’Woede is een goede motor, net als verdriet’

'Ze' besloten dat we de militairen vergaven. Maar ik vergeef helemaal niks. Ze hebben mij mijn vader afgepakt en mijn vader twaalf jaar van zijn leven.' (FOTO MAARTJE GEELS) Beeld
'Ze' besloten dat we de militairen vergaven. Maar ik vergeef helemaal niks. Ze hebben mij mijn vader afgepakt en mijn vader twaalf jaar van zijn leven.' (FOTO MAARTJE GEELS)

Waaruit putten schrijvers inspiratie? Wat is hun literaire goudmijn? Aflevering 1 van een serie: de van oorsprong Uruguayaanse schrijfster Carolina Trujillo (40). Zij schrijft over cocaïne, staatsgrepen, guerrillastrijders en hun kinderen die ’naar de kloten zijn’.

Iedere schrijver heeft een denkbeeldige achtertuin, zo leerde Carolina Trujillo op de Filmacademie. Vol unieke bloemen, steentjes, vruchten en struiken. „Die moet je zien te vinden en naar buiten zien te slepen.”

De schrijfster wil best over haar ’tuin’ vertellen, maar dan wel op neutraal terrein: een Amsterdams terras. Bezoek aan huis is niet toegestaan: „Want dan moet ik opruimen, en daar heb ik he-le-maal geen zin in.”

Weelderig zwart haar, expressieve gebaren, scherpe blik vanachter een zonnebril: „Zie je die jongen met die luipaardonderbroek? Dramatisch geval.” Even later, bij de koffie: „Schreeuw ik te hard? Dat is heel latina.”

’Polderlatina’, zo is Trujillo wel genoemd. Vanwege haar ’on-Nederlandse’, maar wel in het Nederlands geschreven romans: haar debuut ’De bastaard van Mal Abrigo’ (2002) en ’De terugkeer van Lupe García’ (2009).

Ze ademen op alle pagina’s Zuid-Amerika: er zijn cocaplantages en drugskartels, de cocaïne komt in groothandelhoeveelheden. Trujillo beschrijft staatsgrepen en dictators, gevangenissen en gemartelde guerrillastrijders. Het decor van haar volgende boek, waarvan ze inmiddels ruim 150 pagina’s voltooid heeft, is Montevideo. De hoofdstad van Uruguay, haar geboortestad.

Trujillo’s biografie is verknipt tussen Uruguay en ’de polder’. Haar baby- en kleutertijd bracht ze in Montevideo door, tot de militairen haar gezin uiteenrukten. Na de staatsgreep in 1973 belandde haar vader, die lid was van de stadsguerrilla Tupamaros, in de gevangenis. Met haar moeder en zusje vluchtte de vijfjarige Trujillo naar Nederland.

Daar was ze, in een doorzonhuis in Abcoude, ’het gelukkigste kind op aarde’. „We hadden een hond en een verzorgpony. Mijn vader kende ik niet, ik wist dus niet wie ik miste.” Die periode heeft haar als mens gevormd. „Maar niet als schrijfster.” Vanwege, denkt ze, die redelijk rimpelloze voorspoed.

Daaraan kwam een eind toen Uruguay zich van de militairen bevrijdde en Trujillo’s vader uit de gevangenis werd vrijgelaten. Hij landde op Schiphol, Trujillo was vijftien. En diep teleurgesteld bij de aanblik van de man, die in haar fantasie mythische proporties had aangenomen. „Ik had mijn hele jeugd naar hem uitgekeken en over hem opgeschept. In mijn beleving was hij twee meter lang, een vrijheidsstrijder, die een militair van zijn paard had gerukt.”

Maar Latino’s zijn sowieso niet groot, en Trujillo’s vader was ook nog eens ondervoed, verzwakt en kaalgeschoren. „Hij zag eruit als iemand die uit een concentratiekamp kwam. Ik schaamde me, zoals een meisje van vijftien zich voor haar ouders kan schamen. Ik dacht: Mijn vriendjes gaan hem niet stoer vinden.”

Met haar bevrijde maar gebroken vader keerde Trujillo terug naar Uruguay, voor een nieuwe start met het gezin. Die mislukte, haar ouders scheidden. Op haar 21ste vestigde Trujillo zich definitief in Nederland, waar ze ging studeren.

De scène op Schiphol is één van de ’steentjes’ uit Trujillo’s tuin: hij komt voor in ’De terugkeer van Lupe García’, de roman waarvoor ze vorig jaar net niet de AKO-Literatuurprijs kreeg. In het boek besluit hoofdpersoon Lupe García, documentairemaakster in Nederland, om een film te maken in haar geboorteland. Met haar oude vrienden, over de strijd die hun ouders hebben gevoerd tegen de rechtse dictatuur.

Lupe is zeer zelfdestructief: ze snuift cocaïne, zuipt als een gek. Heeft ze dat van u?

„Ja, ik heb ook de neiging om mezelf te vernielen. Van begin 2003 tot Kerst 2005 was ik op reis in Colombia en Uruguay. Dat waren hele chaotische jaren, van m’n 32ste tot m’n 36ste: ik snoof vreselijk veel coke, sliep vier dagen niet en één dag wel. Ik was toen helemaal de weg kwijt.

Op het laatst kreeg ik een hersenbloeding, ik belandde in het ziekenhuis in Montevideo. Daarna vloog ik rechtstreeks terug naar Nederland.

Tijdens die drie jaar schreef ik heel erg veel, deels met de hand, deels op een typmachine, want mijn laptop werd gejat en toen dat nog niet zo was, viel de stroom vaak uit. Dat waren aan elkaar geplakte vellen, van bij elkaar 12 meter lang. Ik heb nog een foto van zo’n sliert verhaal die uit mijn hotelkamertje hing.

Ik kwam terug met twintig kilo papier; al mijn kleren heb ik achter gelaten. Die vellen zitten nu in twee verhuisdozen van Ouke Baas. Later ontdekte ik in die kilo’s drie verschillende verhalen. Eén daarvan is ’De terugkeer van Lupe García’ geworden. Het andere is het boek waaraan ik nu werk, en dat voorlopig ’De zangbreker’ heet.”

Komen daarin weer snuivende, razende personages voor? Is dat uw thema: zelfvernietiging?

„De cocaïne ontbreekt, die heeft in mijn nieuwe roman geen functie. Maar ja, destructief zijn de personages wel. Omdat die nou eenmaal veel spannender en hilarischer zijn dan winnaars. Ze zorgen voor actie, en dat moet in een roman. Ik hou niet van boeken waarin geen fuck gebeurt.”

Dat is een technisch argument. Uw fascinatie voor afbraak en vernieling zit dieper.

„Oké, terug naar Uruguay. Ik heb daar vrienden, veel kinderen van guerrilla’s. Heel getalenteerde mensen. Eén vriend slaapt op straat, een ander drinkt alcohol uit de apotheek als hij geen geld meer heeft. Je wilt niet weten hoe iemand eruit ziet die dat drinkt: een rare grimas, rare blik, nasty.

Eén van mijn vrienden zei op een gegeven moment: ’Ach Caro, we zijn allemaal naar de kloten’. Die opmerking werkte zich een weg naar ’Lupe’, mijn laatste roman. Dat kies je niet, dat gaat zo. Ik denk dat ik in dat boek aan het uitzoeken was: waarom doen ze dat? Waarom doen we dat? Waarom werken we ons zo vol overgave naar de kloten?

Ik ben me gaan verdiepen in psychologische studies over hechting en verlies. Daarin stond: als je in een instabiel nest bent opgegroeid, dan is dat funest voor je zelfbeeld.

Kijk, wij hebben allemaal het signaal gekregen: ’de revolutie is belangrijker dan de kinderen’. Sommige ouders stopten wapens in de dubbele bodems van onze kinderwagens. Dan groei je toch ook niet lekker op.” Lacht, zegt ironisch: „Ik slaap het lekkerst op een AK-47.”

Dat moet akelig zijn, om uw vrienden zo te zien aftakelen.

„Ja. Ik schrijf vaak uit woede, dat is een goede motor. Net als verdriet. Bij ’Lupe’ wás ik heel verdrietig, over mijn allerbeste vriendjes van school. Ze zijn de vernieling in, maar daarom houd ik niet minder van ze.

Ik was ook kwaad op hun ouders, die zo veroordelend over hun kinderen spraken. Zo van: ’Die bakken er niks van’. Lekker makkelijk zeg: zij gingen bommen maken, wapens smokkelen, voor vrijheid strijden, de gevangenis in. Wat voor opvoeding kregen wij intussen?”

Heeft u zelf de chaos en de coke inmiddels bedwongen?

„Daar geloof ik niks van. Dat ik die overwonnen heb. Soms denk ik dat het een aard is, zelfdestructief zijn. Je kunt het wel in toom proberen te houden of in banen proberen te leiden, maar als je even niet oplet, dan ga je weer. Nederlandse vrienden hebben me geholpen, na mijn reis. Heel erg langzaam ben ik weer op de been gekomen. Ik gebruik nog steeds drugs, maar niet langer professioneel. Ik ben nu een pretgebruiker. Roken, dat heb ik wel afgezworen. Saaie drug is dat.”

Een vaderloze jeugd, die gekleurd werd door geweld, guerrillastrijd, gevangenschap. Is dat uw schrijversgoudmijn?

„Guerrilla’s komen ook in mijn nieuwe roman voor. Dat zijn nu eenmaal interessante personages: mensen die bereid zijn over een grens te gaan, die balanceren tussen leven en dood.

Mijn belangrijkste inspiratiebron is, denk ik, de staatsgreep. Stel je voor dat die er niet was geweest. Dan woonde ik nu in Uruguay, had ik zes kinderen en stond ik ravioli te kneden voor de lunch. Dan was ik misschien geen schrijver geweest. Eigenlijk ben ik er maar wat blij mee, maar dat mag je natuurlijk niet zeggen, met zoveel doden.

Die staatsgreep maakte me voor altijd duidelijk dat de dingen compleet willekeurig zijn, dat je je eigen lot niet in handen hebt. Ik vind het heel onzeker, het bestaan. De mensen in mijn boeken hebben geen controle over hun levens.

Nog een cruciale gebeurtenis: het referendum in 1987, waarmee de ’straffeloosheidwet’ werd aangenomen. Die bepaalt dat mensen niet berecht worden voor misdaden, gepleegd tussen 1973 en 1984, op Uruguayaans territorium.

’Ze’ besloten dat we de militairen vergaven. Maar ik vergeef helemaal niks. Ze hebben mij mijn vader afgepakt en mijn vader twaalf jaar van zijn leven. Dat raakte mij toen heel erg.”

Hoe beleefde u die cruciale dag?

„We keken naar het referendum op tv alsof het een WK was, met vlaggetjes, vrienden en familie bij elkaar, tot diep in de nacht. Ik mocht toen niet stemmen, was nog onder de achttien. Wel was ik vrijwilliger, als gastvrouw op een bus die mensen gratis naar de stembus bracht. Ik ging in het groen gekleed, heel Hollands eigenlijk. Groen betekende bij het referendum ’berechten’, geel ’vergeven en vergeten’.

Het was een enorme teleurstelling dat ’geel’ won. Ik kon het niet geloven, het was zo’n klap in je gezicht, mensen waren er echt kapot van.

De geelstemmers waren waarschijnlijk bang dat er weer een dictatuur zou komen. Die dachten misschien: geen gerommel meer. Er was ook vieze propaganda voor de straffeloosheidwet. In een filmpje zag je een gaucho op z’n paard, je hoorde een schot. De boodschap erbij was: ’Wil je niet meer terug naar deze tijd, stem geel’. Dat voedde de angst.”

Het referendum verjaagde u uit Uruguay. Keert u er ooit nog terug, als schrijfster?

„Ik betwijfel het. Ik heb daar niet zoveel meer. Wel een moeder en een vader. We zien elkaar af en toe, we bellen en we mailen.

Ik heb nu toch een culturele clash als ik in Uruguay ben. Dan ga ik in spijkerbroek naar een bruiloft, dat is echt not done. Als mensen aanbellen, zeg ik soms: ’Ik ben aan het werk, doei.’ Ook not done. Ik ben te Nederlands geworden.”

Maar Nederland biedt u toch geen romanstof?

„Nee, het gaat vanzelf: als ik een huis moet beschrijven, dan wordt dat het huis van mijn oma in Uruguay. Zo gaat het ook met buurvrouwen, buurtwinkeltjes, een hond, personages: ze leiden me vaak terug tot plekken en mensen in Montevideo. Ik heb lang gewoond in Nederland, maar het is niet de periode die me gebrandmerkt heeft.”

Maar vóór uw twee Nederlandse romans schreef u een novelle in het Spaans. Over een meisje dat als politiek vluchteling in Nederland woont.

„Ja, dat is waar. Misschien ben ik gewoon aan het valsspelen en maak ik mijn boeken exotisch. Misschien is de wereld voor mij in evenwicht met de Spaanse taal en een Nederlands decor. En andersom: met de Nederlandse taal en een Zuid-Amerikaans decor. Mijn Spaans is inmiddels achteruit gegaan.”

Voelt u zich een ’polderlatina’?

„Nee, absoluut niet. Ik voel geen verwantschap met Nederlandse schrijvers. Ook niet met latino schrijvers, trouwens. Er zijn wel schrijvers met wie ik goed een pilsje kan drinken. Of eigenlijk meestal twintig pilsjes.”

Maar voor nu nog een koffie voor de schrijfster, en een tomatensap met tabasco voor de verslaggeefster. Trujillo bekijkt het venijnige rode goedje met enige afkeer: „Dat was een van mijn welkomstmomenten in Nederland: een jongen die een duim met tabasco in mijn mond stak.”

Het klinkt als het begin van een verhaal, als een steentje uit een schrijverstuin: de beproevingen van een vluchtelingenkind, op doorreis naar het doorzongeluk. Maar de schrijfster reikt verder.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden