Witte man leert van natuurkind

Wesley is de zoon van een schapenboer. Maar liever dan met schapen houdt hij zich bezig met Nietzsche en Heidegger. (FOTO REUTERS)

Hoe tolerant is de cultuur van Europa? Sterker nog: is er wel een andere culturele traditie dan de Europese? Een Australische bijvoorbeeld? Die vraag obsedeert veel schrijvers uit dat continent, onder wie Murray Bail en Kate Grenville. Want wat moet een filosoof in een land van schapenboeren? En hoe slaat een kolonist een brug naar Aboriginals die niet op hem zitten te wachten?

Als we de Australische schrijver Murray Bail mogen geloven, behoort zijn volk tot het minst filosofische ter wereld. In zijn nieuwe roman ’De bladzijden’ beschrijft hij de mensen die er sinds de achttiende eeuw aanmeerden aldus: ,,de eerste aanvoer was een handzaam contingent van veroordeelden, dieven, valsemunters en ongehuwde moeders, vergezeld door ongeschoren soldaten en zwartgallige magistraten, winkeliers, brouwers en wegenbouwers, steenbakkers en vroedvrouwen.’’ De meesten konden hun eigen naam niet eens schrijven, laat staan wijsgerige systemen ontwikkelen.

Deze klacht komt overigens niet van Bail zelf, maar van de verteller, die trouwens net zo over Australië denkt als de hoofdpersoon van het boek. Deze Wesley Antill, zoon van een rijke schapenboer, zoekt zijn intellectuele heil liever in Europa, in het continent van filosofen als Nietzsche, Heidegger en Wittgenstein. Wanneer hij na jarenlange omzwervingen terugkeert naar Australië, sluit hij zich op in een oude schapenschuur en begint aan zijn eigen filosofisch oeuvre. Na zijn dood stelt zijn familie een docente filosofie aan, die uit Wesley’s duizenden bladzijden filosofische notities, of wat daar voor door moet gaan, een systeem moet destilleren. Tot een afgerond wijsgering systeem komt het niet. De laatste bladzijden van de roman bestaan uit losse aantekeningen van Wesley, die qua vorm aan de notities van Nietzsche en Wittgenstein doen denken en qua inhoud aan Heidegger.

Maar om vergelijkingen tussen Stanley’s overpeinzingen en die van de ‘grote’ mannelijke, Europese denkers gaat het niet in dit boek. Belangrijker zijn de tegenstellingen die Bail oproept: tussen psychologie en filosofie, tussen mannen en vrouwen, en vooral tussen de zogenaamde oude en nieuwe wereld. Dat wil zeggen: de oude en nieuwe Europese wereld. Want de Aboriginals, de oorspronkelijke bewoners van Australië, komen in dit verhaal niet voor.

’De bladzijden’’ legt de nadruk op het minderwaardigheidscomplex dat ‘nieuwe’ Australiërs aan het oude moederland bindt. Bails licht ironische toon, die in de vertaling niet helemaal uit de verf komt, maakt deze roman een genot om te lezen, juist omdat hij zijn pijlen niet alleen op de Australiërs, maar ook op de Europeanen richt.

En dan zijn er nog zijn schitterende natuurbeschrijvingen: de eindeloze Australische vlaktes, droog en warm, waar alleen schapen lijken te kunnen overleven. Die ongenaakbare natuur alleen al contrasteert scherp met oude Europese steden als Londen en Amsterdam, die doordesemd lijken van filosofie, kunst en literatuur, en de met bossen, kastelen en wijngaarden omzoomde Duitse rivieren.

De verhouding tussen Australië en het Europese moederland, en de bijbehorende haat-liefde gevoelens, keren in veel Australische romans terug. De strijd die de eerste immigranten moesten voeren om een bestaan op te bouwen in dit woeste, soms ondoordringbare land, heeft schitterende en indrukwekkende literatuur opgeleverd, zoals de verhalen van Barbara Baynton en de prachtige, modernistische roman ’Een krans van bladeren’ van Patrick White, waarin ook de sociale spanningen tussen de immigranten aan bod komen. White kreeg in 1973 de Nobel prijs voor literatuur toegekend. Ook in de romans van Richard Flanagan, William Golding en Jeannie Gunn lezen we over de moeizame voortploeterende kolonisten uit de negentiende en vroeg twintigste eeuw. Soms vormt de strijd om het overleven de achtergrond van een vertelling, zoals in Peter Careys roman ’Oscar en Lucinda’, in 1988 bekroond met de Booker prijs. In de nieuwste (nog niet vertaalde) roman van Richard Flanagan, ’Wanting’, adopteert een kolonistenvrouw een meisje van een inmiddels op de knieën gedwongen Tasmaanse stam. Een beschavingsoffensief dat desastreus uitpakt voor het meisje.

Iets positiever gestemd is hun landgenote Kate Grenville. Anders dan in de meeste klassieke Australische romans, spelen Aboriginals in haar werk een belangrijke rol. In ’De verborgen rivier’ uit 2005 komt een Engelsman, die wegens diefstal naar Australië is verbannen, in contact met Aboriginals die geen idee hebben van persoonlijk eigendom. Ook in ’The Lieutenant’’ uit 2008, onlangs vertaald als ’Het verre paradijs’, draait het om de eerste ontmoetingen tussen Engelsen en Aboriginals. De hoofdpersoon heet hier Daniel Rooke en is in 1787 als sterrenkundige met een Britse vloot op de Australische kust beland. Daar probeert hij zich zoveel mogelijk afzijdig te houden van de andere Britten. Hij bouwt een klein observatorium op een rots, ver weg van het kamp van zijn landgenoten. En hij ontmoet een groepje Aboriginals, dat hem op een gegeven moment bijna dagelijks komt bezoeken.

Anders dan de meeste Britten beschouwt Daniel de Aboriginals niet als onbetrouwbare wilden, en is hij er niet op uit hun land in te lijven. Hij wil hun taal leren. Niet om daarmee gewin te maken, maar zuiver uit zucht naar kennis. Als hij vriendschap sluit met een Aboriginalmeisje lukt het hem daadwerkelijk een begrip van haar taal te krijgen.

Helaas doen Grenville’s beschrijvingen van het ontstaan van deze vriendschap iets te veel denken aan een anachronistische Hollywoodfilm, vooral waar het gaat om de tegenstellingen tussen het vrolijke, onbevangen en luchtig geklede meisje, en de in wollen kleren gestoken, onhandige en neerslachtige Rooke. Natuurkind verovert het hart van een overgeciviliseerde wetenschapper – het is allemaal net iets te romantisch weergegeven, te hedendaags en te westers, zou je kunnen zeggen.

Dat alles neemt niet weg dat Grenville er in slaagt een beeld te schilderen van de Aboriginals zoals je dat in de meeste Westerse literatuur niet vaak tegenkomt. Als de Aboriginals Daniel voor het eerst ontmoeten, zijn ze in het geheel niet geïnteresseerd in hem, waardoor hij zich tot een ding gedegradeerd voelt: „Ze hielden halt voor de hut van Rooke en negeerden hem. Hij voelde zich even oninteressant voor hen als al het andere om hem heen: de hut, de bomen, de man die daar met ineengeslagen handen voor zijn edele delen stond als een geestelijke tijdens het gebed. Hij vermoedde dat deze mensen geen hoge pet ophadden van een man die zelfs de naam van zijn eigen stam nog moest leren.”

Toch is het jammer dat in Grenville’s nieuwe boek de Aboriginals niet zelf aan het woord komen en dat we niet echt vanuit hun perspectief iets over de aankomst van de eerste kolonisten te horen krijgen. Maar in het ’Het verre paradijs’, zou je kunnen zeggen, komen in elk geval Aboriginals voor. In ’De bladzijden’, dat ook over de verhoudingen tussen de ‘oude’ en de ‘nieuwe’ wereld gaat, schitteren ze door afwezigheid.

Die afwezigheid is niettemin veelzeggend. Ze wijst op de jarenlange veronachtzaming van de verhalen van de Aboriginals zelf. Dat heeft alles te maken met de definitie van het begrip literatuur. Wie, net als de hoofdpersoon uit ’De bladzijden’, vasthoudt aan het idee dat literatuur het terrein is van witte mannen ’die werden bezeten door de ambitie om een complex woordenmodel van de wereld te construeren’, zal makkelijk voorbijgaan aan de fascinerende verhalen van de oorspronkelijke bewoners van dit grote continent. Datzelfde geldt voor de geschiedenis van de steenbakkers, ongehuwde moeders en vroedvrouwen, die, anders dan de verteller van ’De bladzijden’ ons wijs wil maken, wel degelijk verhalen over hun strijd om een nieuw bestaan hebben geschreven.

Op die manier draagt zowel het werk van Grenville als van Bail, gewild of ongewild, mee aan de herwaardering voor alles wat jarenlang niet tot de officiële Australische literatuur en de officiële Australische geschiedenis is gerekend, maar er wel degelijk deel van uit maakt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden