Windstilte

De bekendste ziektes zijn ook vaak de moeilijkst bestrijdbare. Dat geldt voor medische kwalen evengoed als voor artistieke. Ongetwijfeld de meest fameuze creatieve ziekte is het 'writer's block', het gevoel van de schrijver dat hij vastzit en niet meer verder komt, nooit meer.

Wie (bijvoorbeeld omdat hij zelf vastzit en niks beters weet te doen) op Internet rondsurft komt op liefst 3291 sites het begrip 'writer's block' tegen. Weliswaar komt een aanzienlijk deel daarvan op rekening van een Amerikaans literair tijdschrift van die naam (op zich ook al veelbetekenend, zo'n naam voor een schrijvers-magazine), maar de rest gaat voornamelijk op aan pijnbestrijders: tientallen auteurs bieden methodes aan om het 'writer's block' te bestrijden.

In de Universiteitsbibliotheek van Amsterdam treft men daarentegen slechts één enkele titel met het begrip 'Writer's block' aan, een boekje van de Belgische cartoonist Kamagurka, waarvan men geen al te studieuze analyse mag verwachten. Ook een gezaghebbende instantie als de Encyclopedia Brittanica levert niets op.

Het verschil is typerend, geleerden weten kennelijk nauwelijks iets zinnigs over het writer's block te melden, het begrip circuleert daarentegen volop in minder geautoriseerde kringen. Een van die Internet-sites leverde zelfs een aardige afbeelding van het probleem op, namelijk een geheel lege pagina. Op een ander trof ik een gedicht aan van een zekere Adam Burgasser dat eindigt met de woorden:

So ends another listless day without a word to spot it, yet, come with poverty, a phobic thought remain upon it; if no impressions have been made sufficient for a giving, what quantity of this poor author's life has been spent living?

Oftewel, als je blijkens een writer's block zo weinig inspiratie opdoet in het dagelijks leven, wat stelt het bestaan dan eigenlijk voor? De schrijversangst als existentieel tekort. Het enorme aanbod writer's blocks op Internet suggereert een fikse devaluatie. Geen behoorlijke schrijver zonder stagnerende pen, lijkt het. Je krijgt zelfs het gevoel dat het writer's block het handelsmerk van de gemiddelde schrijver is. Wat dat aangaat heeft het allemaal iets weg van een modeverschijnsel.

Van oudere schrijvers, zoals Simon Vestdijk of W. F. Hermans, hoorde men zelden over de onmacht tot schrijven. Ze kenden het verschijnsel waarschijnlijk wel degelijk, maar in hun eigen literatuur thematiseerden ze het niet. In de hedendaagse letteren, met al haar aandacht voor de schrijver en het schrijfproces zelf, lijkt het writer's block daarentegen een grote vlucht te nemen.

Al mogen dan zoveel schrijvers er van tijd tot tijd aan lijden, een eensluidende beschrijving van de kwaal is niet voorhanden. Zoveel schrijvers, zoveel writer's blocks, lijkt het. Het hangt ook van de auteur zelf af of hij het niet-kunnen-schrijven als een last of blokkade ervaart. De een vreest misschien na een week nietsdoen al dat hij vastzit, terwijl de ander pas na een jaar echt in de gaten heeft dat hij niet creatief meer is. Zelf heb ik de ervaring dat een writer's block zich voornamelijk in retrospectief aandient. Opeens merk je dat je al een tijdje niet meer hebt geschreven, zoals je je opeens realiseert dat de vogels niet meer zingen. Er slaat een lichte paniek toe, alsof je zonder het te weten een onbekende ziekte onder de leden hebt. Natuurlijk heeft dat gevoel wel degelijk met een zekere duur te maken, de onvruchtbaarheid is al een maandje of wat gaande en je hebt het in de tussentijd ook wel geprobeerd, misschien is er zelfs een enkele pagina ondanks alles geslaagd - de meeste writer's blocks zijn versluierend en het kost enige moeite en durf om de diagnose definitief te stellen. Immers, de ziekte stigmatiseert; wie de schrijversangst voor zichzelf heeft vastgesteld ontkomt er ook niet meer aan, terwijl degene die het voor zichzelf niet toegeeft misschien nog wat doorpruttelt en misschien ook ineens de geest weer krijgt.

Overigens zijn er ook schrijvers die er geen last van hebben. Sybren Polet merkt in zijn studie 'De creatieve factor' op: “De bekende 'angst voor de witte pagina', de verbale 'horror vacui', kent lang niet iedereen; er zijn ook schrijvers die door wit en leegte geïnspireerd, uitgelokt worden; anderen maken in het beginstadium bij voorkeur gebruikt van oude rekeningen en reeds aan één kant voorbeschreven vellen waar de letters doorheen schemeren. Het heeft allemaal te maken met de juiste voorconditionering en de opwekking van de creatieve staat. En ten slotte is het toeval vooral gunstig gezind aan wie het toeval goed hebben voorbereid en die er iets mee weten aan te vangen als het zich aandient.”

Eén van de cartoons van Peter van Straaten in zijn bundeling 'Literair leed' speelt met die vruchtbare leegte. Een schrijversvrouw kijkt over de schouder van haar man naar het witte vel in de schrijfmachine en zegt: 'O schat, ik zie dat de kunst van het weglaten bij jou de absolute graad van perfectie heeft bereikt'.

Over absolute writer's blocks zijn wij, qualitate qua, gemiddeld slecht ingelicht. Talloze schrijvers kennen langdurige pauzes in hun werk of zelfs definitieve stilstand. Er komt niks meer uit, de muze lijkt verdord en inspireert hem zelfs niet meer tot het hoogst haalbare van een echt writer's block: een beschrijving van de kwaal.

Karakteristiek genoeg is de meest desastreuze vorm van een writer's block dan ook niet in de literatuur maar in de film vormgegeven. De schrijver (Jack Nicholson) in 'The Shining' opereert in de wintermaanden als huisbewaarder van een afgelegen hotel. In een mum van tijd komt hij creatief vast te zitten en weet niets anders meer voort te brengen dan eindeloze vellen met dezelfde tekst; 'All day and no work makes Johnny a dull boy', oftewel: de hele dag niksdoen maakt dat Jantje zich verveelt. Ten slotte probeert hij loeiend zijn familie af te slachten en eindigt als ijspegel in de hoteltuin.

Uit de literatuur zijn voornamelijk mildere vormen bekend. De bekendste variant is wel die waarin de schrijver zijn eigen vastzitten tot onderwerp neemt en zo uit zijn creatieve impasse alsnog een kunstwerk schept. Het befaamdste voorbeeld uit de Nederlandse literatuur is wel het gedicht 'Impasse' van Nijhoff, dat voor de meeste scholieren de eerste kennismaking met het fenomeen biedt:

Wij stonden in de keuken, zij en ik. Ik dacht al dagen lang: vraag het vandaag. Maar omdat ik mij schaamde voor mijn vraag wachtte ik het onbewaakte ogenblik.

Maar nu, haar bezig ziend in haar bedrijf, en de kans hebbend die ik hebben wou dat zij onvoorbereid antwoorden zou, vroeg ik: waarover wil je dat ik schrijf? Juist vangt de fluitketel te fluiten aan, haar hullend in een wolk die opwaarts schiet naar de glycine door het tuimelraam. Dan antwoordt zij, terwijl zij langzaamaan druppelend water op de koffie giet en zich de geur verbreidt: ik weet het niet.

Of in dit gedicht een zuiver writer's block beschreven wordt is natuurlijk nog maar de vraag, er staat nergens dat de schrijver echt volkomen vastzit, maar één aspect ervan is toch evident; hij weet niet waarover hij moet schrijven en beschrijft dan uit arren moede dát maar. Resultaat: een subliem gedicht over een impasse, die het dus niet is.

De Italiaanse regisseur Fellini gaf een nog duidelijker voorbeeld. In zijn film 'Otto e mezzo' toont hij een regisseur die om allerlei redenen komt vast te zitten met het scenario. Vlak voor de opnamen besluit hij al die ervaringen en gedachten die hem juist blokkeren tot onderwerp van de film te maken. Z'n beste film, volgens de kenners.

Het min of meer creatieve writer's block oefent een grote aantrekkingskracht uit op naoorlogse schrijvers. In zijn roman 'De eeuwige stad' beschrijft Nicolaas Matsier een schrijver die naar Rome gaat om daar een roman te produceren. Juist zijn verwachtingen van die roman, alles wat hij zich almaar voorneemt, blijkt hem vervolgens dwars te zitten en er komt niks van terecht. Zijn beschrijving van het writer's block, hoe individueel ook, is heel precies en adequaat. Uiteindelijk blijkt hij vooral te worden gefrustreerd door het beeld dat hij zelf van het schrijven heeft. In dat opzicht doet dit writer's block denken aan een ziekte als anorexia: men voldoet niet aan de eigen verkeerde en onrealistisch gespannen verwachtingen:

“Het valt hem moeilijk schrijven als een vorm van arbeid te zien. Eigenlijk is het beeld dat hij van schrijven heeft door en door romantisch. Het onderscheidt zich in niets van de clichés die in films voorkomen: de constant krassende pen, de blik door het raam, en het duurt maar even of de pen krast alweer voort. Idem: de vrolijk en ijverig ratelende typemachine. Het boek dat in één adem geschreven wordt, in trance. Het boek dat zichzelf schrijft, in feite, met de schrijver als dommekracht. De roman als doorlopende, continue beweging, precies zo geschreven als de lezer hem leest, in hetzelfde tempo vrijwel, een droom met scherpe contouren.

Niets is verder van hem verwijderd. Hij schrijft slechts dan zonder moeite, als hij meent dat het om een voorlopige tekst gaat. Maar gewoonlijk meent hij dat van hem direct een definitieve tekst verlangd wordt en begint hij keer op keer opnieuw, op een wit vel, waar de woorden het koud krijgen als ze te lang alleen zijn. En wanneer zich desondanks iets van een beweging aandient op papier, rust hij niet voordat die is afgelegd in een alinea in plaats van haar te volgen waar zij gaat.''

De schrijver in 'De eeuwige stad' schrijft ten slotte niks (Matsier wél intussen, zodat hij tenminste profiteert van de impasse van zijn personage). Joost Zwagerman probeerde het in 'Chaos en rumoer' anders: zijn hoofdpersoon neemt zich voor juist zijn impasse te gelde te maken en een roman te schrijven over een writer's block. Hij realiseert zich terdege op welk glad ijs hij zich begeeft: “Toen hij van tafel opstond, bedacht hij dat het misschien geen gek idee was om aan een roman te beginnen over een schrijver die maar niet aan het schrijven komt. Toegegeven, zoiets was al ontmoedigend vaak gedaan. Bovendien werd het schrijvers doorgaans afgeraden het vak zelf tot onderwerp te maken, niet in de laatste plaats door oude, eerbiedwaardige literatoren die het konden weten omdat ze zich er ooit zélf aan hadden bezondigd.”

Zwagermans reserves bleken niet uit het luchtledige gegrepen. 'Chaos en rumoer' werd allerwegen gekraakt, juist vanwege het voor de hand liggende onderwerp van een schrijver die z'n eigen nietsdoen tot onderwerp neemt. De durf om het desondanks te proberen werd niet beloond.

Dat creativiteit en impasse dichtbij elkaar liggen blijkt overigens uit een ijzeren wet: wie aan een writer's block lijdt moet eerst het nodige geschreven hebben. Dat geldt vaak heel letterlijk. Uit eigen ervaring weet ik dat een writer's block meestal optreedt als je juist iets afgemaakt hebt. Het gevoel iets te hebben afgerond, gevoegd bij de gedachte dat je nu iets heel nieuws moet maken, verlamt je creativiteit. Maandenlang volgt er niks meer en langzaam slaat de angst dat de inspiratie helemaal op is, toe. Totdat de vorige bevalling langzaamaan vergeten raakt en er toevallig weer iets opborrelt, vermoedelijk het begin van het vervolg.

Wat dat betreft doet het writer's block sterk denken aan een postnatale depressie of aan de wijsheid van 'post coïtum omne animal triste'. Je moet er iets voor verricht hebben om de kwaal op te lopen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden