spaarzaam aangebrachte vlakjes over het doek verspreidde. ’Strenge vorst’ (1973) is een van zijn laatste doeken: op een lichtblauwe, haast naar wit neigende ondergrond dwarrelen witte vlakjes. Zelfs zijn signatuur ontbreekt op dit schilderij zonder voor- en achtergrond, zonder diepte, helemaal los van de zichtbare werkelijkheid.

Zijn laatste schilderijen hebben niets meer met de zichtbare realiteit te maken, maar zijn een pure beleving van licht, kleur en ruimte. Edgar Fernhout had dan toch eindelijk de sprong gemaakt: van een schilder die de zichtbare werkelijkheid weergeeft tot een schilder die zijn eigen werkelijkheid zichtbaar maakt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden