Wordt vervolgd

Gisteren sprak de Duitse schrijver Günter Grass over literatuur en dynamiet, over wat er werd verteld toen nog niemand kon schrijven, over de rattin die de Nobelprijs krijgt, over Heinrich Böll en Theodor Adorno en Willy Brandt, over de komische kracht van de picaro, over kapitalisme en communisme en over de honger, altijd weer, de honger.

door Gÿnter Grass

'Wordt vervolgd...' Met deze aankondiging sleepten zich in de negentiende eeuw prozawerken voort. Aan de onderkant van de pagina's boden couranten en weekbladen ruimte. Het feuilleton bloeide. Terwijl hoofdstuk na hoofdstuk zwart op wit werd gedrukt, was het middelste gedeelte van de vertelling nog maar net in handschrift op papier gezet, het einde nog niet bedacht.

Niet alleen triviale griezelverhalen en aangrijpende hartstochten hielden de lezer in hun ban. Verscheidene romans van Dickens zijn zo verschenen. Tolstojs Anna Karenina was een feuilleton. Balzacs tijd als ijverige toeleverancier voor feuilletonistische massaproductie heeft hem, naamloos nog, waarschijnlijk de techniek geleerd van de opgevoerde spanning, net voor het einde van de kolom. En ook bijna alle romans van Fontane zijn eerst in kranten en tijdschriften gepubliceerd en vervolgd, Irrungen, Wirrungen bijvoorbeeld, zodat de eigenaar van de Vossische Zeitung verontwaardigd uitriep: 'Wanneer houdt dat hoerenverhaal eindelijk eens op!'

Maar voordat ik de draad van mijn toespraak zo verder spin, moet ik vermelden dat deze zaal en de inviterende Zweedse Academie geen vreemden voor mij zijn. In mijn roman De rattin - die bijna veertien jaar geleden verschenen is en waarvan het catastrofale verloop deze of gene lezer zich misschien herinnert - wordt in Stockholm in aanwezigheid van een vergelijkbaar gemengd gezelschap een laudatie gehouden die gewijd is aan de rat, preciezer gezegd aan de laboratoriumrat.

Zij heeft de Nobelprijs gekregen. Eindelijk, moet worden gezegd. Want zij stond allang op de nominaties. Zij gold als favoriet. Uit naam van miljoenen proefdieren van cavia's tot rhesusapen werd zij nu, de witharige, roodogige laboratoriumrat, geëerd. Zij, boven alle anderen zij - dat beweert de verteller in mijn roman - heeft al die genobeleerde onderzoekingen en uitvindingen mogelijk gemaakt op het gebied van de geneeskunde en, wat de ontdekkingen van de Nobelprijswinnaars Watson en Crick betreft, op het haast onbegrensde proefterrein van de genetische manipulatie. Sindsdien mag min of meer legaal worden gekloond, mais, groente, maar ook allerlei gedierte. Daarom heten de tegen het einde van de bedoelde roman, dus in de posthumane tijd, steeds dominanter optredende rattenmensen 'Watsoncricks'. In hen is het beste uit beide soorten verenigd. Het rattige leeft in de mens en omgekeerd. Door middel van deze teelt schijnt de wereld te willen genezen.

Maar omdat bij deze verhaallijn een 'Wordt vervolgd...' mogelijk was en de Nobelprijsrede op de laboratoriumrat niet het vrolijke sluitstuk van de roman vormt, kan ik me nu gaan bezighouden met het vertellen als overlevings- en als kunstvorm.

Vanaf het begin is er verteld. Lang voordat het menselijk geslacht zich oefende in het schrijven en langzamerhand alfabetiseerde, vertelde iedereen verhalen. Al gauw waren er mensen die meer en beter vertelden of geloofwaardiger konden liegen. En omdat deze allervroegste vertellers, die niet waren aangewezen op dag- of lamplicht en die ook in het donker goed konden fluisteren, die zelfs uit de duisternis of de schemering extra spanning konden halen, niet bang waren voor stiltes of voor bulderende watervallen, kwamen er veel mensen luisteren, die op hun beurt ook, maar niet zo onuitputtelijk, konden vertellen.

Wat werd er verteld, toen nog niemand kon schrijven, kon opschrijven? Vanaf het allereerste begin, sinds Kaïn en Abel, zal veel gesproken zijn over moord en doodslag. Wraak, vooral de bloedwraak, leverde materiaal op. En al vroeg was volkerenmoord schering en inslag. Maar ook kon verslag worden gedaan van overstromingen en van perioden van droogte, van magere en vette jaren. Men was niet bang voor langdurige opsommingen van bezit aan vee en mensen. Geen vertelling kon, wanneer zij geloofwaardig wilde zijn, zonder lange lijsten geslachten - wie na wie en vóór wie kwam. Net zo genealogisch was de opbouw van heldenverhalen. Om maar te zwijgen over godenlegenden en avontuurlijke scheepsreizen, die al vertellend werden doorgegegeven, gepolijst, aangevuld, gevarieerd, in het tegendeel verkeerd en uiteindelijk door een verteller die Homerus schijnt te hebben geheten of - in het geval van de Bijbel - door een vertellerscollectief opgeschreven. Sindsdien bestaat de literatuur. In China, Perzië, India, op de Peruaanse hoogvlakte en elders, overal waar schrift ontstond, waren het vertellers die als literatoren individueel of als collectief een naam kregen of anoniem bleven.

Behouden gebleven is voor ons, die zo op het schrijven gefixeerd zijn, de herinnering aan de mondelinge oorsprong van de literatuur. Maar mochten we vergeten zijn dat alle vertellen van het eerste begin via de lippen is gekomen, dan zou ons vertellen papierdroog zijn en niet door een vochtige adem gedragen.

Het is daarom goed dat er boeken genoeg zijn die, stil of hardop gelezen, van blijvende waarde zijn. Zij dienden mij tot voorbeeld. Leermeesters als Melville of Döblin, maar ook het Bijbelduits van Luther, zetten mij, toen ik jong was en nog wilde leren, ertoe aan om voor me uit sprekend te schrijven, de inkt te mengen met speeksel.

Met de publicatie van mijn eerste twee romans De blikken trommel en Hondenjaren en de ertussen geschoven novelle Kat en muis leerde ik vroeg, dat boeken aanstoot kunnen geven, woede en haat kunnen vrijmaken. Wat uit liefde aan het eigen land werd toegeschreven, werd als nestbevuiling gelezen. Sindsdien geld ik als omstreden. Daarbij bevind ik mij, wat schrijvers betreft die naar Siberië of elders verwenst worden, in goed gezelschap. Daarover moeten wij dus niet klagen. Wij mogen veeleer de toestand van het permanent omstreden zijn als stimulerend opvatten en ook in overeenstemming met het risco van onze beroepskeuze.

Ik kom uit het land van de boekverbranding. We weten dat de lust om het gehate boek in deze of gene vorm te vernietigen nog steeds of alweer in de tijdgeest past en af en toe een telegenieke uitdrukking en dus toeschouwers vindt. Veel erger echter is het dat de vervolging van schrijvers inclusief de dreiging met en de voltrekking van moord overal ter wereld toeneemt en iedereen aan die aanhoudende terreur gewend is geraakt. Het gedeelte van de wereld dat zich vrij noemt meldt zich wel luidkeels en verontwaardigd wanneer in Nigeria, zoals in 1995 gebeurde, de schrijver Ken Saro-Wiwa, omdat hij de verpesting van zijn land aanklaagt, met zijn medestrijders ter dood wordt veroordeeld en dat oordeel ook wordt voltrokken, maar gaat vervolgens over tot de orde van de dag omdat ecologisch gemotiveerd protest de zaken van de globaal heersende oliegigant Shell zou kunnen verstoren.

Maar wat maakt boeken en daarmee hun schrijvers zo gevaarlijk dat staat en kerk, mediaconcerns en politbureau's zich gedwongen zien tegenmaatregelen te nemen? Zelden zijn het directe vergrijpen tegen de op dat moment heersende ideologie waarop zwijggeboden en nog ergere zaken volgen. Het literaire argument dat de waarheid alleen in het meervoud bestaat - net zoals er niet slechts één werkelijkheid bestaat, maar een groot aantal werkelijkheden - is vaak voldoende: een dergelijke vertellersconclusie wordt als gevaar gezien, als een dodelijk gevaar voor de op dat moment heersende hoeder van de ene en enige waarheid. Ook dat schrijvers - terwijl dat bij hun beroep hoort - het verleden niet met rust kunnen laten, te snel verse littekens openrijten, in verzegelde kelders lijken uitgraven, verboden kamers betreden, heilige koeien opeten of - zoals Jonathan Swift het gedaan heeft - Ierse kinderen als geroosterd vlees aan de voorname Engelse keuken aanraden, dat voor hen dus in het algemeen niets heilig is, zelfs het kapitalisme niet, dat allemaal maakt hen verdacht, strafbaar. Hun zwaarste vergrijp echter blijft dat zij in hun boeken geen gemene zaak willen maken met de respectievelijke overwinnaars in het verloop van de geschiedenis, maar veel liever op de plek zijn waar de verliezers van historische processen langs de lijn staan en veel te vertellen hebben maar niet aan het woord komen. Wie hun een stem geeft, stelt de overwinning ter discussie. Wie zich tussen de verliezers begeeft, is een van hen.

Natuurlijk hebben de machthebbers, gekleed in het ene of het andere tijdkostuum, in het algemeen niets tegen de literatuur. Zij willen er zelfs graag een hebben als kamerdecoratie en zijn bereid haar financieel te steunen. Tegenwoordig moet zij onderhoudend zijn, nuttig voor de pretcultuur, niet alleen het negatieve zien dus, veeleer de mensen in hun nood een lichtpuntje van hoop verschaffen. Eigenlijk was en is, ook al wordt het niet meer zo expliciet geëist als tijdens het communisme, de 'positieve held' geliefd. Die kan vandaag de dag in de onbegrensde jungle van de vrije economie rambo-achtig komen aanzetten en zijn weg naar het succes lachend met lijken plaveien; een losbol die tussen twee schotenwisselingen door graag een vluggertje maakt, een winner die louter losers achter zich laat, kortom een held die positieve geurvlaggen achterlaat op onze geglobaliseerde wereld. En aan die wens naar zulke keiharde en onverwoestbare helden komen ook de altijd beschikbare media tegemoet: James Bond heeft veel Dolly-achtig op hem lijkende kinderen geworpen.

Zou zijn pendant of tegenspeler dus de negatieve held zijn? Niet per se. Ik kom, zoals u lezend hebt gemerkt, uit de Moors-Spaanse school van de picareske roman. Daar is de strijd tegen windmolenwieken een door de eeuwen heen overdraagbaar model gebleven. Dus leeft de picaro van de komische kracht van de mislukking. Zijn humor piest tegen de zuilen van de macht, zaagt aan haar stoel, maar weet tegelijkertijd dat hij de tempel kan laten instorten noch de troon kan laten kiepen. Alleen ziet het verhevene er, zodra mijn picaro voorbijgeslenterd is, tamelijk sjofel uit, en de troon wankelt een beetje. Zijn humor is veroverd op de vertwijfeling. Overal stelt hij spiegels op. Nooit weet je wiens buikspreker hij nu weer is. Vanwege het aantrekkelijke perspectief zijn in de manege van de picaro soms zelfs dwergen en reuzen in de weer. Zo is Rabelais tijdens zijn actieve leven op de vlucht geweest voor de profane politie en de heilige Inquisitie omdat zijn meer dan levensgrote kerels Gargantua en Pantagruel de volgens de scholastische leer geordende wereld op zijn kop hadden gezet. Wat een hels gelach ontketenden die twee! En toen Gargantua met zijn brede achterwerk op de torens van de Notre Dame ging zitten en van daar pissend heel Parijs blank zette, toen lachte het volk, voorzover het niet verdronken was.

Toen Heinrich Böll hier op 2 mei 1973 zijn Nobelprijsrede hield, waarin hij de zo tegenstrijdig lijkende posities rede en poëzie in een steeds nauwer worden omcirkeling met elkaar confronteerde, klaagde hij in de laatste zin van zijn rede over een verzuim door gebrek aan tijd: ,,Ik heb voorbij moeten gaan aan de humor, die ook geen klassenprivilege is en waarvan de poëzie genegeerd wordt, én haar vermogen een schuilplaats van verzet te zijn''.

Nu, Heinrich Böll wist welke achterafplek de nauwelijks nog gelezen Jean Paul in het panopticum van de Duitse grote geesten heeft, en hoezeer Thomas Manns literaire werk in die tijd zowel bij rechts als links onder de verdenking van ironie stond; en ik voeg er aan toe: nu nog steeds.

In het begin van de jaren vijftig, toen ik bewust met schrijven was begonnen, was Heinrich Böll al een bekende, zij het niet erkende auteur. De nog jonge naoorloogse literatuur had het moeilijk met de Duitse taal, die onder de heerschappij van het nationaal-socialisme gecorrumpeerd was. Bovendien vond Bölls generatie, maar ook de jongere schrijvers, waartoe ik mijzelf rekende, een zin van Theodor Adorno als verbodsbord op hun weg. Ik citeer: ,,Na Auschwitz een gedicht schrijven is barbaars, en dat vreet ook aan het besef dat het onmogelijk is geworden vandaag de de dag gedichten te schrijven...''

Dus geen 'Wordt vervolgd...' meer. Maar desondanks bleven we schrijven. Natuurlijk met het inzicht - zoals Adorno in zijn boek Minima Moralia. Reflexionen aus dem beschadigten Leben uit 1951 - dat Auschwitz een keerpunt en een niet herstelbare breuk in de beschavingsgeschiedenis was. Alleen op die manier was het verbodsbord te omzeilen. En toch is de door Adorno geformuleerde waarschuwing tot op de dag van vandaag effectief gebleven.

De auteurs van mijn generatie hadden het er moeilijk mee. Zwijgen wilde en kon niemand, want het ging erom de Duitse taal aan het wankelen te krijgen, haar uit idyllen en blauwzwemige innerlijkheid te lokken. Wij, de geschroeide kinderen, wilden de absolute grootheden, het ideologische zwart of wit, afzweren. Twijfel en scepsis waren onze peter en meter; zij reikten ons hun veelvuldige grijstinten aan als geschenk. Ik althans legde mij die ascese op, om pas daarna de rijkdom van mijn al te globaal veroordeelde taal, haar verleidbare zachtheid, haar tobberige neiging tot diepzinnigheid, haar uiterst buigzame hardheid, ja, haar zachte dialectglans, haar eenvoud en dubbelzinnigheid, haar eigenaardigheden en haar in conjunctieven opbloeiende schoonheid te ontdekken. Met dit herwonnen talent moest worden gewoekerd, ondanks Adorno of vermaand door Adorno's verdict. Alleen zo kon het schrijven na Auschwitz - gedicht of proza - worden voortgezet.

Hoe vaak ook vanuit een of ander belang de punt-erachter werd verlangd, de terugkeer naar de normaliteit werd geëist en het schandelijke verleden als historie moest worden opgeborgen, de literatuur verzette zich tegen deze even begrijpelijke als dwaze wens. Terecht! Want telkens wanneer in Duitsland het Uur Nul werd verkondigd en het einde van de naoorlogse tijd uitgeroepen - de laatste keer tien jaar geleden, toen de Muur was gevallen en de eenheid van Duitsland op papier stond - haalde het verleden ons weer in.

In die tijd, in februari 1990, hield ik in Frankfurt am Main onder de titel 'Schrijven na Auschwitz' een lezing voor studenten. Ik maakte de balans op en legde, boek na boek, rekenschap af. Zo kwam ik bij het in 1972 verschenen Dagboek van een slak. In dit boek staat, omdat mijn zoons naar de definitie van mijn beroep vragen, het antwoord: ,,Een schrijver, kinderen, is iemand die tegen de verstrijkende tijd in schrijft''.

Ik zei tegen de studenten: ,,Een op die manier geaccepteerde schrijfhouding veronderstelt dat de auteur zich niet als boven alles verheven acht of zich in tijdloosheid inkapselt, maar zich als tijdgenoot ziet, liever nog, dat hij zich blootstelt aan de wisselvalligheden van de verstrijkende tijd, dat hij zich in discussies mengt en partij kiest. De gevaren van een dergelijke inmenging en van partijkiezen zijn bekend: de bij een schrijver horende distantie dreigt verloren te gaan; zijn taal is geneigd van de hand in de mond te leven; de benauwdheid van de op dat moment heersende verhoudingen kan ook hem en zijn op vrijloop getrainde fantasie beperken, hij loopt het gevaar buiten adem te raken.''

Het risico dat toen werd geformuleerd is mij door de decennia heen trouw gebleven. Maar wat zou het beroep van schrijver zijn zonder risico? Oké, hij zou als een literatuurambtenaar een verborgen leven kunnen leiden. Maar tegenover het heden zou hij een gevangene van zijn eigen contactangst zijn. Bang om zijn distantie te verliezen zou hij verdwalen in de verste verten, waar nog slechts de mythen flakkeren en het verhevene zichzelf bewierookt. Nee, het voortdurend verleden wordende heden zal hem inhalen en aan de tand gaan voelen. Want elke schrijver is in zijn eigen tijd geboren, al bezweert hij nog zo nadrukkelijk dat hij te vroeg of te laat is gekomen. Niet hij bedenkt eigenmachtig zijn thema, het is veeleer van tevoren bepaald. Ik althans heb niet vrij kunnen kiezen.

Iets verzette zich daartegen. Uit het onheilszwangere Duitse verleden lagen er puin- en kadaverhopen. Bovendien kom ik uit een vluchtelingenfamilie. Daarom is bij alles wat een schrijver van boek tot boek drijft de gewisheid van het onherroepelijke verlies van het land van herkomst een aansporende kracht gebleken. Al vertellend moest de verwoeste, verloren stad Danzig, nee, niet worden heroverd, maar bezworen: in al zijn grootheid en deerniswekkende kleingeestigheid, met zijn kerken en begraafplaatsen, met de geluiden van de scheepswerven en de reuk van de mat klotsende Oostzee, met een allang weggeëbde taal, dat stalwarme gemor, met zonden die rijp waren voor de biecht en met gedulde en onverhulde misdaden, waarvoor geen biecht de gewenste absolutie kon geven.

Net zoals de Nobelprijs, zodra we hem van alle feestelijkheid ontdoen, zijn oorsprong heeft in de ontdekking van het dynamiet, dat net als andere menselijke kopgeboorten - of het nu de atoomsplitsing of de eveneens genobeleerde indeling van de genen is - het wel en het wee op de wereld heeft gezet, zo bewijst de literatuur van haar kant explosieve kracht.

Hoe lang heeft het proces van de Europese Verlichting van Montaigne via Voltaire, Diderot, Kant, Lessing en Lichtenberg niet nodig gehad om het pitje van de rede in de meest donkere hoeken van scholastische verduistering te krijgen. Vaak genoeg werd het lampje gedoofd. Censuur vertraagde de illuminatie door de rede. Maar toen zij zich in volle helderheid had geïnstalleerd, was het een verkilde, tot het technisch haalbare gereduceerde, alleen de economische en sociale vooruitgang dienende rede, die zichzelf als Verlichting voordeed en haar van begin af aan gebrouilleerde kinderen, het kapitalisme en het socialisme, een soort redelijk lijkend jargon had ingeprent, en de respectievelijke en tot elke prijs juiste weg naar de vooruitgang.

Vandaag de dag zien we wat de geniaal mislukte kinderen van de Verlichting hebben bereikt. Wij kunnen overzien in welke gevaarlijk hellende situatie de door woorden veroorzaakte en vertraagd effectieve explosie ons heeft geslingerd. Zeker, wij proberen met de middelen van de Verlichting - want wij hebben geen andere - de schade te repareren. Met ontzetting zien wij dat het kapitalisme, sinds zijn broer, het socialisme, dood werd verklaard, door grootheidswaanzin wordt gedreven en begonnen is zich ongebreideld uit te leven. Het herhaalt de fouten van zijn doodverklaarde broer door zichzelf te dogmatiseren, door de vrije markteconomie tot enige waarheid te verklaren, door in de roes van zijn haast onbegrensde mogelijkheden te verkeren en zich als een dwaas te gedragen, dat wil zeggen wereldwijd maar raak te fuseren, alleen maar om de winst te maximaliseren. Geen wonder dat het kapitalisme, net als het in zichzelf gestikte communisme, niet in staat blijkt zichzelf te hervormen. Globalisering is zijn dictaat. En opnieuw wordt met de verwaandheid van de onfeilbaarheid beweerd dat daarvoor geen alternatief bestaat.

En zo is het verhaal afgelopen. Geen gespannen wachten op een 'Wordt vervolgd...' Of mogen we hopen dat, in plaats van de politiek, die toch al elke beslissingsmacht heeft overgelaten aan de economie, de literatuur iets te binnen schiet dat het nieuwe dogmatisme aan het wankelen brengt?

Maar hoe zou een dergelijk subversief vertellen zich kunnen bewijzen als dynamiet met literaire kwaliteit? Zou er genoeg tijd zijn om de uitwerking van een vertraagde ontsteking af te wachten? Is er een boek te bedenken waarin de toekomst de ruimte krijgt? Is het nu niet eerder zo dat de literatuur op non-actief is gesteld en de jonge schrijvers op zijn hoogst het internet als speelweide krijgen toegewezen? Nijvere stilstand, waaraan het bedrieglijke woord 'communicatie' een zeker aura verleent, maakt opgang. Elke voorraad aan tijd is tot de godsmogelijke catastrofe volgepland. Een cultureel tranendal heeft de westerse wereld in zijn ban. Wat valt daaraan te doen?

In mijn goddeloosheid rest mij alleen mijn knie te buigen voor de heilige die tot nu toe altijd behulpzaam was en die de zwaarste brokstukken aan het rollen heeft gebracht. Dus smeek ik: heilige, bij de gratie van Camus genobeleerde Sisyphus, zorg er alsjeblieft voor dat de steen niet boven blijft liggen, dat we hem mogen blijven voortrollen, dat wij net als jij gelukkig kunnen zijn met onze steen en dat de vertelde geschiedenis van onze moeizame existentie geen einde kent.

Zou mijn verzuchting worden verhoord? Of zou, zoals de jongste geruchten willen, pas de geteelde mens als gekloond schepsel voor de voortzetting van de menselijke geschiedenis kunnen zorgen?

Zo ben ik weer bij het begin van mijn rede en sla nog eens de roman De rattin open, waar in het vijfde hoofdstuk de uitreiking van de Nobelprijs aan de laboratoriumrat, uit naam van miljoenen andere proefdieren in dienst van de onderzoekende wetenschap, wordt overwogen. En meteen wordt me duidelijk hoe weinig tot nu toe alle bekroonde verdiensten in staat waren dé gesel van de mensheid, de honger, uit de wereld te bannen. Het is wel mogelijk om iedereen die het kan betalen nieuwe nieren te geven. Harten kunnen worden getransplanteerd. Wij telefoneren draadloos de wereld rond. Satellieten en ruimtestations omcirkelen ons zorgzaam. Er zijn ten gevolge van hooggeprezen onderzoeksresultaten, wapensystemen bedacht en gerealiseerd waarmee hun eigenaren zich veelvuldig kunnen doodbeschermen. Alles wat uit het hoofd van de mens komt heeft zijn verbazingwekkende neerslag gevonden. Alleen op de honger krijgen wij geen vat. Hij neemt zelfs toe. Waar ooit overgeërfde armoede heerste, slaat zij om in verpaupering. Wereldwijd zijn er vluchtelingenstromen onderweg; honger begeleidt hen. En geen politieke wil, gepaard gaand met wetenschappelijke kennis, heeft zich voorgenomen een eind te maken aan die woekerende ellende.

In 1973, toen in Chili, gesteund door de actieve welwillendheid van de Verenigde Staten, de terreur toesloeg, hield Willy Brandt als eerste Duitse bondskanselier zijn inaugurale rede voor de Verenigde Naties. Hij bracht de wereldwijde verpaupering ter sprake. Zijn uitroep: 'Ook honger is oorlog!' was zo overtuigend dat hij onverwijld door applaus werd gevloerd.

Ik was erbij toen die rede werd gehouden. In die tijd schreef ik aan mijn roman De bot, waarin het over de primaire basis van de menselijke existentie ging, over het eten, over gebrek en overvloed dus, om grote vreters en ontelbare hongerlijders, over de fijnproeverij en over de broodkorsten van de tafel der rijken.

Dit thema is er nog steeds. De zich ophopende rijkdom antwoordt op de armoede met toegenomen groeipercentages. Het rijke noorden en westen kunnen zich nog zo op veiligheid belust afschermen en zich als vesting tegen het arme zuiden willen handhaven, de vluchtelingenstromen zullen er desondanks komen, tegen de aandrang van de hongerenden zal geen grendel stand houden.

Daarover moet in de toekomst worden verteld. Ten slotte moet ons aller roman worden voortgezet. En zelfs wanneer op een dag niet meer geschreven en gedrukt zal of mag worden, wanneer boeken als middel tot overleven niet meer te krijgen zijn, zullen er vertellers zijn die ons van mond tot oor beademen door oude verhalen opnieuw tot draden te spinnen: luid en zacht, hijgend en vertraagd, soms het lachen nader, soms het huilen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden