Woorden die eenzamen vertroosting bieden

Sommige grote schrijvers

Een jaar geleden woonde ik in Antwerpen de onthulling bij van een plaquette bij het standbeeld van de Vlaamse schrijver Willem Elsschot (1882-1960) op het Mechelseplein. Het stond zwart van de mensen, de als altijd in spijkerbroek gestoken burgemeester van Antwerpen Patrick Janssens hield een toespraak en de kleindochter van Elsschot, Ida, las een gedicht van haar grootvader voor. Het evenement vormde de opmaat voor ’De stad van Elsschot’, een maar liefst vier jaar durend project waarin op allerhande manieren eer wordt bewezen aan de man wiens totale oeuvre uit niet meer dan 750 pagina’s bestaat.

Nu zijn die elf kleine romans en novellen, waaronder ’Kaas’ en ‘Lijmen/Het been’, voor een aanzienlijk deel prachtig, maar ik moest op dat Mechelseplein wel denken aan een andere schrijver uit Antwerpen, Marnix Gijsen (1899-1984), wiens boeken zelfs de schappen van De Slegte niet meer halen, met uitzondering van de bijtende jeugdliefderoman ’Klaaglied om Agnes’.

Bij het horen van zijn naam halen vooral jonge lezers en ook schrijvers achteloos de schouders op. Ik vind dat een slechte zaak. Marnix Gijsens werk is actueler dan ooit.

Die actualiteit is deels particulier. Een poos geleden frequenteerde ik het OLVG-ziekenhuis in Amsterdam, omdat een vriend van net veertig naar de verdoemenis dreigde te gaan, en omdat de wake bij een zieke grotendeels bestaat uit wachten, had ik zomaar een boek uit mijn Billy weggegrist. Het was Marnix Gijsens roman ’Jacqueline en ik’ (Meulenhoff, 1970). En zittend op het skaileder van de bezoekersstoel las ik deze regel:

„De stervende wil van ons horen of er nog een straal hoop is en we antwoorden luchtig van ja, we bieden hem een glas koel water aan, we verschikken zijn peluw, maar de ijselijke waarheid zeggen we niet.”

Nu wist ik al dat Marnix Gijsen een groot schrijver was, maar die ochtend ervoer ik dat Gijsen ook woorden schrijft die kunnen troosten. Weliswaar werden de scènes in die ziekenhuiskamer er niet beter op, maar in het OLVG had ik ineens wel het besef dat er al eerder iemand bij machte was geweest om door dat decorum van je-komt-er-wel-weer-bovenop heen te kijken. Vooral die woorden ’een straal hoop’ en ‘peluw’ zijn groots. Vraagt een getergde patiënt nu aan me of ik zijn kussen een millimeter hoger of lager wil leggen, dan mantra ik ’peluw, peluw’, en dan gaat het wel weer .

Maar de actualiteit van Gijsens werk is ook meer in het algemeen van toepassing, zeker als ik zijn poëzie nog eens herlees, in de verzamelbundel ’Het huis’, in 1969 ter gelegenheid van des schrijvers zeventigste verjaardag uitgegeven door Meulenhoff en Nijgh & Van Ditmar.

De taal in deze bundel is hopeloos uit de tijd („Komt uit den pol van lauwen slaap”), de thematiek is doorgeschoten smartelijk („Ik heb mijn lot nu duizendmaal / uit duizend oogen / klaar gelezen: / ik zal vergaan”), maar ik ken geen schrijver die zo met taal kan schuren vanuit zo een ontwapenende eerlijkheid en gebruikmakend van zulke eenvoudige woorden, zonder dat aan diepgang wordt ingeboet.

De slotcyclus uit ’Het huis’ is het mooiste. Het heet ’The House By The Leaning Tree’ en betreft ’een suite van archaïsche gedichten’ die voor het eerst werd uitgebracht in 1962. De serie bestaat uit twintig gedichten, waarvan deel 18 zo begint.

„Al wat ’k gedaan heb, heb ik goed

gedaan

behalve leven.”

Wat een briljante regel is dat. En wat een welgeplaatste vertolking van de gevoelens van hen die eerlijk zijn en hun als groots betitelde daden uiteindelijk zien verschrompelen tot kwalificaties als redelijk of aardig tot matig, in het aanschijns van de realiteit. Het aantal gemaakte fouten overstijgt uiteindelijk ruimschoots het aantal goede daden en wie niet kan schouderophalen beschouwt die sterktezwakte-analyse als een toonbeeld van falen.

Gijsen was bepaald geen non-valeur. Hij werkte onder meer voor het Vlaamse Departement van Economische Zaken en woonde en werkte lang in Amerika, al tijdens de Tweede Wereldoorlog als commissaris van het Belgian Government Information Center en later als gevolmachtigd minister en hoogleraar. Van zijn twintigste tot aan zijn stervensjaar verschenen er vele tientallen boeken van zijn hand: romans, dichtbundels en essays. Toch kijkt Gijsen in 1962, 22 jaar voor zijn dood, terug op een tamelijk mislukt ambtenarenbestaan en een in zijn eigen woorden weinig verheffende schrijversloopbaan.

„Wat rest er mij?

Een nijverig verleden,

wat woorden die eenzamen

vertroosting schenken

maar die verwaaien lijk de blâan

die in de herfst even opglanzen en

ontbinden.

Ik was een korte tijd

de blinde leider van de blinden.”

Deze slotsom bevat een weinig verheffend wereldbeeld, maar ligt waarschijnlijk angstig dicht bij de werkelijkheid.

En God redt ook al niet, want in de oorlogsjaren keerde de Jezuïet Gijsen het Rooms-Katholieke geloof de rug toe en presenteerde zich voortaan als agnost, niet te verwarren met een atheïst.

In het zeventiende deel van ’The House By The Leaning Tree’ legt Gijsen de consequentie uit van het niet langer voetstoots kunnen geloven in een God. Zonder de hemel als rustplaats achter de finishlijn is er alleen maar „knagend, bestendig verdriet / omdat we sterven moeten / en leven kunnen we niet”.

In deel 12 heeft Gijsen God al genadeloos geattaqueerd en verklaart de schrijver waarom zijn strengreligieuze opvoeding uiteindelijk niet opgewassen bleek tegen de horror die Holocaust heet. Het gedicht staat hiernaast afgedrukt.

Ilse Koch, uit de vierde strofe, was de vrouw van SS’er Karl Koch, tijdens de Tweede Wereldoorlog onder meer commandant van concentratiekamp Buchenwald. Mevrouw Koch zou stukjes huid van gevangenen hebben verzameld en deze hebben laten aaneensmeden tot lampenkappen. Gijsen werpt eigenlijk de vraag op of aan de geboorte van zo’n monster een schepper te pas is gekomen. Hij roept God tot de orde, maar ontkent zijn bestaan niet. Als agnost wéét hij niet of er een God is. Hij weet alleen dat áls er een God is, het onverklaarbaar is waarom deze in de oorlogsjaren niet een wijsvinger door de wolken stak om Koch, alias Die Hexe von Buchenwald, preventief te ruimen.

Het cynisme in de derde strofe is bijtend maar ook aannemelijk. De zinsnede „Hij is oneindig vindingrijk met duizend kwalen/voor lichaam en voor geest” herbergt onbetamelijke woede in zich, alsof je je afvraagt waarom God wel de koningscobra schiep maar niet het tegengif. Over het antwoord op die vraag steggelt men al eeuwen, maar de verwoording van die verwondering is bij Gijsen in goede handen.

Hij schreef gedichten vol bittere verzuchtingen van een man die zijn pensioengerechtigde leeftijd nadert en in de spiegel kijkt en verzucht: „’k Heb met die vent daar in den spiegel niets, maar niets uit te staan.”

Die zich maar vast voorbereidt op zijn einde en zijn nabestaanden toewerpt: „Schrijf op mijn graf geen opgeschroefde woorden, / ook geen gebed en stellig niet een klacht.”

En hij heeft woord gehouden, want de grafsteen van Marnix Gijsen, op begraafplaats Schoonselhof in Wilrijk, toont zich net zo eenvoudig als zijn taal en bevat als enkele inscriptie een handtekening van de auteur.

In de fondslijst van uitgeverij Meulenhoff ontbreekt intussen zijn naam. Een massaal mailoffensief van Trouwlezers naar info@meulenhoff.nl kan daar wellicht verandering in brengen. Erik Jan Harmens

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2023 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden