Witte bonen

,,Abdul Fattah al-Idrissi verzekert mij dat tussen de vijf en zeseneenhalf miljoen mensen vermoord of verdwenen zijn. 'Nog meer dan Hitler,' zegt hij. Omdat ik eraan gewend ben de meest fantastische getallen uit Iraakse mond te horen, zeg ik maar niet dat het mij zeer onwaarschijnlijk lijkt. Die overdrijving drukt vooral de wanhoop uit van een volk dat machteloos staat tegenover de duizelingwekkende gruwelijkheid waarmee het is behandeld.''

Kais Olewi is een knappe, forse Irakees van zevenendertig, met een litteken in de vorm van een slangetje op zijn voorhoofd. Altijd wanneer hij een bord witte bonen op een tafel ziet staan, wordt hij onwel, omdat hem achttien jaar geleden iets overkwam dat hij zich tot zijn laatste snik zal herinneren.

Hij was negentien toen hij gevangen werd genomen tijdens een van de vele razzia's onder studenten door de politieke politie van Saddam Hoessein. Hij werd naar de Mukhabarat, het hoofdgebouw van de Veiligheidsdienst in Bagdad, gebracht waar hij de volgende ochtend al gemarteld werd, nog voordat hij was ondervraagd. Hij werd aan zijn armen opgehangen als een schaap, vervolgens begonnen ze met de vragen en kreeg hij elektrische schokken toegediend. De man die op de knop drukte was de chef van de drie agenten die zich samen met Kais in de halfdonkere, smalle kelder bevonden. Eerst kreeg hij regelmatig schokken in zijn benen. Toen werden de draden hoger op zijn lichaam aangebracht en kreeg hij ze op de gevoeligste punten: anus, penis en testikels.

Kais Olewi herinnert zich niet dat hij die ochtend - de eerste van een hele reeks - ongetwijfeld heeft geschreeuwd van de pijn. En ook herinnert hij zich de geur van geschroeid vlees niet die van zijn eigen lichaam kwam, maar wel dat de beulen hem vaak vergaten omdat ze met elkaar zaten te kletsen over hun familie of andere banaliteiten, terwijl hij met zijn half ontwrichte lichaam in de lucht hing als één grote bloedende wond. Het liefst wilde hij dat hij het bewustzijn verloor, maar dat gebeurde niet. Tussen de middag kregen de drie agenten een schaal dampende witte bonen voor de lunch. Kais herinnert zich nog precies de heerlijke lucht die in zijn neus kwam. Onder het eten dacht de chef van de agenten af en toe aan de man die daar nog hing, en dan drukte hij weer op de knop. Alsof het zijn beroepseer te na was. Sindsdien kan Kais Olewi geen gekookte witte bonen meer zien.

Kais Olewi kreeg levenslang, maar hij had geluk. Hij zat van 1987 tot 1995 in de gevangenis van Abu Ghraib toen hij door een amnestie vrijkwam. Sinds de val van Saddam werkt hij als vrijwilliger bij de Vereniging van Vrije Gevangenen. Ze is gevestigd in een enorm groot, half ingestort huis aan de Tigris. In rustiger tijden gingen de inwoners van Bagdad daar

's middags heen om er een wandeling te maken in de ondergaande zon die de hemel rood kleurde. Deze plaats ziet nu rood van de borden met foto's van duizenden mensen die tijdens de dictatuur zijn verdwenen. Sommige beelden van gevangenen met door zuren verminkte gezichten zijn te gruwelijk om aan te zien. Al die foto's zaten in de archieven van de Mukhabarat die helaas grotendeels in vlammen zijn opgegaan. Maar de Vereniging van Vrije Gevangenen, die onmiddellijk na de val van Saddam werd opgericht, heeft alle dokumenten van de onderdrukking, die gespaard zijn, weggehaald bij de instellingen van de dictatuur. De gangen, kamers en trappen van het gebouw zijn propvol. Vrijwilligers vullen formulieren in, leggen namenlijsten aan, maken fiches en proberen de menigte, onder wie veel vrouwen, te woord te staan. Zij komen hier om hulp vragen omdat ze zoeken naar hun familieleden die op een kwade dag als bij toverslag verdwenen.

Dit is de grootste mensenrechtenorganisatie in Irak. Zij krijgt hulp uit het buitenland en van de CPA (het voorlopige Amerikaans-Britse bestuur). Haar belangrijkste taak is mensen te helpen hun verdwenen familieleden terug te vinden en hun van de benodigde papieren te voorzien om klachten te kunnen indienen en schadevergoeding aan te vragen bij de toekomstige Iraakse regering. Zij krijgen ook hulp van een groep vrijwillige advocaten. Een van hen, Ammar Basil, vertelt mij enkele huiveringwekkende gevallen. Onder andere het fusilleren van een pasgeboren baby, het kind van een artsenechtpaar dat oppositie voerde tegen Saddam Hoessein. De ouders werden gedwongen de moord op hun kind bij te wonen voordat zijzelf ook werden doodgeschoten.

Abdul Fattah al-Idrissi, de vice-president van de vereniging, verzekert mij, hoe onwaarschijnlijk het ook mag klinken, dat tussen de vijf en zeseneenhalf miljoen mensen vermoord of verdwenen zijn sinds de Baath-partij in 1963 de eerste staatsgreep pleegde en Saddam Hoessein aan zijn onweerstaanbare opmars begon. Dat is ongeveer twintig procent van de Irakese bevolking. 'Nog meer dan Hitler,' zegt hij. Omdat ik eraan gewend ben de meest fantastische getallen uit Iraakse mond te horen, zeg ik maar niet dat het mij zeer onwaarschijnlijk lijkt. Het doet er niet toe. Die overdrijving drukt vooral de wanhoop uit van een volk dat machteloos staat tegenover de duizelingwekkende gruwelijkheid waarmee het is behandeld en die niemand ooit precies, hoogstens bij benadering, zal kunnen documenteren.

De repressie trof alle bevolkingsgroepen, sociale klassen en religies, maar vooral de Koerden en sjiieten. 'Geprivilegieerde' slachtoffers waren de intellectuelen, professoren, schrijvers en kunstenaars, door Saddam meer gewantrouwd dan wie ook. Zelf was hij een leeghoofd, ondanks zijn kortstondige studie rechten in Caïro, waar hij als balling woonde.

Al-Idrissi zegt dat de despoot opeens een aanval van moorddadige paranoia kon krijgen, alsof hij een voorgevoel of een macabere nachtmerrie had gehad. Dan besloot hij dat er een snelle moordpartij moest plaatsvinden als preventieve vergelding. Het is de enige verklaring voor de uitzinnige hoeveelheid slachtoffers die in de massagraven worden gevonden. Soms hadden de slachtpartijen een nauwkeurig doel: bijvoorbeeld het arabiseren van het hele oliegebied van Kirkuk door de Koerdische dorpen uit te roeien en die door soennitische gemeenschappen te vervangen. Of om de sjiietische meerderheid te straffen voor de opstand in 1991. Alle gebouwen van de Baathpartij in de provincies werden gebruikt voor het martelen. De meest toegepaste martelingen waren: elektrische schokken, het uitrukken van ogen en nagels, ophanging tot de ledematen ontwricht waren, de gevangenen verbranden door middel van zuren, en hun lichaam beplakken met in alcohol gedrenkte watten en hen in menselijke toortsen veranderen. Wanneer de familieleden op de hoogte werden gesteld van iemands dood, wat zelden voorkwam, kregen ze een overlijdensacte waarin de dood steevast werd toegeschreven aan 'meningitis'.

De vereniging heeft één schat: een ooggetuige van een van die uitzinnige moordpartijen. Die in Tuz, een dorp ten noorden van Bagdad, aan de weg naar Kirkuk. De man was buschauffeur en hij werd met bus en al door de politie geconfisqueerd. Terwijl hij langs verschillende dorpen reed werd zijn bus volgestouwd met complete families die de politie overal vandaan sleepte. Hij werd door handlangers van de Baathpartij, die de operatie leidden, met zijn menselijke vracht naar een open veld in de omgeving van Tuz gedirigeerd. Daar waren al duizenden mensen die uitgeladen werden uit vrachtwagens en bussen, en onmiddellijk aan het werk werden gezet. Ze moesten een lange loopgraaf graven. De ooggetuige zegt dat hij daar om vier uur

's middags arriveerde en dat het de hele nacht doorging. Toen de sleuf diep genoeg was, zetten de agenten en de leden van de Baathpartij gasmaskers op en drukten hem ook zo'n ding op zijn hoofd. Hij was verlamd van angst. Duwend en schietend dreven zij de doodsbange massa naar de uitgegraven sleuf en gooiden er tegelijk cylinders met giftig gas naartoe. Bij het ochtendgloren was alles afgelopen. De buschauffeur werd door de moordenaars weggestuurd zonder dankjewel voor de verleende diensten. Ze raadden hem aan zijn mond te houden. Het massagraf is al ontdekt. Het is een van de vele die in alle windstreken van Irak tevoorschijn komen met soms vier- tot vijfduizend lijken erin. Al-Idrissi vertelt nog dat sommige slachtoffers niet het geluk hadden te worden vergast, omdat de Baath-aanhangers hen liever levend begroeven.

Een echtpaar reist sinds april het land af op zoek naar hun twaalf jaar geleden verdwenen zoon. Het zijn oude mensen. De moeder is ziek en het enige wat hen op de been houdt, volgens hun dochter, is de illusie het stoffelijk overschot van hun geliefde kind terug te vinden. Ik bezoek deze dochter, mevrouw Al-Sarrat, in een krakkemikkig, houten huisje op palen. 'Mijn leven is vijfendertig jaar verdriet,' zegt ze en ze huilt niet. Haar gezicht lijkt van espartogras: hard en als het ware verdord van wanhoop. Zij is een leeftijdloze vrouw, gehuld in een zwarte abaya die alleen haar gezicht vrijlaat. Naast haar zitten haar twee dochters, nog heel jonge meisjes, ook in sluiers gehuld, onbeweeglijk en zwijgend als twee tragische beelden. Het is heet in de eenvoudige kamer die vol foto's hangt. Uit het raam heb je een schitterend uitzicht op de Tigris.

'Wij werden door de ene ramp na de andere getroffen. De eerste overkwam een van mijn broers. Hij zat op de middelbare school. Op een dag werd er geld ingezameld voor de begrafenis van een overleden klasgenoot, en hij tekende een lijst. Iemand heeft die lijst naar de Veiligheidsdienst gestuurd, terwijl het een zuivere daad van naastenliefde was. Alle jongens werden gearresteerd en tot tien jaar gevangenisstraf veroordeeld wegens samenzwering. Sommigen zijn in de gevangenis overleden.'

Een andere broer van mevrouw Al-Sarrat was militair. Tijdens de oorlog tegen Iran raakte hij driemaal gewond. 'Een held zou je zeggen, nietwaar?' Maar op een dag werd hij gearresteerd. Iemand had hem aangegeven omdat hij uit het leger wilde vluchten. Dat is een misdaad waarvoor je, als je niet ter dood wordt veroordeeld, de gevangenis ingaat en bovendien je ene oor wordt afgerukt. De familie kwam er toevallig achter, want ondanks zoektochten langs talloze officiële centra kregen ze nooit iets te horen. Zij hebben nooit meer iets van hem vernomen.

Kort na deze tweede ramp overkwam hen de derde. De vader werd gearresteerd en verdween in de nacht van de dictatuur. Drie jaar later kreeg de familie een papier van een onbekende man: 'Ga naar de Abu Ghraib gevangenis.' Dat is een gevangenis buiten Bagdad waar de vreselijkste martelingen en politieke moorden hebben plaatsgevonden. Daar zat de vader. Zij mochten om de zoveel maanden enkele minuten bij hem op bezoek. Zes jaar later werd hij even mysterieus als hij gevangen was genomen, weer vrijgelaten. Ze hadden hem nooit verteld waarom hij was gearresteerd.

Tot slot was de jongste broer aan de beurt. Hij verdween tijdens de sjiietische opstand in 1991 die door de regering in een orgie van bloed werd onderdrukt. Hij was soldaat in de oorlog tegen Koeweit geweest. De laatste keer dat iemand hem had gezien was hij soldaat in Najaf. Sindsdien is er niets meer over hem bekend. Hij is degene naar wie de ouders van mevrouw Al-Sarrat op zoek zijn, een smartelijke pelgrimstocht langs de massagraven.

Als ik duizelig van dit bad van leed en barbarij afscheid neem van mevrouw Al-Sarrat, steek ik mijn hand naar haar uit in plaats van met mijn rechterhand op mijn hart de gebruikelijke groet te brengen. Ze kijkt me geschrokken aan.

's Middags vertelt een vrouw die op het kantoor van de VN werkt, me over een onderzoek van America's Watch naar de verkrachtingen en ontvoeringen van vrouwen in Bagdad sinds 9 april. Dit thema is taboe, want volgens de traditionele moraal is een verkrachte vrouw in de Iraakse maatschappij een smet voor de eer van haar hele familie. In plaats van medelijden en solidariteit verdient zij verstoting en haat. Zij weet dat haar leven ten einde is, dat ze nooit zal trouwen en dat ze in haar eigen huis zal worden buitengesloten en bespot. Om de belediging ongedaan te maken, wordt zij niet zelden door haar vader of een broer gedood. Justitie was altijd heel coulant tegenover deze middeleeuwse 'moorden die werden gepleegd om de eer te herstellen' en de daders werden altijd symbolisch tot nauwelijks drie of vier maand gevangenisstraf veroordeeld.

America's watch heeft vijfentwintig getuigenissen verzameld van meisjes en vrouwen die in Bagdad door struikrovers zijn ontvoerd en verkracht. Maar zij weigeren natuurlijk de misdaad aan te geven waarvan zij het slachtoffer waren. Niet omdat de politie en de rechtbanken op dit moment niet functioneren. Maar omdat de eindeloze vernederingen die dappere vrouwen vroeger moesten ondergaan die wel aangifte durfden te doen, geen enkel praktisch resultaat hebben gehad. Ze werden alleen nog meer geminacht en getreiterd in het openbaar, en nog vijandiger behandeld door hun eigen familieleden. Volgens het rapport proberen de verkrachte meisjes en vrouwen wanhopig te verbergen wat hen overkwam, uit schaamte en spijt, alsof zij inderdaad zelf als enigen schuldig zijn aan hun ongeluk.

Nu begrijp ik beter waarom er gisteren bij de deur van de universiteit van Bagdad, waar ik op bezoek was, zoveel huismoeders op hun dochters stonden te wachten om hen naar huis te begeleiden alsof ze kleuters waren.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden