WORDT DE WERELD VREEDZAMER?

Ik ben zeer vreedzaam gestemd. Wat ik me wens is: een bescheiden hutje, een strodak, maar een goed bed, goed eten, melk en boter, heel vers, bloemen voor het raam, voor de deur enkele mooie bomen, en als de Lieve Heer me helemaal gelukkig wil maken, laat hij mij de vreugde smaken dat aan deze bomen zes of zeven vijanden van mij worden opgehangen. Met een geroerd gemoed zal ik hun vóór hun dood alle onrecht vergeven dat ze mij in het leven hebben aangedaan - ja, men moet zijn vijanden vergeven, maar niet eerder dan wanneer ze de strop krijgen. Heinrich Heine Uit onze Westerse samenleving is de angel van het religieuze collectieve geweld getrokken. Maar wordt een samenleving die het voortaan zonder religie wil stellen, minder agressief en gewelddadig? Pacificeert de toegenomen secularisatie de zeden? De schrijver Milan Kundera meent van wel. De wereld ondergaat een vermageringskuur, de dingen verliezen hun zin en worden licht en frivool. “In zo'n gewichtloos klimaat verdwijnt elk fanatisme. Oorlog wordt onmogelijk. (...) Kun je je voorstellen dat de Franse jeugd enthousiast voor haar vaderland strijdt? Oorlog is in Europa ondenkbaar geworden. Niet politiek ondenkbaar, maar antropologisch. Europeanen kunnen geen oorlog meer voeren.” De theoloog Frits de Lange noemt dit de helft van de waarheid. De Middeleeuwen waren het tijdvak van moord en doodslag, onze eeuw de eeuw van de volkerenmoord: de eeuw van Auschwitz, Hiroshima en van ethnic cleansing: “De moderne tijd heeft van ons misschien geen wredere mensen gemaakt. Zij vond echter wel cleane technieken uit om ook niet-wrede mensen zeer wrede dingen te laten doen. het bloed kookt minder, maar het vloeit meer.”

Een artikel uit de krant over hedendaags religieus geweld (NRC Handelsblad, 12 oktober 1995). De correspondent, Koert Lindijer, verhaalt van de godsdiensttwist die Nigeria in tweeën splitst. In het noorden domineren de moslims, in het zuiden de christenen. Maar aanzienlijke minderheden wonen in elkaars woongebied. Het artikel is een verslag van door angst gevoede haat, bloedbaden, wraakacties en wederzijdse beeldvorming die kant noch wal raakt. 'Bij de rellen worden vooral moslims gedood' vertelt Ibrahim, een moslim in Kano, 'want de christenen hebben wapens en wij niet.' De anglicaanse bisschop van Kano, Benjamin Omoseli, verweert zich. 'Wij christenen worden aangevallen en gediscrimineerd. Ik heb in mijn kerk de gemeente aangeraden om zich te bewapenen om zich te kunnen verdedigen.'

Een verhaal over godsdienstig geweld, zoals er vele zijn. Ik had ook de fatwa van Khomeini over Salman Rushdie kunnen noemen, de moord op de Algerijnse intelligentsia door de moslimfundamentalisten, de bom onder het World Trade Center te New York, het zenuwgas Sarin in de metrogangen van Tokio, het machinegeweer van een Amerikaanse dominee voor een abortuskliniek of van de joodse arts Baruch Goldman in een moskee in Hebron, de bakstenen van de menigte hindoes voor de moslims in Ayodhya, de pistoolschoten van de joodse extremist Jigal Amir, die de Israëlische premier Jitzak Rabin op 4 november velden. Christenen, joden, hindoes, moslims - het maakt niet uit of het geweld een beroep op God, Allah, JHWH of Rama wordt gemotiveerd en gesanctioneerd. De kruistochtmentaliteit is nog steeds een reden tot wreedheid. Tussen het 'Deus vult! Deus vult!' van paus Urbanus II in 1095 in Clermont, toen hij opriep tot de kruistocht en het 'Ik handel in opdracht van God' van de moorderaar van Rabin in 1995 lijkt er geen verschil, ondanks de negenhonderd jaar die beide van elkaar scheidt.

Is een samenleving minder gewelddadig zonder religie? Pacificeert de toegenomen secularisatie de zeden? De verhalen over gelovig geweld komen uit Algiers, Ayodhya of Kano, maar niet meer uit Amsterdam of Clermont. Is dat toevallig? Brengt de terugdringing van de publieke rol van de religie in onze westerse samenleving het einde van de kruistochtmentaliteit met zich mee?

De anglicaanse bisschop van Kano zoekt naar redenen voor het religieuze geweld dat zijn land teistert. “Afrikanen zijn in alle aspecten van hun leven religieus. Daarom mogen wij onze religie niet vrij belijden in het noorden. Zo wordt ons hier het recht op een bestaan ontzegd.” Is het leven in het Westen relatief vreedzamer, omdat het niet meer 'in alle aspecten religieus' wil zijn, maar hoogstens nog in de privé-sfeer?

De moderniteit heeft ons een redelijk gepacificeerde samenleving opgeleverd, waaruit de angel van het religieuze collectieve geweld is getrokken. Voor de motivering en sanctionering van agressie kan men zich steeds minder collectief op transcendente waarden en waarheden beroepen. Maar wordt een samenleving die het voortaan zonder religie wil stellen, minder agressief en gewelddadig?

HET KORTE EN WREDE LEVEN

De veranderende rol van de religie in de Westerse samenleving kan niet los worden gezien van het moderniseringsproces waarin het Westen zich sinds de Middeleeuwen bevindt. Norbert Elias heeft deze modernisering omschreven als een proces van civilisatie.

De basisidee die aan zijn analyse ten grondslag ligt, kan nog steeds als uitgangspunt dienen. Elias beschrijft de cultuur van de Middeleeuwen als een hoogst gewelddadige. Men was in deze door angst en agressie beheerste wereld zijn leven geen moment zeker. Er werd geroofd, geplunderd en gemoord op mensen en op dieren dat het een lieve lust was. En het was voor velen - de machtigen en de sterken met name - ook een lieve lust. Elias citeert een krijgshymne die aan de minnezanger Bertran de Born wordt toegeschreven: 'Ik zeg je, dat ik nooit zoveel zin om te eten, te drinken en te slapen heb als wanneer ik van twee kanten hoor roepen: 'Aanvallen!'; als ik de paarden hoor hinniken die hun berijders verloren hebben, het hulpgeroep van de gevallenen, als ik de doden met opengereten lichamen zie.'

Niet alleen het leven van de krijgers en ridders, ook dat van de burgers werd door fysiek geweld beheerst. Wie daar niet tegen kon moest maar het klooster in. Het geweld van de kruistochten vormde in dit verband geen uitzondering, maar paste in het zedelijk patroon. De Middeleeuwers beleden de religie die hun gewelddadige cultuur verdiende. Bijzonder eraan was niet zozeer de wreedheid die werd beoefend, maar hoogstens de export ervan naar het Heilige Land. Niet zozeer de opgetogenheid van Raymond van Aguilers - de chroniqueur van de inname van Jeruzalem op 15 juli 1099 - verbaast, als hij vermeldt dat het bloed zo rijkelijk vloeit dat het 'tot aan de knieën en de teugels der paarden reikt', hoogstens dat het nu midden in Jeruzalem, in Salomo's tempel, de navel van de wereld, gebeurt. Middeleeuws leven is als het bange bestaan dat Thomas Hobbes in zijn Leviathan (1651) schetst voor mensen in de natuurtoestand: 'Een voortdurende angst voor, en gevaar van, een gewelddadige dood. En het leven de mens: eenzaam, arm, weerzinwekkend, beestachtig en kort.'

Hoe heeft het ooit kunnen veranderen? Elias wijst op een ingrijpende herstructurering van het gemoed in de late middeleeuwen. Vooral de centralisering van de politieke macht, eerst aan het hof en later in de absolutistische staat, vereiste dat men terughoudend werd met passies en impulsen in het algemeen en met fysiek geweld in het bijzonder. Alleen het geweld van de centrale overheid mag legitiem worden ingezet als juridisch, politioneel en politiek middel. De staat krijgt het monopolie op geweld. De relatieve politieke stabiliteit die daardoor intreedt, maakt een voortgaande differentiatie van de samenleving mogelijk. De wijdvertakte handels- en productienetwerken die zich in het opkomende kapitalisme vormen, maken steeds meer mensen afhankelijk van elkaar. Leven bij de impuls van het moment is er niet meer bij. De enkeling moet constant rekening houden met anderen die rekening moeten houden met hem. De dwang die vroeger door intimidatie en geweld van buiten werd uitgeoefend (Fremdzwang) wordt nu verinnerlijkt tot zelfdwang. Niemand heeft nog belang bij impulsieve conflicten.

Wat betekent dit voor de rol van het geweld in de samenleving? Door deze centralisering en stabilisering van de maatschappelijke krachtsverhoudingen ontstaan er in de samenleving geweldsvrije ruimtes. De cultuur pacificeert. De gevoelens worden beheerst en zoveel mogelijk gekanaliseerd. De agressie (als psychische aandrift) blijft, maar zij wordt gesublimeerd, afgedempt of verinnerlijkt.

Wie vroeger uitdaagde tot een duel gaat nu kijken naar een bokswedstrijd. (Zolang deze sport nog niet verboden wordt; een kwestie van tijd.) De kick die men in de Middeleeuwen kreeg van de massale kattenverbrandingen, doet men nu op bij de teckelrace van de kunstenaar David Hockney. Het geprefereerde orgaan voor agressie is niet meer de vuist, maar het oog: kijken alleen al, 'blosse Augenlust' (Elias) bevredigt, zelf doen hoeft niet per se meer. De sublimering van het geweld in films en op tv is - hoe schaamteloos ook - vanuit deze optiek een teken van beschaving: zolang er gekeken wordt, wordt er niet gemoord.

In een moderne samenleving is oorlog voetbal geworden. Alleen als metafoor wordt het woord 'kruistocht' nog gebruikt, als men een volksvijand no. 1 de oorlog wil verklaren, zoals drugs of kanker.

Er is en blijft natuurlijk geweld. En wie weet wel meer dan ooit. Maar er is wel iets veranderd: de civilisatietheorie constateert dat een groot deel van het 'gewone' geweld, voorzover het niet door de staat gesanctioneerd is, illegitiem verklaard is. Ook al gebeurt het, het mag eigenlijk niet. Er rust een negatieve sanctie op, als het geen celstraf is, dan toch minstens een ingezonden stuk in de krant. Het legitieme geweld is in een staatsmonopolie gecentraliseerd. Het geweld van justitie, politie en leger is een zaak van koele berekening geworden, waarbij de agressieve impuls wordt onderdrukt of soms helemaal geen rol speelt. De enige vraag die telt is: staat het middel in verhouding tot het te bereiken doel?

Moderne oorlogen zijn dan ook geen gepassioneerde oprispingen meer van haat en woede, maar worden beschouwd als de voortzetting van de nationale politiek met andere middelen (Von Clausewitz). Een gemechaniseerd high tech-gebeuren, dat het vroegere man-tegen-man-gevecht heeft afgelost. Het moderne geweld is geïndustrialiseerd en gerationaliseerd; het is koelbloedig geworden. De morele gevoelens van angst, haat, wraakzucht of medelijden, die een persoonlijke en directe confrontatie met geweld doorgaans oproept, spelen bij zo'n abstracte geweldsuitoefening geen rol meer.

DE VERZACHTE ZEDEN

Hoewel er geen reden is voor optimisme, kan men Elias niet het gelijk ontzeggen in zijn stelling dat het moderniseringsproces een verzachtende werking op de zeden heeft. Het maakt de mensen weliswaar niet beter, in de zin van: minder agressief dan ze 'van nature' zijn. Wanneer we agressie opvatten als een psychische impuls en geweld als het gedrag waarbij aan anderen fysieke schade wordt toegebracht, kunnen we stellen dat onze cultuur zo is georganiseerd dat de agressie aanzienlijk minder kans heeft om ongeremd te ontsporen in geweld dan in de Middeleeuwen.

Dat geldt ook voor de religieus gevoede agressie. Hedendaagse fundamentalisten hebben zich weliswaar weer de kruistochtmentaliteit eigen gemaakt, zonder sublimerende metaforiek, maar toch krijgt deze nieuwe kruistochtmentaliteit weinig kans zich breed te ontwikkelen. De acties die vliegtuigkapers, gijzelnemers of zelfmoordcommando's in naam van God ondernemen, zouden zonder de wereldwijde echo van de - Westerse - media onbetekenende incidenten blijven.

Religieus geweld is gemarginaliseerd, ook al slaagt het erin de metro van Tokio te vergiftigen en bommen te plaatsen in die van Parijs. Het tracht de moderne wereld wel in het hart te treffen, maar is en blijft daar een tijdelijke indringer.

We hoeven om dat te constateren niet bij het werk van Elias te blijven staan. Met dat ene woord modernisering kan men wijzen op een aantal met elkaar samenhangende ontwikkelingen in onze cultuur, die haaks staan op de kenmerkende trekken van collectief religieus geweld die met elkaar de kruistochtmentaliteit vormen. Door secularisering, individualisering, en pluralisering nemen de kansen op dat soort geweld af.

SECULARISERING

Kruisvaarders wisten zich, zoals alle bedrijvers van religieus geweld, opgenomen in een missie die hun eigen levensdoelen oversteeg. Zij onderschikten zich aan een summum bonum groter dan zichzelf.

Onze cultuur is echter primair gericht op binnenwereldlijke waarden als zelfontplooiing en persoonlijk geluk. Men leeft niet meer voor de hemel, maar voor zichzelf. Men wantrouwt bovendien het collectieve nastreven van waarden. Religie mag nog best, maar dan wel als privézaak en op vrijwillige basis. Kerk en staat moeten strikt worden gescheiden. Religieuze politiek is uit den boze. Secularisering is een paraplu-woord voor de hele verzameling van processen, die hiertoe hebben geleid. Zij zijn zo complex, dat zij geen mono-causale verklaringen toelaten.

Het kan echter in dit verband geen kwaad in herinnering te roepen dat de beslissende stoot voor de ontreligiosering van de Westerse politiek gegeven is door de kater die de 16e en 17e eeuwse godsdienstoorlogen in Europa achter lieten. Christenen hebben toen huns ondanks moeten leren wat religieuze tolerantie is van humanisten en liberalen. Dat religie een privé-zaak is geworden, is zo gezien een regelrechte uitloper van de desastreuze gevolgen van de kruistochtenmentaliteit. Religieuze scepticisten als Erasmus, Castellio, Bodin en Coornhert bleken over een hogere moraal te beschikken dan vele christenen.

Zou men ook in het algemeen kunnen zeggen dat sceptici gevoeliger zijn voor geweld dan dogmatisch gelovigen? Het lijkt erop. Wie een ideologie aanhangt, zoekt al gauw een rationaliserende uitvlucht, een rechtvaardiging of compensatie voor de wreedheid waarmee hij wordt geconfronteerd. Een 'later' of een 'eerder' moet dan vaak het wrede 'nu' verzachten. Is het toeval dat het juist de scepticus Montaigne is geweest die in de zo bloedige 16e eeuw de wreedheid 'de ergste van alle ondeugden' noemt? In zijn Essais erkent hij, dat hij het niet kan aanzien dat een kip de nek wordt omgedraaid. En als hij hoort hoe een haas tussen de tanden van zijn honden gilt, vergaat hem het plezier van de jacht. 'Zelfs de executies door de justitie, hoe verstandig ook, kan ik niet met vaste blik aanschouwen.'

Is Montaigne een softie? Bepaald niet. Maar wat hem onderscheidt van de meeste van zijn cultuurgenoten is dat hij blijkbaar geen ideologisch verweer paraat heeft om wreedheid in een zingevend kader te plaatsen. Hij kan er niet onverschillig voor blijven. Is er misschien geloof nodig als ondersteuning voor de moraal? Het kan zijn. Maar religie staat moraal ook vaak in de weg. De theodicee loopt immers het gevaar het lijden te vergoelijken door er een zin aan te verlenen. En zo kan men met Emmanuel Levinas instemmen: 'Het goed praten van het pijn-lijden van de naaste is stellig de bron van alle immoraliteit.' Als dit geen pleidooi voor een afscheid van de religie is - en dat is het bij Levinas zeker niet - dan toch een pleidooi voor een 'geloof zonder theodicee', een religie die zich niet tot een gesloten wereldbeschouwing verdicht.

INDIVIDUALISERING

Een eerste kenmerk van de kruistochtmentaliteit is dat kruisvaarders zich opgenomen weten in een grote gemeenschap van gelovigen, die het belang van de eigen individualiteit overstijgt. Dit weten leidt ertoe dat men zich zelfs terwille van het algemene heil wil opofferen. Het martelaarschap van de enkeling is in dit gemeenschapsgevoel geworteld.

De moderne cultuur daarentegen is berekenend geworden, ook in haar sociale ordening. De nestgeur van de Gemeinschaft is vervangen door het contract van de Gesellschaft, waarbij de ene mens in principe niet meer waard is dan de ander. Het individualisme van de homo aequalis lost het holisme van de homo hierarchicus af. Aan het individu komt nu het primaat toe, zowel ontologisch als moreel.

Het individualiseringsproces maakt de enkeling tot centrum en knooppunt van sociale betrekkingen. Het morele zwaartepunt ligt niet meer bij de tradities en gemeenschappen waarvan hij deel uitmaakt, maar bij de eigen autonomie. Mensen worden daardoor niet minder sociaal - dat is een hardnekkig misverstand onder communitaristen - maar wel anders. Gelijkheid wordt een primaire waarde.

De doorwerking van dit gelijkheidsprincipe heeft een belangrijk maatschappelijk effect. De aristocraat Alexis de Toqueville legde reeds in de vorige eeuw op grond van zijn waarnemingen in de Verenigde Staten een verband tussen het democratische gelijkheidsbeginsel en de verzachting van de zeden. Als contrast met het relatief vreedzame Amerika van 1830 citeert hij een brief uit 1675 van Mme de Sévigné, waarin deze zonder blikken of blozen aan haar dochter verslag doet van de harde manier waarop de opstand werd neergeslagen, die na een belastingverhoging onder het volk uitbrak. 'Ze hebben zestig burgers vastgenomen en beginnen morgen met ophangen,' meldt ze instemmend aan haar dochter. En in een volgende brief moet het haar van het hart dat 'de ophangerij voor mij een verademing is'.

Is Mme de Sévigné een egoïstisch en barbaars schepsel? Neen, zegt De Tocqueville, daarvoor hield ze te zeer van haar kinderen en leed ze te veel onder het verdriet van haar naaste verwanten. Vanwaar dan wel deze morele ongevoeligheid? Zij wordt veroorzaakt door het feit, aldus De Toqueville, dat zij niet goed wist wat lijden betekende voor mensen die niet van adel waren. Niet dat wij vandaag moreel zoveel gevoeliger geworden zijn dan Mme de Sévigné, noteert hij dan - zo'n 150 jaar later en een paar democratische revoluties verder -, maar wij kunnen ons gemakkelijker verplaatsen in meer mensen. Dat komt door het gelijkheidbeginsel. “Als alle mensen een beetje dezelfde manier van denken en voelen hebben, dan kunnen we in een oogwenk de gevoelens van een ander beoordelen.”

Door onze verbeeldingskracht kunnen we ons zelfs in het lijden van vreemdelingen en vijanden verplaatsen. Naarmate de maatschappelijke verhoudingen egaliseren, concludeert De Tocqueville, les moeurs s'adoucissent, verzachten de zeden. Het gelijkheidsbeginsel maakt de wederkerigheid in de ethiek mogelijk. Wat jou overkomt, kan ook mij overkomen.

De individualisering maakt het moeilijker om de wereld in termen van vriend en vijand, in-group en out-group, mens en onmens in te delen. Elke vreemdeling die ons pad kruist, is een potentiële gelijke, met wiens gelijkheid we echter nog geen kennis hebben gemaakt. Hij is noch vriend, noch vijand, maar een passant, die wij met 'burgerlijke onoplettendheid' (E. Goffman) aan ons voorbij zien gaan. De vreemdeling is niet bij voorbaat representant van een clan, een andere wereld, een geloof, maar vertegenwoordigt primair zichzelf.

Men kan zich vandaag terecht beklagen over de atomisering van de samenleving, waarbij mensen zich tot elkaar lijken te verhouden als stalen knikkers in een flipperkast.

Vrijheid en gelijkheid verdragen zich blijkbaar slecht met de broederschap. Ze hebben een de-solidariserende werking, tegelijk hebben ze echter ook een weldadige de-sacrificiëring tot gevolg. Zij werpen zand in de motor van het zondebokmechanisme, waarbij allen zich spontaan aaneensluiten tegen één, ten einde de onderlinge orde en vrede te herstellen.

Dit mechanisme is als geen ander door René Girard beschreven en geanalyseerd. In zijn visie is er een verband tussen geweld, het zoeken van zondebokken en religie. Dank zij deze drie kan het wankele gebouw van de cultuur overeind worden gehouden. De roes van de collectieve moord bevrijdt van de onderlinge rivaliteit in een samenleving en schept een zekere orde; het kanaliseren van het geweld van allen tegen één voorkomt de oorlog van allen tegen allen.

Een geïndividualiseerde samenleving ziet af van de roes van het offer als middel voor het herstel en de handhaving van de maatschappelijk orde. Zij probeert op tweeërlei wijze de vrede te bewaren. In de eerste plaats bemoeilijkt zij het aaneensluiten van de individuen tot groep of massa met een collectieve identiteit. Wat mensen met elkaar verbindt is de gelijkheid, maar wat hen van elkaar scheidt is de individuele vrijheid. De gelijkheid maakt dat mensen zich makkelijk met elkaar kunnen identificeren; de vrijheid dat zij zich minder voor elkaar zullen interesseren.

In de tweede plaats slaagt een geïndividualiseerde cultuur er nog maar moeilijk in om het slachtoffer, waarop de woede van de massa zich richt, te demoniseren of - zo luidt de these van Girard - te vergoddelijken. Ook al rollen er nog steeds koppen in politiek en bedrijfsleven, de zondebok is geen sacraal wezen, maar een mens als wij, een gelijke onder zijn gelijken. De ideologische of religieuze nevel, die de onschuld van het slachtoffer en de onrechtmatigheid van zijn verkettering moet versluieren, trekt op. Niets rechtvaardigt meer de ontologische kloof die de kinderen van het Licht van 'het kind van Satan, kind des Verderfs, kind des Doods' - zo werd Mohammed aangeduid in een pauselijke bul uit 1453 - afzondert.

De vraag blijft ondertussen hoe een geïndividualiseerde samenleving dan wel de agressie binnen de perken houdt. Dat blijkt een moeilijke en moeizame zaak.

Een gepacificeerde samenleving vraagt allereerst om een strenge sociale controle, waarbij de overheid met legitiem geweld kan optreden. Dat uiterlijke middel moet pas worden aangewend als het innerlijke faalt: de hoge morele druk, die onze cultuur op haar leden uitoefent, door solidariteit en naastenliefde tot gebod te verheffen. Het offer van anderen kan vaak alleen worden voorkomen door zichzelf ten behoeve van de lieve vrede als offer aan te bieden. 'Heb je naaste lief als jezelf', 'Heb je vijanden lief' - de christelijke moraal die het Westen daarin nog steeds voedt, roept ons daartoe op, en niet alleen de christenen. Zij hangt de ruif van de ethiek heel hoog. Wellicht te hoog? De gangbare moraal gaat meestal niet boven die van Heinrich Heine uit, al staan wij elkaar niet toe het hardop te zeggen:

Ich habe die friedlichste Gesinnung. Meine Wünsche sind: ein bescheidene Hütte, ein Strohdach, aber ein gutes Bett, gutes Essen, Milch und Butter, sehr frisch, vor dem Fenster Blumen, vor der Tür einige schöne Büume, und wenn der liebe Gott mich ganz glücklich machen will, lasst er mich die Freude erleben, dass ab diesen Büumen etwa sechs bis sieben meiner Feinde aufgehüngt werden. Mit gerührten Herzen werde ich ihnen vor ihrem Tode all Unbill verzeihen, die sich mir im Leben zugefügt - ja man muss seinen Feinden verzeihen, aber nicht früher, als bis sie gehenkt werden.

PLURALISERING

De kruistochtmentaliteit wordt gevoed door de onwrikbare overtuiging van de eigen superioriteit. De wereld wordt opgedeeld in goeden en slechten, of ze nu ha am en ha gojim, daar al islaam ('gebied van de islam') en daar al-harb ('gebied van de oorlog'), kinderen van het licht en kinderen van de duisternis worden genoemd.

Deze tweedeling in een absolute waarheid en leugen kan zich in onze cultuur niet langer handhaven - behalve als marginale en pathologische afwijking. De moderne cultuur heeft een relativerend effect op het nastreven van welomlijnde waarden en idealen.

In een traditionele samenleving worden waarden belichaamd in concrete, specifieke instituties. De liefde en trouw in het huwelijk, de veiligheid in het leger, God in de kerk. In onze tijd worden instituties alleen nog gelegitimeerd door hun effectiviteit en efficiëntie. Waarden zijn niet langer concreet en specifiek, maar worden abstract, vaag en algemeen. Liefde, trouw, veiligheid en geloof - zij zijn voortaan overal en nergens te vinden. Ze worden daarmee voor iedereen toegankelijk. Dat is winst.

Maar ze worden tegelijk ook vrijblijvender. Voor het zichtbare instituut kerk of huwelijk kan men wel op de bres springen, maar voor de liefde of het geloof in het algemeen veel minder. Voor vage, algemene waarden en normen brengen mensen ook geen offers. 'Modernisering', aldus A. C. Zijderveld, 'is daarom niet alleen een proces van generalisering van waarden, normen en betekenissen, doch tegelijkertijd ook een proces waarin morele vrijblijvendheid troef wordt.'

Moderne mensen geloven alles maar 'een beetje' en 'even'. 'Het is ook maar een mening', horen we hen bijna verontschuldigend zeggen, ook als het hun diepste overtuiging betreft. Het gevaar van apathie en morele onverschilligheid dreigt. Maar wie vanuit het gezichtspunt van het geweld kijkt, kan Zijderveld alleen maar onderschrijven, als hij constateert 'dat de vermelde vrijblijvendheid een enorme rem betekent op dogmatisme en fanatisme, die vorige eeuwen veel bloed en tranen hebben geëist'.

De pluralisering van waarden zorgt ervoor dat allerlei symboolwerelden, die vroeger in het dichotomistische universum van God en Duivel, Goed en Kwaad streng uiteen werden gehouden, door elkaar lopen. Die vervaging maakt ons onzeker en verflauwt in ons de vechtlust en de zendingsdrang. Het relativisme verdooft de passies, maar het pacificeert ze ook.

Dat in onze babbelcultuur het respect voor het grootse, tragische gebaar het moet afleggen tegen de platte frivoliteit van de dagelijkse reclame, vindt Paul uit de roman Onsterfelijkheid van Milan Kundera dan ook niet zo erg:

“Frivoliteit is een radicale vermageringskuur. De dingen zullen voor negentig procent hun zin verliezen en licht worden. In zo'n gewichtloos klimaat verdwijnt elk fanatisme. Oorlog wordt onmogelijk. (...) Kun je je voorstellen dat de Franse jeugd enthousiast voor haar vaderland strijdt? Oorlog is in Europa ondenkbaar geworden, Beer. Niet politiek ondenkbaar, maar antropologisch. Europeanen kunnen geen oorlog meer voeren.”

MODERN GEWELD

Is de civilisatie-these te optimistisch? Zij oogt als een mooie full colour-advertentie voor de geneeskracht van het moderne Westen, maar wie kennismaakt met het produkt ervaart vervolgens ook zijn bijwerkingen. Misschien verhaalt zij slechts de helft van de waarheid.

Met Sigmund Freud kan men zich afvragen of cultuur niet veel meer met geweld verstrengeld is dan Elias voor waar wilde hebben. Verbergt er zich in de gepassioneerde Angriffslust van de Middeleeuwer, nu dan gekalmeerd in de moderne westerling, behalve vitale levensdrift ook niet een onuitroeibaar verlangen naar dood en destructie?

In Das Unbehagen in der Kultur (1930) schrijft Freud dat hij het menselijke gedrag aanvankelijk uit de Eros en de libido alleen dacht te kunnen verklaren. Maar met de volksverhuizingen, de inval van de Hunnen en die van de Mongolen, en ook 'der Eroberung Jerusalems durch die frommen Kreuzfahrer' in herinnering, em met de schrik van de Eerste Wereldoorlog nog in de benen en de dreiging van een Tweede voor ogen, voelt hij zich gedrongen om naast de levensdrift een doodsdrift, naast de Eros een Thanatos te postuleren. Alleen met beide niet tot elkaar te herleiden krachten 'liessen sich die Phünomene des Lebens erklüren'. Blijkbaar worden mensen door driften gedreven die zich niet laten civiliseren, maar die er op uit zijn elk menselijk (samen)leven onmogelijk te maken.

Men kan de civilisatiethese zo vanuit Freud amenderen met een verwijzing naar de menselijke natuur. Men kan echter ook wijzen op de gewelddadige elementen in het moderniseringsproces zelf, waar Elias te weinig oog voor heeft.

Het postmodernisme doet dat. Het ziet de moderniteit naakt, zonder illusies. De socioloog Z. Bauman merkt op dat de moderne cultuur het geweld niet heeft afgeschaft of verminderd, maar anders gedistribueerd. Het project van de Verlichting betekende niet het einde van de kruistochtmentaliteit, maar haar voortzetting met andere, seculiere middelen. Het Westerse beschavingsoffensief kan beschreven worden als een holy crusade of civilization against barbarism.

Het is nog maar de vraag in hoeverre er hier slechts sprake is van een metafoor. De moderne wereld werd evenals de kruisvaarders gedreven door zendingsdrang in dienst van hogere, universele waarden. De kruisvaarders hielpen God, aldus een historicus, 'alvast een handje door het aardse Jeruzalem geschikt en bereid te maken voor het samenvallen met zijn hemelse spiegelbeeld'.

Het Westerse culturele kolonialisme en imperialisme werd door een zelfde soort eschatologie gedreven, nu dan in naam van de Rede en de Vooruitgang. De Geschiedenis moest opnieuw een handje worden worden geholpen om de wereld tot de transparante en beheersbare orde te maken waarvan de moderniteit droomde. Voor deze utopie moesten offers gebracht en moest geweld worden ingezet. Geordend, beschaafd geweld weliswaar, maar het was nodig om het spontane chaotische geweld van de barbarij te kunnen beteugelen.

De moderne herverdeling van geweld heeft het geweldskarakter van de moderniteit lange tijd aan het oog onttrokken. Het geweld werd geëxporteerd naar de externe en interne grenzen van de beschaafde wereld. Grenzen tussen Verlichting en duisternis, die door haar zelf in het leven waren geroepen om in naam van haar te worden geslecht. De moderne cultuur is een frontier culture. Zij gebruikte geweld aan de nationale grenzen, in kolonieën, maar ook in gevangenissen en gestichten waar de wild man within moest worden getemd, en tenslotte in de concentratiekampen.

Onze eeuw, aldus de historicus Eric Hobsbawm, is 'zonder twijfel de meest moordzuchtige eeuw geweest die ons bekend is, zowel wat betreft de schaal, de frequentie en de duur van de oorlogen waardoor ze werd gevuld'. Het bloed kookt minder, maar het vloeit meer.

De Middeleeuwen waren het tijdvak van moord en doodslag (homicide), onze eeuw is de eeuw van de volkerenmoord (genocide) geworden, de eeuw van Auschwitz, Hiroshima en van ethnic cleansing. De moderniteit heeft van ons misschien geen wredere mensen gemaakt. Zij vond echter wel cleane technieken uit om ook niet-wrede mensen zeer wrede dingen te laten doen.

NEOTRIBALISME

De schaduwzijden van de civilisatie worden zichtbaarder, naarmate het geloof in de seculiere missie van de Verlichting taant. De Westerse wereld lijkt de middeleeuwse kruistocht, maar ook het van geweld doortrokken beschavingsoffensief van de moderniteit voorbij. Wordt de wereld vreedzamer?

Naar het zich laat aanzien weinig. We hebben de Middeleeuwen achter ons liggen, maar ze doemen ook weer voor ons op. Het is een deprimerend scenario dat de zieners van vandaag ons voorschotelen, als zij de postmoderne wereld tekenen als een wereld waarin opnieuw clans en stammen hun oorlogen zullen uitvechten.

Te midden van de legitimiteits- en identiteitscrisis van de nationale overheden verbleekt ook het aureool van het staatsmonopolie op legitiem geweld. Zal ook het geweld zich privatiseren? Zullen steeds meer groepen weer het recht in eigen hand nemen? We treden het tijdperk van het neo-tribalisme binnen, herhaalt de Franse socioloog M. Maffesoli boek na boek. Het abstracte individualisme en zijn pendant, de gecentraliseerde staat hebben hun langste tijd gehad. De cultuur van de Verlichtin verspreidt alleen TL-licht. Mensen zoeken weer de warmte van het nest, de stal en de kudde. De samenleving hergroepeert zich in groepen en gemeenschappen, in wisselende wij's en zij's, ons soort hier tegen de rest daar.

Er kunnen geen oorlogen tussen staten en supermachten meer gevoerd worden, Milan Kundera heeft gelijk. De oorlog keert echter terug in zijn oervorm, als het gevecht tussen bekenden, de burgeroorlog; de oorlog tussen gangsters en warlords, al dan niet in uniform. De 'generaals' van Bosnië staan ons op het netvlies gebrand. Maar ook in het centrum van onze cultuur smeult en zindert het oergeweld. In de grote metropolen woedt - wat H. M. Enzensberger noemt - de kleine, 'moleculaire burgeroorlog'. Het is het geweld dat na sluitingstijd in de lege straten van de binnenstad sluimert. De doelloze agressie van hooligans en jeugdbendes, die de macht op straat overnemen als de burgers zich 's avonds hebben verschanst in hun huizen. De wereld van graffiti, kapotte bierflesjes en urine. Loosers die slaags raken met andere loosers.

De baas is wie de grootste bek heeft, de sterkste vrienden, het langste mes. En dan wordt er in het centrum van Hilversum weer een jongen gruwelijk verminkt op straat gevonden. De laatste metro waar een groep skinheads instapt, op zoek naar een slachtoffer. De blinde haat van de passagiers, als ze even later toch maar weer uitgestapt zijn ('opknopen of tegen de muur ermee'). Elke trein kan dan even een Bosnië in miniatuur worden. Dit geweld komt soms tot uitbarsting in Los Angeles (Rodney King) en is dagelijkse kost in Johannesburg; maar volgens Enzensberger is het een virus dat zich diep in de poriën van onze steden heeft genesteld, ook al is het er meestal latent.

De apocalyps van het postmoderne geweld, die hiermee wordt opgeroepen, is natuurlijk overdreven. Zij is de uitvergroting van een microscopische blik op de onderkant van de samenleving. Maar toch. Zij is afdoende om ons te genezen van een al te vanzelfsprekend geloof in de moderne verzachting der zeden. In de geschiedenis van de cultuur is elke vooruitgang relatief en kan weer ongedaan worden gemaakt. Voor we het weten bombarderen we elkaar weer terug nog tot vóór de Middeleeuwen van No

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden