Wilton wankelt van crisis naar crisis

In de jaren zestig werkten er 5 000 mensen. Nu zijn dat er nog een paar honderd en de vraag is hoe veel er kunnen blijven. Het gaat niet goed met Wilton Fijenoord, de roemruchte werf uit Rotterdam, die zijn naam (deels) dankt aan zijn oprichter: de kachelsmid Bartel Wilton die getrouwd was met een zakelijk ingestelde vrouw.

Niet alleen hebben ze een verlies van tientallen miljoenen voorspeld, al in januari raamden zij dat het bedrijf in zijn huidige vorm 1996 niet zou halen.

Als de situatie bij Wilton niet zo treurig was, zou je aan zo'n prognose luchtig kunnen voorbijgaan. Er lijkt niets nieuws onder de zon. Al op 3 januari 1984 kopte Trouw: “Faillissement werf dreigt binnen tien dagen.” En op 22 januari 1988 heette het: “Toekomst Wilton lijkt hopeloos”.

Beide crises kwam de onderneming te boven, zij het ten koste van bijna de gehele werkgelegenheid. Stonden er eind jaren zestig nog 5 000 mensen op de loonlijst, vandaag zijn het er slechts 455. Wilton Fijenoord is een verhaal van voortdurende afslankingen en inkrimpingen; een geschiedenis bovendien van een bedrijf dat een speelbal was van andere ondernemingen en de overheid.

Oprichter Bartel Wilton had zijn succes als kachelsmid mede te danken aan zijn zakelijk ingestelde vrouw. Het bedrijfje groeide en in 1854 maakte Wilton een overstap naar de scheepsbouw, hij stichtte een werf. Daarmee ging het na veel ups en downs per saldo goed en in 1931 werd een verdere sprong voorwaarts gedaan door overneming van de scheepswerf Fijenoord. Voortaan was het Wilton Fijenoord. In de Tweede Wereldoorlog werkte het bedrijf noodgedwongen voor de Duitse Kriegsmarine wat het hoofdcomplex in Schiedam enkele keren kwam te staan op geallieerde bombardementen.

Deze bewogen historie was maar kinderspel, vergeleken met wat er vanaf 1968 gebeurde. Wilton Fijenoord Bronswerk is op dat moment een groot concern met een 'zeepoot' (scheepsnieuwbouw- en reparatie) en een 'landpoot' Bronswerk, die machines en ketels maakt. Er werken 8 500 mensen. Rapporten reppen van een noodzakelijke samenwerking tussen Nederlandse nieuwbouwwerven; de Japanse concurrentie dwingt daartoe. De reparatiesector ziet er gezonder uit: 10 à 15 procent van alle scheepsreparaties in de wereld worden in Nederland verricht.

Tegen de achtergrond van de samenwerkingsadviezen verrassen Wilton en VMF-Stork-Werkspoor (het huidige Stork) door in juli 1968 een fusie aan te kondigen. Wiltons concurrent Rijn-Schelde pikt dat niet. VMF-Stork is een uitgesproken 'landbedrijf' terwijl volgens deskundigen juist de scheepsbouw moet concentreren.

Rijn-Schelde overtroeft Stork met een hoger bod op de aandelen Wilton, precies op de dag (in september '68) waarop Stork met veel feestgedruis het 100-jarig bestaan viert. Prins Bernhard wordt in de fabrieken in Hengelo rondgeleid en de voltallige raad van bestuur moet zich met de hoge gast bezighouden. Vergaderen kan niet. Een paar dagen later reageert Stork wel. Het bod wordt verhoogd, boven dat van Rijn-Schelde uit.

Handjeklap

De chaos is compleet. Uiteindelijk spelen Stork en Rijn-Schelde handjeklap. Rijn-Schelde krijgt de zeepoot van Wilton (5000 mensen), Stork de landpoot. Inmiddels is een concurrent, Cornelis Verolme, in financiële moeilijkheden geraakt nadat hij de Amsterdamse werf NDSM heeft gekocht. Het ministerie van economische zaken wil wel bijspringen op voorwaarde, dat alle grote werven in één concern komen. Het beruchte Rijn-Schelde-Verolme (RSV) ontstaat, het is inmiddels 1970.

Wilton is nu onderdeel van RSV, het concern waarmee het, zoals bekend, slecht afloopt. Eind 1982 krijgt RSV surséance van betaling. De Staat neemt de werven RDM (Rotterdam) en De Schelde (Vlissingen) over, Wilton blijft nog in de RSV-boedel, in afwachting van een koper. Toch is de nieuwbouwwerf van Wilton niet zonder perspectief want men bouwt er aan twee onderzeeërs voor Taiwan. Dat land heeft alvast 260 miljoen vooruitbetaald maar daar heeft Wilton nooit een cent van gezien. De top van RSV had al voor de surséance de miljoenen doorgesluisd naar het uitzichtloze Amerikaanse kolengraversproject.

Wilton heeft uitzicht op de bouw van nog twee onderzeeërs voor Taiwan maar daar steekt het kabinet een stokje voor als China druk uitoefent op Den Haag. De handelsrelaties met Peking worden belangrijker geacht dan de orders van Wilton. Intussen, het is begin 1984, raken de contanten op bij Wilton, Taiwan heeft immers al vooruitbetaald. Dat geld was echter weg. Wilton zit verlegen om een koper, die geld wil steken in het Schiedamse bedrijf. Die lijkt er te komen in de persoon van de Gorcumse scheepsbouwer Kommer Damen. Hij eist echter een drastische sanering waarbij 922 van de tweeduizend banen verdwijnen.

Dat gaat Wilton-directeur ir. B. Sluis te ver. Hij verzet zich tegen gedwongen ontslagen. En passant noemt Sluis de pas overleden minister Van Aardenne een koppelbaas als die een steunbedrag van 40 miljoen afhankelijk maakt van koop door Damen. Deze gaat terug in zijn eisen tot 450 ontslagen. Sluis houdt evenwel voet bij stuk. Damen haakt af. Dan treedt de gemeente Schiedam op als reddende engel. De gemeente koopt de grond van de werf voor 40 miljoen. Een groep institutionele beleggers, die nog vorderingen heeft op RSV, verschaft eigen vermogen aan Wilton in ruil voor meer zekerheden op de RSV-boedel.

Schijn

Wilton is gered en is vanaf juni 1984 weer zelfstandig. Er worden zelfs weer winsten gerapporteerd, vooral door het redelijk draaiende reparatiedok. De schijn bedriegt echter. EZ wil dat orders voor marineschepen uitsluitend naar RDM en De Schelde gaan, drie marinewerven is voor Nederland teveel. Sluis verwijt Van Aardenne zelfs dat hij nieuwe orders voor Wilton tegenhoudt. Uiteindelijk fluit de Tweede Kamer de minister terug. Wilton mag werven, zij het niet naar de bouw van boten, waarvan het ontwerp is afgeleid van Nederlandse marineschepen.

Het helpt niet. Nieuwbouworders blijven uit in Schiedam. Eind 1987 zijn de twee onderzeeërs voor Taiwan klaar, de werf is leeg. Een maand later gaat de nieuwbouwafdeling dicht: 800 man komen op straat. Met 1 300 werknemers gaat Wilton verder in de reparatie, die is uitgebreid met de failliete boedel van de reparatiewerf Vlaardingen-oost, gekocht in 1987.

Zonder de grote nieuwbouw lijkt het aardig te gaan. Om niet alle kaarten te zetten op reparatie, worden enkele zijpaden bewandeld. Verolme Heusden (kleine nieuwbouw) wordt gekocht, evenals de failliete offshore-werf Verolme Botlek. Dan valt de Berlijnse muur. De Oosteuropese reparatiewerven moeten zich redden via de vrije markt. Dat doen ze tegen tarieven waar Wilton nooit tegen op kan. Ook goedkope Spaanse en Portugese werven zijn geduchte concurrenten.

Wilton krimpt opnieuw in. Begin dit jaar verdwijnen 250 banen, er resteren 455. Als het aan Schuurman en Bos ligt moeten ook daarvan nog 300 weg. De kans is levensgroot dat nadat de nieuwbouw in Nederland onder goedkope concurrentie is bezweken, ook de reparatie het niet redt.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden