Review

Woorden die de adem benemen

Simon Vinkenoog richt zich in zijn poëzie direct tot de lezer en slaat de critici over. Erik Jan Harmens hoopt dat de dichter honderd wordt.

Simon Vinkenoog werd dit jaar tachtig en dat wordt gevierd met de uitgave van zijn verzamelde gedichten wat – als je de notities en index niet meetelt – ruim 1100 pagina’s poëzie opleverde. Vinkenoog debuteerde in 1950 met de bundel ’Wondkoorts’ en bracht sindsdien vele boeken uit bij even zovele uitgeverijen, soms bij obscure fondsen, dan weer bij uitgeverij Bert Bakker of De Bezige Bij en nu dus bij Nijgh & Van Ditmar. Geen van de bundels leverde de dichter een literaire prijs op, al ontving hij in 1993 de Johnny van Doornprijs voor de gesproken letteren.

Want door critici en ook door collega-dichters wordt vaak wat smalend gelachen als Vinkenoog het podium betreedt tijdens een literaire middag, met een voorgedraaide joint in de linkerhand en wat verkreukeld papier in de rechter, waarna hij kraaiend van plezier hyperpositieve hippieregels de microfoon in dreunt als: ’Leve het licht/leve het licht in andere dimensies/leve het licht in steeds meer wetende ogen/leve het licht in de duisterste tijden’. Dergelijke regels – deze komen uit de in 2006 bij uitgeverij Passage verschenen bundel ’Zonneklaar’ – zijn exemplarisch. Het zijn opsommingen, vrije associaties die zo op het papier gekwakt lijken te zijn. Zoals ook dit gedicht uit de bundel ’De ware Adam’ (2000): ’IK BEN/dichter/experimenteel dichter/gelegenheidsdichter/laatnaarjekijkendichter/je mag gezien worden, dichter/stadse kijkmijnoudichter...’ en zo gaat het een hele tijd lang door. We gaan naar 1988, de bundel ’Op het eerste gehoor’: ’Groei is groei moet/groei doet goed/groei draagt vrucht/groei bloedt/ook bloeden moet//groei groei groei...’

Natuurlijk behoeven die regels geen doorwrochte literaire analyse. Vinkenoog richt zich rechtstreeks tot zijn lezers en slaat de critici over; hij begint met een regel en gaat daarop eenvoudigweg voortborduren, zoals hij al deed in 1977: ’Deze mens is waarlijk onzichtbaar./Deze mens is waarlijk alle angsten te boven gekomen./Deze mens heeft alle vijandschap uit kunnen bannen./Deze mens heeft zich met allen in liefde verenigd.’ En zelfs al in 1964: ’Godzijdank dat ik leef/Godzijdank dat ik engels spreek/Godzijdank dat ik adem en beweeg/Godzijdank dat ik leef’.

Vinkenoog is pleitbezorger én representant van de Beatgeneratie, een Amerikaanse groep schrijvers die in de jaren ’50 aangevoerd door Allen Ginsberg de uiterste vrijheid bepleitte, zowel in de literatuur als daarbuiten. Ginsberg schreef het legendarische gedicht ’Howl’, door Vinkenoog in 1966 vertaald, dat zo begon: ’Ik zag de besten van mijn generatie verwoest door waanzin,/hongerig, hysterisch en naakt,/die zich sleepten door vroege negerstraten op zoek naar verlossing van hun kwaad’. De invloed van de opsommingen van een wat minder bekende beatdichter als Lawrence Ferlinghetti zie je goed terug in de poëzie van Vinkenoog: ’Christ climbed down/from His bare tree/this year/and ran away to where/there were no gilded Christmas trees/and no tinsel Christmas trees/and no tinfoil Christmas trees/and no pink plastic Christmas trees/and no gold Christmas trees/and no black Christmas trees’ (’A Coney island of the mind’, 1958).

Eigenlijk is het raar dat critici en collega-dichters smalen als Vinkenoog poëzie voorleest die tot stand is gekomen middels vrije associatie en improvisatie, maar wel verwoed met de vingers gaan staan knippen als ze jazz horen van John Coltrane of in de klassieker ’On the road’ van Jack Kerouac lezen hoe jazzoptredens worden beschreven. Juist zo tiereliert Vinkenoog toch voortdurend van: ’Kiezen voor de overgave/kiezen voor het vege lijf/kiezen voor de naakte wanhoop/kiezen voor de juiste woorden/kiezen voor een taal die niet liegt/kiezen voor het woord/dat altijd/verdervliegt’.

Simon Vinkenoog is jaloersmakend vrij in zijn schrijven en een levend monument in de Nederlandse poëzie. Ik hoop dat hij honderd wordt. Al merk ik ook dat de poëzie uit Vinkenoogs debuutbundel ’Wondkoorts’ van bijna zestig jaar geleden me bij herlezing nog het allermeeste raakt. Zoals het hieronder afgedrukte gedicht, met dat bizarre ’haatdragend jodium’, dat schaduwbeeld dat bloedt en dat ’sterven op een aanloopplank’. Weltschmerzpoëzie die niet meer past bij de fulltime hoeraroeper die Vinkenoog de afgelopen decennia is. Dit zijn woorden die nog in een korset zitten ingesnoerd, maar mij steeds weer de adem benemen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden