WOODSTOCK een weekend paradijs

Woodstock - komend weekeind 25 jaar geleden - is een legende waarvan de meeste mensen de proporties niet eens kennen. Het heet het hoogtepunt van het hippietijdperk en daarmee misschien wel van de jaren zestig, maar wie het kritisch bekijkt weet niet waarom. Woodstock werd bij nader inzien een soort mythisch afscheidsfeest, en als alle mythen een ver boven zichzelf uitgestegen verschijnsel. Je behoorde opeens tot de Woodstocknation en de Woodstock-generation, of je behoorde er, zoals ik, net niet toe. Hoewel, op een haar na even hippie geweest.

De Rijam-agenda van dat jaar toonde naast wijsheden als 'De wereld wil bedrogen zijn - hij draait zelf ook', flauwiteiten als een hagedis met een distelvormige staart: hagedistel, en doelgerichte advertenties ('Hoe komt Peter nou ineens aan die brommer? Nou gewoon: hij spaart. Bij de Rijkspostspaarbank') veel foto's van popgroepen en -zangers: de Cats, Ike & Tina Turner, de Buffoons, Aretha Franklin.

Verder blijkt uit deze agenda onomstotelijk wat ik al jaren weet: ik heb Woodstock gemist. Zoals een hele generatie er beweerd geweest te zijn, zo is er ook een hele generatie die het allemaal net niet heeft mogen proeven. Omdat ze in Groningen woonde en misschien meer nog omdat ze net te jong was om zomaar in het gras te vrijen, met een haarband om en een chilm vol gele Libanon bij de hand.

Ik weet zeker dat Woodstock pas lang na dato tot Nederland is doorgedrongen, in effigie, in de vorm van het platenalbum en de film die ervan restten, ongetwijfeld armzalige surrogaten voor het werkelijke utopische gevoel daar tijdens die 'Hell of Picknick' voor de naoorlogse baby-boomers.

En dan, wat stelde het allemaal eigenlijk voor? In het fotoboek 'Het aanzien van 1969, twaalf maanden wereldnieuws in beeld' wordt Woodstock niet eens genoemd, in het 700-pagina dikke 'The movement toward a new America' van Mitchell Goodmann dat ik een paar jaar later voor mijn verjaardag zou krijgen, een soort paper voor de Amerikaanse politieke bewustwording van de jaren zestig, valt het begrip nergens.

Woodstock is een legende waarvan de meeste mensen de proporties niet eens kennen. Het is het verhaal van bijna een half miljoen pubers en teeners aan de Amerikaanse oostkust, maar als je de verhalen achteraf mag geloven waren er wel vijf miljoen. Het heet het hoogtepunt van het hippietijdperk en daarmee misschien wel van de jaren zestig, maar wie het kritisch bekijkt weet niet waarom, misschien voornamelijk omdat het na Woodstock allemaal gauw afgelopen was; een paar maanden later volgde het popfestival in Altamont, waar een toeschouwer door de Hells Angels werd gemold: niks bloemen en vredig knikkebollende hashrokers. Bob Dylan hing in 1970 z'n gitaar aan de wilgen, the Beatles vielen uit elkaar. Kortom, Woodstock werd bij nader inzien een soort mythisch afscheidsfeest, en als alle mythen een ver boven zichzelf uitgestegen verschijnsel. Je behoorde opeens tot de Woodstock-nation en de Woodstock-generation, of je behoorde er, zoals ik, net niet toe.

Wat gebeurde er verder in het annus mirabilis 1969, dat Woodstock in nieuwswaarde mogelijk kon overvleugelen? Neil Armstrong zette voet op de maan. Sharon Tate c.s. werd door Charles Manson c.s. vermoord. Je had hot-pants. De massamoord in My Lai kwam aan het licht. In Nederland werden de slapers van de apenrots op de Dam geveegd. je moest voortaan NOS zeggen in plaats van NRU. Mevrouw Wissenberg mocht niet verkleed als koningin Juliana op de televisie. Minister Beernink smokkelde sigaretten. Mijn ouders keken naar Peyton Place en de Forsythe Saga. De televisie lanceerde een nieuwe vorm van muzikaal amusement, de bubblegumpop. Naam: The Monkees. Doelgroep: huisvrouwen en kinderen. Woodstock? Nooit van gehoord!

Niet dat wij in het geheel niet door de hippiegeest waren aangestoken. De beelden van bloemenkinderen in San Francisco hadden ook mijn generatie (in zwart-wit nog, dat wel) bereikt. En ook in Nederland werd inmiddels druk geblowd, van huis weggelopen en tegen Vietnam gedemonstreerd. ook door mij. Ik heb overigens de indruk dat de Groningse variant wat somberder en Sartriaanser uitviel dan het kleurige Californische origineel. Wij liepen in lange donkere jassen door de stad, een duister lot van de wereld op onze schouders. Lang haar ja, bloemen nee. De conrector vroeg een klasgenoot van me, die uitblonk in langharigheid en anarchisme (Peter van der Veer, tegenwoordig hoogleraar Sociologie in Amerika), of die niet eens wilde inventariseren hoe het met het druggebruik op school stond. Een andere klasgenoot leende me Frank Zappa's gezagsondermijnende lp 'Freak out', die ik alleen bij langdurige ontstentenis van mijn ouders kon draaien.

De hippiegeest, waarvoor het mega-popfestival van Woodstock in de loop der jaren is komen te staan, is weinig eenduidig en bevat zowel sullige softe vibraties als halfdoordacht politiek activisme. Waarom Woodstock zo'n fenomeen is gebleven, is bij het aanschouwen van de rommelige film (zo'n beetje de ultieme omkering van Leni Riefenstahl) en het beluisteren van de neuzelende lp evenmin duidelijk (het meest sfeervol zijn de 'stage-announcements').

Waarschijnlijk omdat het een spontaan gebeuren was en uit de hand liep zonder dat er nare excessen plaatsvonden. Oorspronkelijk gepland als middelgroot festival, waar een aantal beroemdheden uit de buurt zouden optreden (Bob Dylan had een optrekje in Woodstock, maar hij noch The Band verscheen, evenmin als vertegenwoordigers van de twee andere megagroepen, The Beatles en The Rolling Stones), raakte het in een mum van tijd overvol. De naburige snelweg moest worden afgesloten, de gouverneur van de staat New York riep de noodtoestand uit, voedselvoorziening en sanitair waren absoluut niet toereikend en iedereen was gelukkig. Misschien wel juist omdát het allemaal een beetje in de soep leek te lopen. De naburige bourgeoisie keek met angst om het hart toe maar de muren van Jericho gingen vreedzaam om. Het miezerde in het begin een beetje maar een half miljoen hippies riep: 'No rain! No rain!' en dat hielp. Vrijen, blowen, luisteren, slapen, veel meer was het niet maar het was kennelijk genoeg.

Wat ook een rol speelt in de mythische overwaardering van Woodstock is het feit dat het land van boer Max Yasgur, waar deze Hof van Eden was belegd, in de staat New York lag, aan de oostkust van de VS., daar waar men handel dreef en in steden woonde. Eerdere hippies waren vooral in het zuidwesten gelocaliseerd. Eerst in San Francisco, in de buurt van Haight Ashbury (Hashbury), later uitgezworven de zuidelijke woestijnen in, New Mexico, Arizona, Nevada, om communes en leefgemeenschappen te stichten, graan en peulvruchten te eten, de kwaliteit van het bewustzijn te ondergaan.

Kortom, met Woodstock en zijn verstedelijkte weekend-hippies leken de bloemen, de liefde en de vrede tenslotte ook op weg naar het oosten, Europa, naar de cultuur die nog moest leren dat ze had afgedaan en dat ze ingeruild moest worden voor het ware oosten, Azië.

Waarschijnlijk zit schrijver Bert Jansen in zijn boek over de Nederlandse jaren zestig 'En nog steeds vlekken in de lakens' dichter bij de waarheid van de Hollandse jaren zestig dan de produkten van de hippiepastorale Woodstock. Over een optreden van Van Morrisson schrijft hij: “Eindelijk na lange uren wachten stonden Van and the Blizzards op het podium. En zag en hoorde ik hoe een kleine roodharige jongen met een boerengezicht door een honderdkoppig publiek werd bejubeld. Een echte, heuse popster. Mijn natte jongensdroom.”

Als de echte hippie-'gedachte' in Nederland al ooit een moment werkelijk is aangeslagen dan was ze ook even snel weer verleden tijd. Waarschijnlijk slenterden er gedurende het tijdperk van Aquarius wel wat geestverwanten van de bloemenkinderen 'peace man' hummend van het ene psychedelische festival naar het andere, maar tot een massale uittocht uit de consumptiemaatschappij is het nooit gekomen.

Zo bezien is Woodstock en waar het voor staat een typisch Amerikaans verschijnsel, dat later wegens succes geëxporteerd is. In de VS viel er nu eenmaal meer te reageren. Je had de Black Panthers, de Beweging voor Gelijke Burgerrechten, de spandoeken met erop: 'I don't give a Damn / For Uncle Sam / I ain't going to Vietnam.' Zoveel burgerlijker en behoudender als de Amerikaanse ouders waren, zoveel massaler ook de afkeer.

Maar erg doordacht was het allemaal niet, dat paste ook niet bij de juist anti-intellectualistische houding van het Nieuwe Tijdperk. Ook heuse studies over het hippiedom als Paul Willis' 'Profane Culture' en Tribhuwan Kapur's 'Hippies, a study of their drug habits and sexual customs', waarin de auteurs achter een soort hippie-filosofie proberen te komen, blinken uit in vaagheid en diversiteit. Oosterse wijsheid jazeker, maar welke? En geestverruiming, ook, maar hoe: yoga of lsd? Je liep achter alles aan wat anders, zachter en minder elektrisch was.

Daarbij hoorde een bepaald soort literatuur (Thoreau's Walden werd weer een bestseller, Hesse's Steppenwolf) en vooral een soort muziek, die de vrijblijvende transcendentie bevorderde. Het Nu en de subjectieve ervaring, daar ging het om, het dialectische denken raakte uit, met een mooi woord kun je de hippie-filosofie monistisch noemen: we zijn allemaal één, weetjewel.

In de pal na Woodstock aanbrekende jaren zeventig werden de hippies algauw ontmaskerd als softies, geiteharen sokken. We hebben er misschien indirect de sociale academies en stromingen in de antropologie aan te danken, maar het gedachtengoed zelfs is vergeten of ten prooi geraakt aan gemakkelijke ironie. De regelrechte vertegenwoordigers, in Nederland algauw geïdentificeerd als 'foute' langharige Duitsers (nu weer op een andere manier 'fout'), werden beschouwd als escapisten die luisterden naar ouwelullenmuziek.

Eigenlijk zat de mot er van meet af aan al in. The Beatles, met hun psychedelische Sergeant Peppers-album toch niet de geringste peetvaders van de hippie-beweging, zongen in 1969 'Get back', een soort oproep om naar de dagen van Little Richard en Fats Domino terug te keren. En de hoofdpersoon uit het liedje, Jo-Jo, die naar de zuidelijke woestijnen vertrekt om zijn natuurlijke staat te herontdekken, wordt teruggefloten.

Het gewauwel van hippische diehards blijkt niet bestand tegen de tijd. In zijn boekje 'Op zoek naar het morgenland' nam schrijver Philip Lievens een interview op met de onverbeterlijke hippie Stephen Gaskin, hem afgenomen in 1978 in het meditatiecentrum 'de kosmos'. Zo klinkt dat, bijna een historische opname: “Wel, we denken dat..., we noemen onszelf een leefgemeenschap, omdat we ons niet afleiden uit een politiek-filosofisch systeem. En we volgen geen enkel spoor en passen niemands recept toe en behoren niemand toe, we vertegenwoordigen niemand. (...) We geloven dat liefde en seksualiteit samen gaan en dat het resultaat een synthese brengt. En het heeft meer levensenergie dan beide samengeteld, want het is echt tantristische yoga... Tantrisch vrijen is binnen het bereik van de mensen. O.K.?”

Zo dachten de meeste bezoekers van het Woodstock Music and Art Festival er vermoedelijk niet over. Die hadden gewoon een onverwacht te gek weekend, niet wetend dat hun aanwezigheid een symbool voor een hele generatie zou worden. En zo werd ook ik in Groningen op den duur een onvrijwillig produkt van Woodstock en de flauwekul eromheen. Op een haar na even hippie geweest. En geroken aan een massale en collectieve jeugdherinnering, een onverwacht, prachtig en magisch moment, dat bij nader inzien (wat eigenlijk verboden moest zijn) natuurlijk weinig voorstelt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden