Wim Boevink reisde vier weken met zijn broers en zus door Australië, het land van hun jeugd

Wim Boevink, schrijver van het Klein Verslag, reisde met zijn broers en zus terug naar Australië,  het land waar hun ouders ooit naartoe emigreerden. Een maand vol weemoed, herinneringen en weerzien met overgebleven familieleden.

Tien dagen zijn we nu onderweg.

We begonnen in Sydney en reden westwaarts richting Orange, Hillston, Broken Hill en nu zuidwaarts naar Mildura. Dat waren onze verblijfplaatsen. Voor ons liggen nog de zuidkust, Melbourne, de Snowy Mountains, Canberra. Afgelegde afstand: ongeveer 1500 kilometer. Een fractie van dit continent. En toch: wat een diversiteit.

De prachtige baaien en uitgestrekte woonwijken van Sydney.

De rollende wijnhellingen van Orange.

De rivier-oase van de Lachlan-river bij Hillston.

De sombere armoede van Wilcannia.

Het barre, eindeloze land met zijn blue bushes rond Ivanhoe.

Het kangoeroe-massagraf langs en op de weg naar Broken Hill.

De rode outback – machtig heet en stil – bij Silverton.

En nu hier de groene tuinen aan het vogelmeer bij Mildura.

Zo reizen we, mijn vier broers, mijn zus en ik. In een gehuurde Kia Carnival. De Kia had moeite met de onverharde wegen van grind, stof en zand onder zijn nieuwe wielen. Honderden kilometers moest hij zo afleggen, zwaar steunend op veren en assen onder het gewicht van zes volwassenen en hun koffers.

Beeld Wim Boevink

Ik had er een beetje tegen opgezien, vier weken in een auto, met dierbare maar ook verwijderd levende familieleden, elk met een eigen stille loopbaan, gezinnen, scheidingen, tics en temperamenten. Maar iets dreef ons hier samen in dit grote lege land. En ik voelde ook een vrijheid. Dat niets geveinsd hoefde te worden. Dat het niet pijnlijk was dat iemand een grap maakte waar alleen hijzelf om lachte. En dat gebeurde vaak.

Zigzaggend

We keken met strakke gezichten voor ons uit, terwijl Henny de auto vol concentratie stuurde – zigzaggend zoekend naar meest begaanbare stukken weg – en schrokken op telkens als de bodem van de carrosserie met een knal iets raakte.

Af en toe kwam ons een rancher tegemoet in zijn four-wheeldrive, een kolkende stofwolk achter zich aan slepend.

Een van hen stopte even langszij om te vragen of we ‘alright’ waren. We maakten een praatje door het autoraam. Hij bezat een boerderij, een farm, een ‘station’ zeggen ze hier, met een gebied van 600.000 acres (ruim 240.000 hectare, grofweg de helft van Nederland) vrijwel allemaal droog land met blue bushes – maireana georgei – , een soort heidestruiken waartussen hij zijn schapen liet grazen. “Maar je moet ze wel bijvoeren.”

Zo uitgestrekt en verlaten was dat hier, op de route tussen Hillston en Wilcannia. En halverwege het gehucht Ivanhoe, genoemd naar de negentiende-eeuwse romanheld van Walter Scott, inwonertal 350.

Beeld Wim Boevink

Tosti's

Eén winkel, een kleine general store met een koffiemachine, en ertegenover een hotel met een bar. De enige bar in een omtrek van tweehonderd kilometer, zei de jongen achter de tap, en dan kon het hier heus wel druk zijn. Maar nu niet. Hij serveerde tosti’s; de koffie moesten we aan de overkant uit de winkel halen.

Gezessen zijn we dus. Ik ben de oudste. Daarna volgen in volgorde van leeftijd: Henny, Marijke, Eddy, Bert en Marc. De twee oudsten, Henny en ik, hebben met onze ouders drie jaar in Australië gewoond, aan het eind van de jaren vijftig. Een groot, monumentaal familiehuis in Parramatta was het, gebouwd in de jaren twintig, dat een broer van mijn vader had weten te kopen; daarmee konden mijn ouders en wij het barakkenkamp in Scheyville waar we begin 1957 waren aangekomen, na ruim een half jaar verlaten. Intussen was in die kampperiode ook mijn broertje John geboren, in het hospitaal van Blacktown, John die nu niet meer onder ons is; hij overleed in 2009 op 52-jarige leeftijd.

Ook niet meer onder ons zijn mijn ouders; mijn vader stierf ook jong, in 1975, nog geen 55 jaar oud, na een hartinfarct. Mijn moeder overleed twee jaar geleden, ze werd 88. Ergens na haar dood rijpte bij ons, de zes overgebleven kinderen van het gezin, het plan om gezamenlijk Australië te bezoeken, het continent van onze vroege jeugd, dat mijn broer Henny na een paar eerdere reizen het land van zijn ‘roots’ was gaan noemen.

Ons huis in Paramatta Beeld Wim Boevink

Zelf voelde ik die binding minder sterk, maar die Australië-jaren waren geloof ik wel cruciaal geweest voor het huwelijk van mijn ouders. Tot grote teleurstelling van mijn vader had mijn moeder, gekweld door heimwee, aangedrongen op een terugkeer naar Nederland.

Mislukking

Om de overtocht te kunnen betalen, kon mijn vader ons pas een jaar later achterna reizen. Hij had in die drie jaar alleen maar laagbetaald seizoenswerk kunnen vinden en was kousenbreier in een textielfabriek, het werk dat hij voor de emigratie ook al had verricht in Nederland en waaraan hij had willen ontsnappen. Mijn moeder vertelde hoe ze hem op een regenachtige dag afhaalde op de kade in Rotterdam; hij was als allerlaatste passagier de treeplank afgekomen, in de stromende regen, met gebogen hoofd. Zijn grote avontuur in het zonnige land was op een mislukking uitgelopen, een mislukking die hem de rest van zijn leven achtervolgde.

Mijn vader was een zwaarmoedig mens met sombere buien, die hij kon afwisselen met grappen en grollen in zijn drukke, uitdijende gezin: in Nederland werden nog eens vier kinderen geboren. Tegen het eind van zijn leven leed hij aan een depressie die hem maandenlang thuishield. Ik kan me niet herinneren ooit met hem over Australië te hebben gesproken. Hij stierf toen ik 21 was.

Waren die Australië-jaren voor hem gelukkige jaren geweest?

Misschien hoopten we op een antwoord van verwanten die wél in Australië waren gebleven en die zich die tijd nog konden herinneren. Een jaar eerder dan wij waren mijn vaders zus, Marietje, met haar man Herman en hun tien – ja tien – kinderen geëmigreerd. Die kinderen waren volle neven en nichten van ons, met wie we eigenlijk geen contact meer hadden.

Tot deze reis.

Hoe zouden zij ons ontvangen? Ze waren ouder dan wij, de meesten. Wat wisten ze nog van die dagen in de jaren vijftig? Een contact werd gelegd. Een afspraak gemaakt. Neef Alphons, intussen Alf of Alfie, bood aan om bij hem in Toongabbie, voorstad van Sydney, te logeren. En daar gingen we.

Carmen

Alfie, 76 nu, was een jonge tiener geweest toen hij naar Australië emigreerde. Hij woont nu op twee huizen van zijn ouderlijk huis vandaan in deze voorstad met zijn brede lanen en voortuinen, bungalow na bungalow. Het is een ruim huis, hij en zijn uit Malta afkomstige vrouw Carmen kregen acht kinderen, die intussen allemaal de deur uit zijn. Een negende kind was na veertien maanden gestorven.

Grijs haar en grijze baard, maar nog fris en sprankelend ontvangt hij ons met warmte. Zo mogelijk nog warmer ontvangt Carmen ons, klein en tenger, en omhelst ons (armen om ons middel) en zoent ons alsof we na een lange vermissing zijn teruggevonden.

Mijn neven Tony en Alf en hun vrouwen Kris en Carmen Beeld Wim Boevink

Het huis van Alfie en Carmen is ruim, maar niet luxueus; de inrichting is sober en doelmatig. Luxe, zeker in onze ogen, is de ruimte eromheen. De grote tuin, het gras, de bomen. Maar dit is Australische suburbia. Alfie had diverse kleine banen in zijn leven, hij werkte in de transport als chauffeur en deed seizoensarbeid op het land, waar hij uiteindelijk met succes een champignonkwekerij wist op te zetten.

Zijn twee jaar oudere broer Anton, Tony nu, woont in het ouderlijk huis zelf; we zijn er uitgenodigd voor de lunch, ook om andere familieleden te ontmoeten. Het huis heeft net als dat van Alfie, de vorm van een bungalow; maar erachter is een grote uitbouw verrezen in de vorm van een recreatieruimte met uitzicht op de diepe tuin.

Onze belangstelling geldt echter vooral het oude huis zelf; hier namelijk bracht mijn vader zijn laatste jaar in Australië door, als logé in het grote gezin van zijn zus. Zijn slaapkamer was een kleine kamer aan de achterzijde van het huis, dat Tony’s Poolse vrouw Kris me een beetje aarzelend laat zien: het is nu de rommelige opslag van hun enige nog thuiswonende zoon.

De ruimte is met gesloten luiken schemerig donker, en meet misschien drie bij drie. Mijn vader, zo verhalen ze, had de wanden beplakt met lottobiljetten. Misschien had hij gehoopt met een grote prijs het lot nog te kunnen keren en zijn gezin weer naar Australië te halen. Dat detail met die biljetten greep me aan. Ik zag hem nu voor me, op een bed in dat kamertje, zijn gezin ver weg, terwijl hijzelf in dat volle, harmonieuze gezin van zijn zus verbleef, zijn zus die hier blijven zou, in dit grote zonovergoten land.

Mijn vader (links) in het grote gezin van zijn zus en haar man Herman in Toongabbie (Sydney), 1961. Beeld Wim Boevink

Ik sprak met Tony, we wandelden door de tuin, begrensd door een stukje bos met hoge eucalyptusbomen. Zijn herinnering aan mijn vader was er ook geen van onverdeeld geluk. Mijn vader moet door zijn eigen falen getekend zijn geweest. Tony zelf, 78 intussen, is vriendelijk en bedachtzaam. Hij verdiende de kost als pianostemmer in Sydney, maar ook daarbuiten. Ver daarbuiten soms, waar hij eens belandde op zo’n afgelegen ranch. Uren rijden voor een piano in de bush.

Natuurlijk bezochten we daags na de lunch de plaats in Parramatta waar het huis stond waar we woonden. Dat grote en monumentale familiehuis, aan de kruising van Pitt Street en de drukke Great Western Highway. Mijn herinnering eraan is verdampt, soms zie ik nog een hoge, smalle slaapkamer voor me, waar ik een nachtmerrie had van op elkaar toekomende wanden. Of voel ik het hete trottoir aan de blote zolen van mijn kindervoeten en zie ik de lege, omheinde voortuin van dor gras waarvandaan ik de fourlightcars turfde – auto’s met dubbele koplampen.

Aan de achterzijde was een wel honderd meter diepe en lege tuin, die langs de helling naar beneden liep, tot aan de volgende straat. Nu is het huis verdwenen; op het terrein is een appartementenblok gebouwd. Maar erachter staan heel dun en ijl twee hoge, oude palmbomen; die zouden als jonge palmen in onze oude tuin hebben kunnen staan. Ik hoop op nieuwe herinneringen, beelden, maar er komt niets.

De levens van mijn in Australië gebleven familie. Herman en Marietje en hun twaalf kinderen (in Australië werden er nog twee geboren). Die kinderen stichtten voor een deel ook weer grote gezinnen: Tony kreeg zeven kinderen, Alf negen, Cecilia negen, Marie vijf, Veronica vier, Allan acht, Nick vier, Lita geen, Gemma drie, Herman twee plus drie of vier van zijn tweede vrouw, Margaret één, Terrie vier.

Negen kinderen? vroeg ik Alf.

“We hadden geen televisie”, zei hij.

We vervolgden in de Kia onze reis vanaf Mildura, reden door de graanstreek van de Mallee met zijn grote beschilderde silo’s, langs de spectaculaire kustlijn naar Melbourne.

We beklommen Australië’s hoogste berg, Mount Kosciuszko, bewonderden de Ned Kelly-schilderijen van Sydney Nolan in Canberra, en stonden overweldigd door de schoonheid ervan op een maagdelijk wit strand aan de oostkust van New South Wales, waar een harde wind de blauw-zilveren oceaan liet schuimen.

Immigrantenkamp

We zagen alles wat onze ouders destijds als hardwerkende immigranten niet konden zien. Hoe groots dit continent is. Gezessen hadden we ieder onze eigen gedachten had bij de reis. De oudsten, Henny en ik, verdiepten onze band met het land waar we als kind hadden gewoond. We hadden ook nog het hete, droge terrein van het immigrantenkamp in Scheyville bezocht, een vlakte van geel gras met eucalyptusbomen en alleen nog de betonvloeren van de barakken en hadden in oude papieren naar onze namen gespeurd. Maar onze vader was jong gestorven. Marijke was een jonge tiener, Eddy, Bert en Marc kinderen nog. Marc was drie en heeft aan zijn vader helemaal geen herinnering. Maar ook bij hen voelde ik het verlangen dat gemis in te kleuren, dat gat in hun bestaan te vullen.

Als we naar Sydney terugkeren van onze roadtrip is er een weerzien met Alf en enkele anderen. Hij heeft een aandenken meegenomen. In een café pak ik het uit. Het is een ingelijste schets die mijn vader had gemaakt en aan zijn zus had geschonken. En een foto van hem op een feestelijke dag, te midden van het gezin van Marietje, in zijn laatste Australiëjaar. Ik zie hoe Henny volschiet en geluidloos zijn tranen laat gaan. Ik staar naar de foto en verberg mijn roering.

Het is of we iets van hem, van zijn verloren droom, hier hebben teruggevonden.

Met het oog van een antropoloog en de pen van een dichter doet Wim Boevink dagelijks verslag over de grote en kleine wereld om hem heen. Lees meer afleveringen van zijn Klein Verslag op trouw.nl/kleinverslag.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden