WINTERWANDELING LANGS HET NIEUWE MEER

Een grote donkere roofvogel en twee kraaien vlogen op uit het struikgewas. Laag over het meer wiekte de buizerd weg, de kraaien vlak boven hem. IJzige vrieskou waaide ons tegemoet van over het water. Op het oeverriet was het klotsende water verstard in grillige doorschijnende torens, maar het meer zelf lag nog open.

De volksmond wil dat februari drie zomerse dagen telt. Aan de temperatuur hebben we dat niet gemerkt, maar over zon hadden we niet te klagen. En het was op een van die zonnige vriesdagen dat we gingen kijken hoe de Vietnamweide erbij lag. De weide in het noordelijke deel van het Amsterdamse Bos, die ten tijde van de Vietnamoorlog diende als vertrekpunt van demonstraties naar de Amerikaanse ambassade aan het Museumplein. De weide die vorig jaar het toneel was van acties om de bouw van een grootschalig tenniscentrum tegen te houden op een plek waar zich spontaan natuur had ontwikkeld. Zelfs een kapverbod van staatssecretaris Gabor heeft niet kunnen verhinderen dat het bouwproject doorgang vindt. Hoge hopen grond, verzet door bulldozers en draglines die het geboomte hadden verwijderd, boden een troosteloze chaos. Alleen een rij populieren herinnerde nog aan de plek waar in de nazomer boomvalken met hun pas uitgevlogen jongen op libellen jaagden en in de winter houtsnippen rondscharrelden tussen het dorre blad onder de struiken.

Mistroostig stapten we naar de oever van het Nieuwe Meer, waar de ontmoeting met de buizerd ons op andere gedachten bracht. Er was genoeg te zien: het golvende water was gespikkeld met watervogels. Tussen de honderden meerkoeten vielen de kuifeenden op, met name de mannetjes met hun karakteristieke zwart en witte verenkleed. De donkerbruine vrouwtjes zijn altijd wel in de buurt te zien, maar die herken je eerder aan hun kleine gedrongen model dan aan hun kleur. De koeten zijn tegenwoordig de talrijkste watervogelsoort op het meer. Vroeger was dat anders. Dan telden we hier duizenden smienten, een eendesoort die je hier nu zelden meer ziet. Ze zijn verkast naar de Ouderkerkerplas, een tiental kilometers in zuidoostelijke richting, waar ze ongestoord de dag doorbrengen en grazen op de 's winters niet toegankelijke oevers. Koeten hebben minder moeite met drukte van mensen en ook nu graasden er tientallen op de meeroever bij de jachthavens. Wat afzijdig hielden zich een stuk of tien waterhoentjes die even ijverig rondpikten naar kiemplantjes en andere kleine zaken tussen het gras.

Mosseleter

Vlak bij de oever dook een brilduiker op, een grijs gekleurd vrouwtje met wit op hals en vleugels en een roodbruine kop. We speurden tevergeefs naar woerden, die er veel meer opvallen: met meer wit dan de kuifeenden, zwarte strepen op de rug, een dikke zwartgroene kop en een witte brilvlek voor het oog. Het bleef bij dat ene vrouwtje, toch al redelijk bijzonder omdat brilduikers doorgaans op zee overwinteren. Deze duikeenden broeden in de koude streken van het noordelijk halfrond tot op Groenland en IJsland en in Noord-Rusland. Ze leven vooral van waterinsekten en weekdieren. In ons land voeden de overwinteraars zich vooral met mosselen, hier in het Nieuwe Meer met driehoeksmossels. Dat is ook het hoofdvoedsel van de kuifeenden.

Bij de sluis zwommen twee futen naar elkaar toe. Luid klonk hun 'korrrrrr... korrrrrrrr' over het water. We herinnerden ons van vroeger dat aan het slootje bij de sluis vaak een ijsvogel zijn vaste visstek had. Hij was er niet: het water lag dicht. Er was wel een glanskopmees, kleiner dan een koolmees en meer bruin, met een glanzend zwart petje, bezig de takken naar insektjes af te zoeken. Van vlakbij keek hij ons aan met een groot donker druppeloog, voordat hij in golfvlucht tussen de takken verdween. Tien minuten later hoorden wij zijn snelle 'pie-tje-pie-tje-pie-tje...' in het bos achter ons.

Oren van Judas

In het verjongde Koenenbos hadden de vlieren al klein blad. Op hun gegroefde stammen zaten keiharde donkerpaarse propjes, die als het weer zou gaan regenen snel zwellen tot zachtbruine oorachtige lappen. Deze judasoren zijn voornamelijk op oude vlieren te vinden. Hun naam verwijst naar een Christuslegende, waarin Judas zich na zijn verraad verhing aan een vlier.

Er waren nog veel meer paddestoelen te vinden: hele tribunes van elfenbankjes, waaraan je niet kon zien dat het 's nachts gevroren had dat het kraakte, en grote groepen fluweelpootjes, het slijmerige vocht op de botergele hoeden verijst als glazuur.

Hoog in een paar populieren zat een troep koperwieken in de zon. Ze maakten een geluid dat deed denken aan het gebabbel van sijsjes. Het zachte kwelen stopte abrupt toen we onder de bomen bleven staan. Geritsel op de grond vestigde onze aandacht op een troepje merels, een stuk of tien, die de dorre bladeren opzij gooiden op zoek naar wormen. Er waren ook koperwieken bij, wat ons de gelegenheid gaf ze goed te bekijken. Koperwieken lijken veel op onze zanglijsters, maar hebben een lichte wenkbrauwstreep en de borst is onscherper gevlekt. Op hun zij hebben ze een roestrode vlek, die net onder de vleugelrand uitkomt, als de vogel over de grond hipt. In de vlucht zie je die vlek beter en tegelijkertijd op elke vleugel twee lichte dwarsbanden, wat een zanglijster niet heeft.

Over de bevroren sloot die de grens vormt met het rietveld, liepen we onder hoge elzen door en langs half omgevallen grauwe wilgen, die niet genoeg houvast meer vonden in de veengrond. De zilveren wilgepoesjes kwamen al tevoorschijn van onder de bruine knopschubben vandaan. Een paar koolmezen begeleidden ons een tijdje. Als een vlugge muis schoot een winterkoning over het ijs naar de dekking van een wortelkluit, waar hij zijn alarmerende ratel liet horen.

Op de weiden van Meerzicht was niets bijzonders te zien. In milder winters waren rond deze tijd de kieviten al druk in de weer. Nu was alleen een troepje houtduiven in de verte de krop aan het vullen. Zelfs de hazen hielden zich gedrukt in hun leger aan de bosrand, terwijl je anders wel zo'n drie, vier of vijf in de weilanden kon zien zitten.

Als voor een herbarium gedroogde planten hingen de groene veren van stekelvarens neer uit een knotwilg aan het dijkje bij de boerderij. We namen ons voor de wandeling weer te maken in de lente, als de wilgen bloeien en de weidevogels weer lawaaien boven de weilanden van de kleine polder aan het Nieuwe Meer.

NATUUR DEZE WEEK

Een lezeres uit Hoorn meldt (hoewel ze het 'nogal flauw en vermoeiend vindt als natuurvorsers tegen elkaar opbieden met wat ze al of niet gezien, gehoord of geroken hebben') dat ze het eerste bloemetje van het speenkruid vond op de zonovergoten nieuwjaarsdag, aan de noordkant van een slootje, dus lekker in de zon. Het eerste klein hoefblad vond ze op 5 februari, op dezelfde dag als ik. Mij gaat het overigens evenmin om prestaties, maar om mensen erop te attenderen dat er weer wat te zien valt. - Dat ondanks de koude de lente gewoon doorgang vindt, bleek ruim een week geleden. Willemijn zag in onze tuin een paring van eksters. 'Ze maakten zo'n lawaai dat ik dacht dat een roofdier een ekster gepakt had. Het vrouwtje lag plat op de grond, met de vleugels uitgespreid.' - Op diezelfde dag zag ik twee futen paren op een nest in een Amsterdamse gracht. De futen die deze winter in de stad zijn gebleven, dragen nu allemaal hun fraaie bruiloftstooi: een tweepuntige kuif, die ze als horens kunnen uitzetten en een brede halskraag van roodbruine en zwarte veren, die een rol spelen bij de balts, het voorspel tot de paring. Futen op buitenwater missen die sierveren meestal nog. - In de komende week kunnen de eerste lepelaars uit het zuiden naar de broedkolonies terugkeren. - Niet alleen vlieren en meidoorns, ook rode kamperfoelie en tuinkamperfoelie hadden al blad voordat de koude inviel. Ook toonde de clematis in de tuin al uitlopende knoppen. Na de dooi groeien ze weer gewoon door. - Steeds meer forsythia's bloeien nu tegelijk met de winterjasmijn, die al eind november in bloei kwam. - In de Amsterdamse hortus zag ik de dwergachtige lisjes Iris histrio en Iris histrioides in volle bloei.

EN VERDER

Publieksactiviteiten van het IVN: vandaag wandeling landgoed Oosterbeek, om 14 uur Van Brienenlaan hoek Waalsdorperlaan in Den Haag; morgen uitlopende knoppen en andere lenteboden bekijken in het Amsterdamse Vondelpark. om 11 uur in het park onder de brug bij de Van Baerlestraat; landgoed Clingendaal in Den Haag, om 14 uur ingang Wassenaarseweg. - Tot 30 mei staat in het Natuurmuseum Nijmegen, Gerard Noodtstraat 21, de tentoonstelling 'Kerkuilen in Nederland'. De kerkuil is een van de meest bedreigde Nederlandse vogels door de verdwijning van kleine landschapselementen zoals heggen en houtwallen en door de veranderde bedrijfsvoering op de boerderij. Het museum is open van maandag tot vrijdag van 10.30 tot 17 uur, op zondag van 13 tot 17 uur. - Tot 17 april zijn in het Natuurmonumenten- bezoekerscentrum Oisterwijk, Van Tienhovenlaan 5, allerlei diersporen te zien, van loopsporen, vraatsporen, braakballen, keutels en woonsporen tot resten van dode dieren. Open van 10 tot 17 uur, alleen op maandag gesloten. - Kinderen van zes tot acht jaar kunnen zelf ontdekken en zich met gebruik van alle zintuigen verplaatsen in de wereld van rups, bij en slak op de verrassende doetentoonstelling 'Rikkie Rups' in het Pieter Vermeulen Museum, Moerbergplantsoen 20, IJmuiden. Bloemen, bomen, geuren, geluiden en het weer spelen een grote rol. Open van maandag tot en met vrijdag van 9.30 tot 17 uur en op de eerste zondag van de maand van 11 tot 17 uur. - Op zaterdag 12 maart vindt in Zoetermeer een werkdag plaats voor natuur- en landschapsbeheer door jongeren. Informatie daarover geeft Inge de Vos, Korinthestraat 13, 2711 GS Zoetermeer, tel. 079- 421172.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden