Worden als een kind

In pastorale gesprekken vraag ik nogal eens aan mensen of ze mij hun prilste ervaring met geloof willen vertellen, het eerste van wat zij zich kunnen herinneren aan enig religieus beleven, de geboorte van een besef van God. Meestal vertellen zij je dan van rituelen. Moeder die het kerststalletje van zolder haalde en vader die het verhaal vertelde. De eerbied waarmee grootvader aan tafel een dik boek opsloeg. Het boek van God, zei hij.

Zelf herinner ik mij, ik denk dat ik vijf jaar was, dat ik mijn ouders samen zag bidden. “Wat doen jullie?” vroeg ik. “Wij bidden”, zei mijn vader. Ik wist al wel wat bidden was, wij deden dat aan tafel en voor het slapen gaan, maar dat mijn ouders dat ook samen deden, dat was nieuw voor me. Het was een zeldzaam mooie ontdekking en een geruststellende gedachte. Ik vertrouwde als kind geheel op mijn vader en moeder, maar kennelijk vertrouwden zij op hun beurt geheel op onze Vader in de hemelen. Ik begreep dat als mijn vader en moeder mij verlaten hadden, ik altijd nog hun God had. Onze God. Mijn God. De schoonheid en de kracht van deze ontdekking heeft me nooit verlaten.

Eén prille geloofservaring van mensen scoort veruit het hoogst: “dat mijn moeder me 's avonds instopte en dat we dan eerst neerknielden voor het bed en dat we dan gingen bidden. Ik ga slapen, ik ben moe, 'k sluit mijn beide oogjes toe, Here houdt ook deze nacht, trouwe over mij de wacht.”

Nooit wordt het zonder ontroering verteld, de herinnering is kostbaar. De herinnering stemt ook droevig, want of je je geloof in enigerlei vorm behouden hebt of niet, dat geloof van toen ben je kwijt. Wat zou het heerlijk zijn als je het herwon, als je weer net zo kon bidden als vroeger.

Maar je kunt niet blijven als een kind en ook niet blijven geloven als een kind. Naar het woord van Jezus moeten wij worden als een kind. Het is een lange, vaak pijnlijke weg.

Af en toe wil je terug. Regressie heet dat in de psychologie. Regressie is, zo luidt de definitie, de terugkeer naar een kinderlijker ontwikkelingsstadium, niet zelden om actuele conflicten en spanningen uit de weg te gaan. Je opkrullen in het holletje van je bed, je dompelen in een warm bad of je laten wiegen op de deining van de zee, bedevaarten naar het dorp van je jeugd en over het tuinpad van je vader gaan, rusten aan de borst van je geliefde, een pijp roken of een sigaretje, je vol laten lopen aan de tap - het zijn allemaal regressieverschijnselen.

Nu is mij geleerd onderscheid te maken tussen gezonde en ongezonde regressie. Er is regressie die infantiel genoemd moet worden en die niet zelden schadelijk is voor ons geestelijk en lichamelijk welzijn, maar er is ook een regressie die van volwassenheid getuigt en waar een mens van opknapt. Er is een (ongezonde) regressie waarmee een mens blijvend zijn actuele conflicten en spanningen tracht te ontvluchten, maar er is ook een (gezonde) regressie waarmee een mens zich even op een warm en vertrouwd plekje terugtrekt, om vervolgens herboren de warmte des daags en de koude des nachts weer te kunnen doorstaan. Reculer pour mieux sauter.

Ik schrijf deze regels terwijl het Utrechtsch Studenten Corps lustrum viert. Eenmaal in de vijf jaar bedevaarten honderden reünisten uit alle delen van de wereld en alle delen van het land naar de oude Bisschopsstad. Even terug naar de borsten van de alma mater, om met vrienden van vroeger en nu, ter sociëteite of in het studentenhuis waar je woonde, het glas te heffen, Io Vivat te zingen en je aan vroeger te laven.

Ook lustrumvieren is zonder twijfel een vorm van regressie. Gezonde regressie, daar zijn althans de reünisten het over eens. En wanneer die lustrumvierders op zondag ook nog eens voor een oecumenische dienst naar de Pieterskerk bedevaarten, is dat regressie in het kwadraat. Pelgrimeren naar het huis van God is immers op zichzelf al een vorm van regressie. En weer dienen wij te onderscheiden tussen gezonde en ongezonde regressie, tussen eredienst die een mens klein en onmondig houdt en eredienst waarin een mens kan groeien en die hem helpt te worden als een kind en die kracht geeft de warmte des daags en de koude des nachts te doorstaan.

Het is overal en altijd weer ontroerend, in Nigeria, in New York of in Nepal, in Parijs, op Saparua of op het Pieterskerkhof in Utrecht: grote mensen, self supporting, volwassen mensen, die knielen voor God. Niet omdat zij in griezelige zelfontkenning te klein van zichzelf denken, maar omdat zij zo groot van God denken. Hulpeloos zijn zij niet, ze kunnen zich aardig redden. Toch zeggen zij, vóór zij in die dienst iets anders doen, de oude psalmist die onmetelijke woorden na: “Onze hulp is in de naam van de Heer die hemel en aarde gemaakt heeft.” Daarmee wordt een heilig rollenspel ingezet: “U was Schepper en wij waren schepsel. U was onze Vader, onze Moeder in de hemelen en wij waren uw kinderen. Wij ontmoeten elkaar in uw huis, want uw verlangen gaat naar ons uit en ons verlangen naar u.”

Ik mocht gisteren in de Pieterskerk in die oecumenische dienst voorgaan en daartoe verdiepte ik mij enigermate in het leven van de man die in deze lustrumviering centraal staat: de zendeling-arts-ontdekkingsreiziger David Livingstone.

Geboren in een arm Schots gezin, werd de jonge David al vroeg gegrepen door het ideaal als zendeling het evangelie te verkondigen. Hij is zevenentwintig jaar wanneer hij zijn opleiding heeft voltooid en naar Afrika zal worden uitgezonden. Dan, het is november 1840, maakt Livingstone nog eenmaal een bedevaart naar zijn ouderlijke woning om er afscheid te nemen. De tijd dringt, hij kan er maar kort verblijven, slechts één avond en één nacht. Er is zoveel te vertellen, de uren zijn zo kostbaar, dat Livingstone zijn ouders voorstelt die nacht maar niet naar bed te gaan. Moeder wil daar evenwel niet van weten. Zij heeft David als kind zo vaak in bed gestopt, dat zal ze, zegt ze, nu nog één keer doen.

De volgende morgen staan ze om 5 uur op. Vader Livingstone vraagt David uit de Bijbel voor te lezen. David kiest de 121ste psalm. Een bedevaartspsalm. Een pelgrimslied. “Ik hef mijn ogen op naar de bergen, vanwaar zal mijn hulp komen? Mijn hulp is van de Heer, die hemel en aarde gemaakt heeft.”

Ook regressie in het kwadraat. Voor hij op reis gaat, zoekt hij nog eenmaal zijn toevlucht bij zijn vader en moeder die hem gemaakt hebben en die hem vanaf zijn geboorte het geloof hebben aangereikt dat hij behalve hun kind ook kind van God is. Het is een armelijk huisje waar hij het levenslicht zag en het licht van het evangelie, maar hij bidt dat het gevoel van geborgenheid in tijd en eeuwigheid dat hij daar vond, hem moge vergezellen en dat de zon hem des daags niet zal steken, noch de maan des nachts.

“Ik hef mijn ogen op naar de bergen, vanwaar zal mijn hulp komen? Mijn hulp, lieve vader en moeder, u die mij gemaakt hebt, mijn hulp is van de Heer, die hemel en aarde gemaakt heeft.”

Ik weet van een klein kind dat haar avondgebedje besluit met de woorden: in de naam van de vader en de moeder amen. Zo argeloos en vol overgave kan een mens, groot geworden, niet meer bidden. Maar David Livingstone zit er vlakbij, nu hij op het punt staat de heilige grond van zijn ouderlijk huis te verlaten. Nog eenmaal heeft zijn moeder hem in bed gestopt en nu belijdt hij met de psalmist dat de Bewaarder Israëls sluimert noch slaapt.

Een lied uit de Hymnary van de Church of Scotland was Livingstone in het bijzonder dierbaar.

Such blessings from thy gracious hand, our humble prayers implore; and thou shalt be our chosen God and portion evermore.

Met een humble prayer begon Livingstone de reis van zijn even. “I am a missionary, heart and soul. God had an only son, and He was a missionary and a physician. A poor, poor imitation I am or wish to be. In this service I hope to live, in it I wish to die.”

In this service heeft Livingstone geleefd, en in this service is hij onderweg gestorven: in het dorp Chitambo in het huidige Zambia, mei 1873, zestig jaar oud. Met een humble prayer heeft hij de reis van zijn leven ook afgesloten. Toen zijn knecht midden in de nacht ging zien hoe zijn doodzieke meester het maakte, trof hij hem geknield voor zijn bed. Over worden als een kind gesproken . . . Ik ga slapen, ik ben moe, 'k sluit mijn beide ogen toe, Here houdt ook deze laatste nacht, trouwe over mij de wacht. Mijn hulp is in de naam van de Heer . . . Roerloos lag hij daar geknield. Hij bewoog niet. Dat kon ook niet. Hij was dood.

God zelf stond hem boven op te wachten. “David Livingstone I presume”, zei God.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden