Worstelen met piraten

Het recht bijt al millennia zijn tanden stuk op het geboefte te land, ter zee en in de lucht

Toen hij een piraat kreeg voorgeleid, kon Alexander de Grote (356-321 voor Chr.) het niet laten om de man te vragen wat hem bezielde om de zee onveilig te maken. De man - niet erg geïntimideerd door de omstandigheden - antwoordde de Macedonische koning vrijmoedig: "Net wat u bezielt om het met de hele wereld te doen! Maar omdat ik het met een klein scheepje doe, heet ik rover; terwijl u, met uw grote vloot, heerser heet!"

Kerkvader Augustinus van Hippo dacht er zevenhonderd jaar later eigenlijk niet anders over. "Wat zijn koninkrijken anders dan grote roversbenden? Wat zijn roversbenden anders dan kleine koninkrijken?", vroeg hij zich af in de nadagen van het Romeinse imperium.

In 'De vijand van iedereen. Piraten en het volkenrecht' verdiept Daniel Heller-Roazen, hoogleraar literatuurwetenschap aan de universiteit van Princeton, zich in het denken over piraterij.

'De vijand van allen' was een betere titel geweest, want zo noemde Cicero piraten in een invloedrijk driedelig werk 'De plichten', dat hij in 44 voor Chr. afrondde. De Romeinse staatsman en filosoof had het in zijn beschouwing ook over rechten die zelfs in enige mate voor vijanden golden. Als je zwoor op afspraken met hen, diende je je eraan te houden, vond Cicero. Hij maakte een uitzondering voor zeerovers: "Een piraat behoort immers niet tot vijanden met wie je in oorlog bent, maar is de gemeenschappelijke vijand van allen. Tegenover hem moeten er geen wederzijdse beloften of eed bestaan."

Die kijk bleef aardig overeind de afgelopen twee millennia en werkte door tot in het moderne oorlogsrecht. Wat niet wil zeggen dat het denken stilstond. Neem alleen al het werk van de Nederlandse rechtsgeleerde Hugo de Groot (Grotius), die in de eerste helft van de zeventiende eeuw volop filosofeerde over vrijhandel en vrije toegang tot de zeeën.

Steeds weer borrelden nieuwe vragen op, die vaak, maar niet altijd en niet in elk geval volledig beantwoord konden worden: Waar eindigt de zee en waar begint het land? Waarom zou piraterij onder het mom van door overheden uitgegeven kapersbrieven wel geoorloofd zijn?

Hoe streng kun je piraten behandelen als mensenrechten universeel zijn? Was het rechtvaardig om de Palestijnse kapers van het passagiersschip Achille Lauro (1985) te berechten als piraten, terwijl ze niets roofden en zeiden op te komen voor een politieke entiteit? En wat als dit soort 'piraterij' niet op zee, maar in de lucht plaatsvindt?

Als staten al geen gelegitimeerde roversbenden zijn, dan eigenden ze zich in ieder geval de macht toe om het geboefte partij te kunnen bieden. In 67 voor Chr. had Rome zoveel last van piraten, dat de graantoevoer naar de stad in gevaar dreigde te komen. In de senaat kwam een voorstel ter sprake om één generaal heel veel macht en middelen te geven om het Romeinse rijk van deze plaag te ontdoen. Volksvertegenwoordigers verwierpen het idee. Ze vreesden de almacht van de enkeling en leden dan liever op alle mogelijke manieren onder de vrijbuiters op zee.

Toen het volk in opstand kwam tegen dit besluit, kreeg Gnaeus Pompeius Magnus alsnog voor drie maanden 'volledige macht tegen de piraten'. Hij wist de klus in twee maanden te klaren. Het succes plaveide uiteindelijk de weg naar de monarchie. In de jaren die volgden zou de Romeinse republiek steeds vaker wettelijke uitzonderingsmaatregelen toestaan tot het zover was dat het hele Romeinse leger zijn eed van trouw aan één man moest zweren en diens bevelen opvolgen.

Veel recenter, na de aanslagen van 11 september 2001, verklaarde de Amerikaanse president George W. Bush bij decreet dat terroristen niet vielen onder de normale regels voor detentie, behandeling en berechting van verdachten. Zij werden in wezen als 'vijand van allen' betiteld, niet-statelijke tegenstanders zonder al te veel rechten die je dus ook gerust kon vastzetten op speciale plaatsen als Guantánamo Bay.

'De vijand van iedereen' is geen gemakkelijk boek. In zijn combinatie van geschiedenis, rechtsgeschiedenis en rechtsfilosofie, gelardeerd met relevante literaire citaten, formuleert Heller-Roazen soms net iets te stroef en te academisch. Maar zijn verkenning van de rechtsvacuüms tussen land en zee, vijand en crimineel is hoogst actueel. In toenemende mate duiken vijanden op die niet gebonden lijken aan welk territorium dan ook, of juist brute types die zeggen dat ze geen directe banden hebben met een staat, maar die volgens sommigen de schijn tegen hebben, van strijders in Oost-Oekraïne tot hooligans op EK-tribunes.

Daniel Heller-Roazen: De vijand van iedereen. Piraten en het volkenrecht. (The Enemy of All: Piracy and the Law of Nations) Vert. Geertjan de Vugt. Boom; 308 blz. euro 24,99

Het einde van de kapersbrief

Grote verzekeraars wilden het al langer. Afzonderlijke landen maakten tot dan toe alleen in bilaterale verdragen afspraken om elkaars schepen met rust te laten. Maar in 1856, na afloop van de Krimoorlog, kwam het dan toch tot de Verklaring van Parijs. In de Franse hoofdstad spraken het Verenigd Koninkrijk, Rusland, het Ottomaanse Rijk, Pruisen en Sardinië af dat kaapvaart voortaan in onderlinge oorlogen verboden zou worden.

Goed voorbeeld doet normaal goed volgen. Toch waren er naties die niets van deze overeenkomst moesten hebben. De Verenigde Staten bijvoorbeeld. Dat land verklaarde dat "het recht om gebruik te maken van kapers zo duidelijk is als het recht om publiekelijk bewapende schepen te gebruiken, en even onbetwistbaar als elk ander recht dat oorlogvoerende partijen toekomt".

De Amerikaanse aversie had ook te maken met de door het land gevoelde kwetsbaarheid: de kusten waren lang en de vloot was klein van omvang. In geval van oorlog moest er de mogelijkheid zijn om koopvaardijschepen te vorderen. Direct vooraan in de grondwet, in artikel 1, lid 8, stond (en staat nog altijd) dat het Congres landen de oorlog kon verklaren, kapers- en represaillebrieven mocht uitgeven en andere voorschriften mocht opstellen over het in bezit nemen op land en water.

Washington voegde zich later wel steeds meer naar de Verklaring van Parijs. Tijdens de Amerikaanse Burgeroorlog (1861-1865) vroeg de regering aan de Britten en de Fransen om kapers van de zuidelijke staten te berechten als piraten. In 1898, tijdens de Spaans-Amerikaanse Oorlog, kondigden de VS per presidentieel decreet af dat ze bepalingen van het verdrag uit 1856 wilden volgen en kapers voortaan ook vogelvrij zouden verklaren.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden