Wim de Nijs

“Als jongen van veertien kwam ik met mijn vader langs Schiphol. Ik weet nog dat ik dacht: als je piloot bent, heb je meer kans om dood te gaan. Nu zit ik dagelijks zo'n vijf uur in de lucht. Er kan eigenlijk niets gebeuren. Een botsing is bijna uitgesloten, de vliegtuigen zijn heel betrouwbaar en met alle fouten die een cursist kan maken, ben ik intussen vertrouwd. Het belangrijkste is de communicatie: tussen de piloten in de cockpit en met de luchtverkeersleiding. Een ongeluk ontstaat zelden doordat een piloot de knuppel niet op het juiste moment naar zich toe haalt. Ik heb anderhalf jaar geprobeerd de communicatie tussen mij en de verkeersleiding te verbeteren. Uiteindelijk is de zaak geëscaleerd. Voor mij is het nu geschiedenis, een heel ingewikkelde geschiedenis.

Een tijd lang stonden mijn drie Pipers - twee eenmotorige en een tweemotorige - er heel zielig bij. Maar nu heb ik alweer zestien cursisten. Vooral twintigers, ze hebben Havo of VWO gedaan, of een tijdje bij pa in het bedrijf gewerkt. Ze volgen bij mij een basisopleiding van anderhalf jaar voor verkeersvlieger.

Om een uur of acht begin ik met wat administratieve dingetjes. Om negen uur ga ik naar school, een rij luxe eengezinswoningen waar wordt gewerkt, geleerd en gewoond. De meeste van mijn klanten komen net als ik uit het westen, die huren een kamer. Op school drinken we een half uurtje koffie. Dan zwermen we uit naar het vliegveld. Om half elf hangen we. Na een uur en een kwartier is er een crew-change en wordt er gedebriefed. Tussen de middag drink ik thee, soms thuis. 's Middags vlieg ik weer. Het klinkt saai, maar in de lucht pakt elke dag anders uit.

Vliegen is mijn tweede carrière. De centjes heb ik eerder als postzegelhandelaar binnengehaald. Op mijn zestiende nam ik mijn eerste lessen. Vijf jaar geleden ben ik in Eelde voor mezelf begonnen. Vliegveld Eelde is een klein dorp, een besloten gemeenschap. Er zijn hier twee diepgewortelde clubs, die vanouds bestaan uit notabelen uit de regio, zeg maar de jetset van Groningen. Mensen die af en toe een stukje rond de Martinitoren willen vliegen. Tegenwoordig zijn Jan en Piet met de kapotte spijkerbroek ook lid, maar er is een harde kern van heren die daar, aan de bar achter een whisky, met opgetrokken wenkbrauwen naar kijkt. Zo van: dat moeten we hier niet.

Ook mij zagen ze als een ongewenste gast. Ik ben een optimistische, vrije jongen, dat straalde ik ook uit. Mijn school ging als een raket. Al met al vond men mijn aanwezigheid niet zo gaaf. De leden van die clubs niet, en ook de verkeersleiding en de directie niet. Het is hier allemaal één pot nat, er bestaan sterke onderlinge banden. Hoe ik merkte dat ze mij niet pruimden? Ik kon bijvoorbeeld heel vaak niet meteen landen. Ga maar een rondje vliegen, werd er dan gezegd. Dat men mij dwars wilde zitten, werd me ook op andere manieren duidelijk. Vier jaar geleden zou ik met Henk Wijngaard naar Mallorca. Hij had een brevet, we zouden er samen heen vliegen, met twee bandleden achterin. Ik zou hem korting geven op wat lessen buitenland-vliegen. In ruil daarvoor zou ik een week lang het showbizz-leven kunnen meemaken. Twee weken voor het vertrek belt hij af: het hotel waar we heen zouden was failliet. Een jaar of twee later kwam ik hem weer tegen. Er waren hier toen al spanningen. Henk zei tegen me: 'weet je nog dat ik zei dat dat hotel failliet was?' Het bleek een smoes. De ware reden was dat hij telefoontjes had gekregen uit Eelde. 'Ga jij op reis met die De Nijs? Dan zou ik eerst maar eens even in zijn koffertje kijken', was er gezegd. Zo zijn er tientallen voorbeelden.

Anderhalf jaar lang heb ik over me heen laten lopen. Ik wilde het met praten oplossen. Stelde voor om elke vrijdag een irritatie-gesprekje te houden, vergeefs. In oktober 1995 heb ik bij de minister aangeklopt, en vervolgens op haar instigatie met een aantal hoge piefen van de Rijksluchtvaartdienst en de luchtverkeersleiding om de tafel gezeten. Ze zeiden: het kan best zijn dat heel Nederland elke dag eerst zijn rechterschoen aantrekt en jij de linker. Daar is niets op tegen, maar begin jij nou ook eens elke dag met je rechter. Er kwam uit dat er een commissie moest komen waar ook ik met klachten heen kon.

Ik zat bij dat voorstel te glimmen, want in feite hoefde ik niets in te leveren, ik hoefde mij niet aan te passen. In de media is het beeld ontstaan dat ik een drammer ben, maar ik ben een heel normale vent. Ik kan prima met mensen omgaan, anders had ik mij in die postzegel-business echt niet kunnen handhaven.

Begin februari 1996 zei Eelde nee tegen het voorstel. Men wilde botweg maar één ding: mij aan de grond houden. Maar het was onmogelijk mij zomaar te weren. Dit vliegveld is net zo toegankelijk als de A 28. In maart werd ineens het huurcontract van mijn kantoorruimte op de luchthaven opgezegd. Toen zag ik nog maar twee mogelijkheden: hier weggaan of de confrontatie zoeken. Ik koos voor het laatste, want Eelde is gewoon de plek om een heel grote vliegschool op te bouwen.

Eelde heeft geprobeerd mij af te schilderen als een gevaarlijke gek, ik zou de veiligheid van mensen in gevaar hebben gebracht. Directeur Van der Werff heeft een keer openlijk gezegd: 'we zullen ervoor zorgen dat jij in de bak komt'. Ik mocht een tijdje niet meer starten en landen op Eelde en heb een terreinverbod gehad, maar uit allerlei onderzoeken is gebleken dat ik nooit riskante situaties heb veroorzaakt.

In de strafzaak ging het in hoofdzaak om de vraag of ik de herkenningsmelodie van de Flintstones op de luchtvaartfrequentie heb uitgezonden. Ik werd opgepakt, daardoor heb ik in de media de bijnaam Captain Flintstone gekregen. Ik kan er wel om lachen, van mij mogen ze me daar op mijn zestigste nog aan herinneren. Maar het zou niet in me opkomen het vliegverkeer te storen, dan zou ik mijn brevet kwijtraken. Ik heb dat liedje niet uitgezonden en nooit Yabbadabbadoo over de radio geroepen.

Een andere kwestie was dat ik ondanks het terreinverbod het platform waar mijn vliegtuigen stonden, heb betreden. Tsja, ik wilde gewoon even naar mijn vliegtuigen toe. Verder zou ik mijn auto in de tuin van Van der Werff hebben geparkeerd. Maar ik heb daar niet gestaan. Wel heb ik mensen tot wanhoop gebracht met onschuldige pesterijtjes. Als ik weer te horen kreeg: 'vlieg nog maar een rondje', dan sprak ik bijvoorbeeld terug met een Frans accent. Zij zagen mij toch als buitenstaander? Psychologische terreur, noemde de officier van justitie in Assen mijn gedrag. Maar ik heb me nooit laten verleiden tot schelden of ruiten inslaan. Ik ben niet voor niets zo'n goede instructeur; ik kan mijn cursisten op een heel beleefde manier, met heel subtiele opmerkingen ontzettend op hun staart trappen, en zo het onderste uit de kan halen.

Dankzij een bemiddelaar van het ministerie werk ik tegenwoordig prettiger dan ooit. Die man heeft een halve ton gekost. Hij heeft het voor elkaar gekregen dat de verkeersleiding en ik met oud-en-nieuw samen een borrel hebben gedronken. Ik heb geen last van rancune. Ik kijk graag naar dat programma Kon Fou. Het is een simpele wijsheid, maar wel waar: haatgevoelens zijn verspilling van energie. Spijt heb ik ook niet. Ik denk dat het allemaal zo heeft moeten lopen, tegenslag hoort bij het leven. Het heeft me veel inzichten opgeleverd. Het klinkt gek, maar soms voel ik me net een mannetje van tachtig, zo wijs.''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden