TIEN GEBODEN

Wopke Hoekstra: Ik zweef tussen geloof, ongeloof en twijfel, en wat rest is mysterie

Minister van financiën Wopke Hoekstra: ‘Als je de woorden zorgvuldig kiest, kun je er bij wijze van spreken een oorlog mee winnen.’ Beeld Mark Kohn

Wopke Hoekstra (Bennekom, 1975) is politicus voor het CDA. Van 2011 tot 2017 was hij senator in de Eerste Kamer. Hij werkte eerder voor Shell en voor organisatiebureau McKinsey. Op 26 oktober 2017 trad hij aan als minister van financiën in het kabinet-Rutte III.

I Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben

“Waarom moeten kinderen lijden? Waarom moeten vaak volstrekt onschuldige mensen het ontgelden? Waarom is er zoveel ellende op deze planeet? Ik probeer me erbij neer te leggen dat we op dit soort vragen nooit een antwoord zullen krijgen. Ik ben altijd een vrijzinnig gelovige geweest, maar er is in de loop van mijn leven wel meer ruimte voor twijfel ontstaan. Bestaat God? Ik hoop het. Zo sta ik er nu voor: zwevend tussen geloof, ongeloof en twijfel. En wat rest is mysterie.”

II Gij zult u geen gesneden beeld ­maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is

“Mijn familie is van alle takken, van Nederlands-hervormd tot remonstrants, maar we zijn in ieder geval protestants. Intellectueel gezien vind ik het idee van een God die te groot is om af te kunnen beelden nog steeds het meest overtuigend. Tegelijkertijd zijn katholieke kerken zo adembenemend mooi; daar kunnen de protestantse gebouwen qua sfeer, qua gevoel, gewoon niet tegenop.

“Het is de kunst die troost, die verbindt – kijk maar hoe gelovigen en ongelovigen verenigd zijn in hun verdriet om de Notre-Dame in Parijs – en de vorm die mij, van alle kunsten, vooral euforisch kan maken is muziek. Mijn vader en moeder speelden in het Zeister Philharmonisch Orkest, mijn broertje en mijn zusje zijn ook allebei erg muzikaal, maar ik ben vooral een consument. Ik kan daarom ook keer op keer naar dezelfde muziek luisteren.

“Bach? Ja, erg mooi, vaak naar geluisterd, maar het zijn vooral de dj’s van deze tijd die me een enorme adrenaline-kick kunnen bezorgen. Soms zet ik de autoradio heel hard en voel ik me zo opgezweept door die beats dat ik, als ik niet uitkijk, véél harder ga rijden dan van Grapperhaus mag.”

III Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken

“Over Winston Churchill is ooit gezegd: ‘He mobilised the British language and sent it into battle’. Vrij vertaald heeft hij de taal onder de wapenen geroepen. Taal is belangrijk. Als je de woorden zorgvuldig kiest, kun je er bij wijze van spreken een oorlog mee winnen. Taal heeft echter ook het vermogen om dingen kapot te maken en ik vind dat ik daar in mijn vak, waar communicatie zó belangrijk is, ontzettend goed op moet letten. Ik vlieg weleens uit de bocht –het hele pallet aan krachttermen is al bestreken – maar doordat ik zo lang in het buitenland heb gewoond, kan ik ook makkelijk in andere talen schelden. Dat klinkt dan meteen een stuk minder erg.

“Ik ben natuurlijk bekend met de klacht dat er in de Tweede Kamer een verruwing van het politieke debat gaande zou zijn, maar staatsrechtelijk is het ingewikkeld om daar op deze plaats iets over te zeggen want in dit land is de Kamer de baas.

“Het is niet aan mij om iets van de Kamer te vinden. Sterker nog: het is aan de Kamer om míj te beoordelen. In zijn algemeenheid wil ik er dit wel over zeggen: een debat moet in alle scherpte ­gevoerd kunnen worden – wie lange ­tenen heeft, kan beter een ander baantje zoeken – maar áls er bepaalde excessen zijn dan moet je die als parlement natuurlijk wel benoemen en aan banden leggen.

“Ik vond het om die reden ook moedig dat kamervoorzitter Khadija Arib in de kwestie van die filmpjes (gemaakt door de partij Denk, AV) een motie heeft gesteund waarmee zij ‘de handelwijze om Kamerleden vanwege hun afkomst uit te kiezen en hen gericht via sociale media te intimideren ten stelligste afwijst’. Wie goed doet, goed ontmoet klinkt misschien iets te vroom, maar ik geloof zeker dat je mensen moet behandelen zoals je zelf behandeld zou willen worden.”

Beeld Mark Kohn

IV Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen

“Het eerlijke antwoord is dat ik weinig naar de kerk ga, maar áls ik er ben, is het toch, bijna zonder uitzondering, een extra moment van stilte, rust en bezinning.

“Ik probeer die momenten sowieso in mijn leven in te bouwen, maar de meerwaarde van een kerkdienst bestaat eruit dat er, middels de verhalen die verteld worden, een appèl wordt gedaan op wat je komt brengen terwijl we in het dagelijks leven toch vooral bezig zijn met het vervullen van onze eigen praktische noden of die van de mensen uit onze directe omgeving.

“In de kerk worden we herinnerd aan wat, volgens mij, een van de belangrijkste christelijke geboden is: heb uw naaste lief als uzelf.”

V Eer uw vader en uw moeder

“Mijn moeder is er twintig en een half jaar van mijn leven geweest. Ze is er inmiddels al bijna drieëntwintig jaar niet meer, maar ze is nog dagelijks in mijn gedachten. Het is zo onwerkelijk om te bedenken dat ze al is overleden voordat ik Liselot, mijn vrouw, leerde kennen. Het voelt nog steeds onaf. Verdrietig en onaf. Het lastige is dat sommige herinneringen beginnen te vervlakken; het is net alsof er een gummetje gaat over de dingen die lang geleden zijn gebeurd. Ik ben haar, maar ook mijn vader, enorm dankbaar voor alle liefde die ik heb gekregen.

“In mijn opvoeding stonden vrijheid en eigen verantwoordelijkheid centraal. Mijn moeder was nooit zo onder de indruk van ‘grote verhalen’; van de prestaties waar mensen zich op lieten voorstaan. Er wordt me weleens gevraagd: wat zou je moeder ervan gevonden hebben dat je nu minister van financiën bent? ‘Best leuk,’ zou ze zeggen, maar ik denk dat ze veel meer genoegen zou ontlenen aan de manier waarop ik met mijn kinderen aan de keukentafel zit. Ze werd voor het eerst ernstig ziek toen ik acht of negen was. Borstkanker. Ik kan me nog herinneren dat mijn ouders het me vertelden. ‘Gaat mama dan dood?’ vroeg ik. ‘Waarschijnlijk niet,’ zeiden ze. Niet echt een geruststellend antwoord voor een kind, maar het was wel eerlijk...

“Bizar genoeg zou ik mijn drie kinderen ruim dertig jaar later precies hetzelfde moeten vertellen toen hun broertje, van een jaar en één week oud, leverkanker bleek te hebben. We hoorden het op vrijdagavond, ik schuimde tot diep in de nacht het internet af, zoekend naar verklaringen, mogelijkheden, medicijnen. Op zondagavond kregen we te horen dat er geen uitzaaiingen waren en een aantal maanden later dat er geen levertransplantatie – waarvoor ik me al had aangemeld – nodig bleek te zijn. Het is nu bijna drie jaar geleden dat hij ziek werd, het gaat goed met hem. Het ziet er goed uit, maar we hebben nog wel tweeënhalf jaar aan controles te gaan.

“In die tijd, toen mijn moeder borstkanker kreeg, werd ze na vijf jaar controle genezen verklaard. Helaas had ze, toen ik negentien was, voor een tweede keer botte pech. Dit keer was het slokdarmkanker en het was meteen duidelijk dat ze het niet zou overleven. Ze is een jaar ziek geweest. Het werd een defining moment, een waterscheiding in mijn leven. We waren als gezin altijd al heel hecht geweest. Gelukkig werd de band tussen mijn vader, mijn broertje en mijn zusje alleen nog maar sterker, maar ik vond het ook moeilijk om te ­accepteren dat ze zo jong moest sterven; dat ze al die volgende hoofdstukken van ons leven samen niet meer mee kon maken.

“Ik weet niet of haar vroege dood mij tot een bepaald soort mens heeft gemaakt – net zo min als ik dacht dat het noodlot ons achtervolgde toen ons jongste kind ernstig ziek werd – maar ik geloof wel dat er iets van het besef van vergankelijkheid in onze familie­geschiedenis verweven zit. Twee ooms van mijn moeder, broers van haar vader, zijn in de Tweede Wereldoorlog vermoord. Ze zaten in het verzet. De een is gefusilleerd, de ander is in een concentratiekamp omgekomen. Het is een traumatische gebeurtenis voor mijn opa geweest, iets wat hij onwillekeurig aan mijn moeder heeft doorgegeven en waarvan bij mij in ieder geval de gedachte is overgebleven dat het niet vanzelfsprekend is dat iedereen zomaar zingend honderd wordt. Het kan zomaar afgelopen zijn. Je moet je tijd niet vermorsen.

“Zeg, wordt dit niet een veel te somber verhaal? Let er alsjeblieft op dat het niet alleen maar over dood en ellende gaat. Als ik aan mijn ouders denk voel ik me in eerste instantie vooral dankbaar. En gelukkig.”

Beeld Mark Kohn

VI Gij zult niet doodslaan

“Letterlijk staat er: gij zult niet moorden. Iets kostbaarders dan een mensenleven bestaat niet. Ik heb gelukkig nooit een oorlog meegemaakt, maar ik begrijp het wel als mensen zeggen dat je er alles aan moet doen om zoiets verschrikkelijks te voorkomen.

“Toch geloof ik dat de grootste les van de Tweede Wereldoorlog niet ‘nooit meer oorlog’ is, maar: ‘nooit meer appeasement’. Het keer op keer toegeven aan een dreigende, chanterende dictator heeft uiteindelijk tot die oorlog geleid. Ik geloof dat het beter is om ter verdediging van jezelf en je bondgenoten, je tanden te laten zien. En ja, desnoods zal er gevochten – ­gedood – moeten worden.

“Ik weet niet of we ook daadwer­kelijk iets van de geschiedenis zullen leren. Het klassieke christendom zegt dat de mens geneigd is tot alle kwaad. Dat zou zo kunnen zijn, maar ik geloof dat we óók geneigd zijn tot ­alle goed. We krijgen lessen, en dus geen garanties, daarom moeten we het iedere keer weer zo zien te regelen dat onze samenleving stabiel is en misschien een beetje stabieler wordt – ­veilig is en misschien een beetje veiliger wordt.”

VII Gij zult niet echtbreken

“Net zoals het overlijden van mijn moeder ervoor zorgde dat de band tussen mijn vader, mijn broertje en mijn zusje hechter werd, zo heeft ook de ziekte van ons jongste kind Liselot en mij nóg dichter bij elkaar gebracht. Doordat we die moeilijke tijd samen goed zijn doorgekomen, lijkt het idee dat we ooit de juiste keuze hebben gemaakt alleen maar bevestigd te worden. We hebben geluk gehad. En we doen allebei ons best om ervoor te zorgen dat het goed blijft tussen ons. We hebben elke week een afspraak om samen iets te doen. Soms moet het door drukte in de agenda geramd worden, maar we slaan nooit over.

“En verleidingen? Macht erotiseert, zeg je? Dat heeft Henry Kissinger ooit beweerd: ‘Power is the great aphrodisiac.’ Nou, eh... misschien dat het in zijn ­geval wél waar was.”

VIII Gij zult niet stelen

“Het mooie van deze interviewvorm is dat ik keer op keer met mijn eigen falen en feilbaarheid wordt geconfronteerd, maar bij dit gebod zit ik er redelijk ontspannen bij. Ik kom niet veel verder dan een knikker. En zelfs dáár begin ik nu over te twijfelen.

“Heb ik weleens iets gestolen? Volgens mij niet. In ieder geval niet als volwassene. Ik heb de klacht van veel burgers, dat ‘mensen aan de top overal maar mee wegkomen’ of dat ‘de grootste dieven in het bankwezen rondlopen’, natuurlijk vaak gehoord. Ik begrijp heel goed waarom de elite veelvuldig onder vuur wordt genomen en ja, ­noblesse oblige, het is een groep die zijn verantwoordelijkheid moet nemen en het goede voorbeeld dient te geven, maar tegelijkertijd: niemand is zonder zonden en áls er iets niet goed gaat, hebben we een rechtsstaat die zonder aanziens des persoons – dus óók de mensen met macht – vervolgt en, ­zonodig straft.”

IX Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste

“Het is waar dat politici er, wat geloofwaardigheid betreft, bij het grote publiek niet al te best voorstaan – al zei Kim Putters (directeur van het Sociaal en Cultureel Planbureau, AV) laatst nog tegen me dat we het helemaal niet zoveel slechter doen dan twintig, dertig jaar geleden. Het ingewikkelde in dit vak is dat ik niet altijd zo uitgesproken kan zijn als ik soms misschien wel zou willen zijn. Er zijn dingen die ik nu nog niet kan zeggen, maar pas over een week of zelfs nooit. Als ik nu tegen jou zou leeglopen over een of ander heikel hooggevoelig onderwerp breng ik daar niet alleen mezelf, maar het hele kabinet mee in de problemen. Ik vind oprecht dat we, als regering, een aanvaardbaar en afgewogen verhaal hebben, maar natuurlijk is het ook zo dat sommige onderdelen ervan heel erg des CDA’s zijn en andere weer veel minder. Dat is nu eenmaal de aard van het compromis; zo doen we het al vierhonderd jaar in dit land. Moet ik dan weleens met gekromde tenen een bepaald beleid uitdragen? Zelden. En zo ja, dan in ieder geval nooit over zaken die bij mijn eigen portefeuille horen.”

X Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws ­naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is

“Nog zo’n gebod waar ik me relatief senang bij voel. Los van allerlei andere gebreken die ik misschien met me meedraag: ik ben niet erg jaloers. Ja, wel ­ambitieus, maar niet in die zin dat ik de plek wil inpikken die nu nog aan een ander toebehoort. Die ambitie heeft eerder te maken met mijn ongeduld, met mijn verlangen om geen tijd te vermorsen. Ik wil dingen voor elkaar krijgen. Een koers uitzetten voor de langere termijn. Iets voor het land betekenen. Dat kan, in deze baan.

“Maar denk alsjeblieft niet dat ik een of andere joris goedbloed ben; ik haal er persoonlijk ook een kick uit. Ik heb de mooiste baan die er is. De mensen met wie ik hier werk, de diversiteit aan onderwerpen die op tafel komt, echt: alles bevalt me aan dit vak.

“Of mijn ambitie nog verder reikt en ik op een dag ook minister-president zou willen worden? Dat vragen ze me nou altijd! En mijn antwoord is steeds hetzelfde: ik heb de mooiste baan die er is. C’est ça.”

Arjan Visser interviewt iedere twee weken iemand aan de hand van de Tien Geboden. Lees hier eerdere afleveringen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden