Wilsterflappen in een koude polder

Net als het rapen van kievitseieren zit wilsterflappen de Friezen in het bloed. Vroeger werden wilsters, goudplevieren, gevangen voor de comsumptie, tegenwoordig om geringd te worden voor onderzoek. Een dagje op stap met wilsterflapper Rinkje van der Zee, de enige vrouw in deze mannenwereld.

Het is nog nauwelijks licht als Rinkje van der Zee met een bewegende juten zak de polder bij Workum in loopt. Gedecideerd zet ze koers naar een kruiwagen vol spullen en begint deze haastig af te laden. Er komt een net tevoorschijn, een stelletje palen, touwen, een kist en tientallen nepvogels. Ze tuurt naar de lucht, mompelt 'ze zijn er al' en versnelt haar bewegingen nog verder.

Een stief half uur later ligt het klapnet (25 x 3,5 meter) uitgespreid op het veld, staan er veertig kunstvogels in de grond en is een windscherm - skûle - opgezet. De juten zak gaat open en twee levende kieviten verschijnen. Beide worden met de poten in schuimplastic bollen gezet, op een kleine ijzeren wip geplaatst en te midden van de kunstvogels gezet. De levende vogels moeten, net als de kunstexemplaren, andere vogels lokken. Van der Zee kruipt achter het scherm, hangt een houten fluit om en blikt omhoog. Klaar voor een lange dag wilsterflappen, oftewel goudplevieren vangen. Het is vier graden, waterkoud met een knoopvolle noordenwind.

We schrijven 2016 maar - op de kleding na - kon het net zo goed 1816 of 1416 zijn. Wilster-flappen zit de Friezen in het bloed. Vroeger uit pure noodzaak. Het boerenleven was hard hier in de polder en de wilsters gaven een mooie bijverdienste. De gegoede burgerij wist een gebraden goudpleviertje wel te waarderen.

Verorberen mag niet meer, maar geflapt wordt er nog steeds. Nu om de vogels te ringen voor wetenschappelijk onderzoek aan de Rijksuniversiteit Groningen. Want er is nogal wat aan de hand met de goudplevieren. Nadat de goudplevier eerst in 1937 als broedvogel uit Nederland verdween, neemt nu ook het aantal in de winter pleisterende vogels en het aantal doortrekkers af. Dat geldt ook voor kemphanen en ook daaraan wordt ringonderzoek gedaan.

Van der Zee is dan ook niet alleen deze morgen. "Zie je die skûle? Daar zit Bauke Kuipers. Hij is 86," zegt de Friezin, wijzend op een windscherm in het lege land.

Zelf flapt ze nu tien jaar. Alleen, uit noodzaak. Tien jaar geleden overleed haar man Douwe en besloot ze in deze volstrekte mannenwereld - die overigens maar 24 wilsterflappers telt - zijn plek in te nemen. "Het was en is mijn passie, mijn alles. Alleen in de polder, geen mensen maar vogels, de ruimte, rust en vrijheid. Je voelt je..."

Abrupt breekt ze haar zin af. Ze neemt het houten fluitje - een wilsterfluitsje - in de mond. Tjuuttjúluu tjuuttjúluu; de roep van een goudplevier die de vogels uit de lucht moet lokken. Haar hand tast naar een klosje dat verbonden is met de spantouwen aan het net, de ogen turen in de verte.

Een groepje goudplevieren verschijnt, vliegt vlak voor het net, schiet omhoog, kantelt, komt weer voor het net, maar zwenkt dan opeens rechts er voorbij. De spanning is te snijden. De wilsters verdwijnen maar in hun kielzog verschijnt een eenzame kemphaan. De flapster trekt aan het touwtje dat verbonden is met de kievitwip; het dier komt omhoog, oogt blijkbaar vertrouwenwekkend en de kemp-haan daalt. Van der Zee trekt, het net klapt en de kemphaan is gevangen. Ze snelt er heen, doet het dier in een juten zak om het rustig te krijgen en maakt eerst het net weer vangklaar. "Ze beginnen goed door te komen. Dan moet je snel zijn."

Je moet snel zijn, en dat is ze, totdat ze de hoants, de kemphaan, uit de zak pakt en deze rustig meet, weegt, ringt en zijn vrijheid terug geeft. Van der Zee kruipt weer achter de skûle om zo minder opvallend én warmer te zijn en vertelt over de goudplevieren.

De vogels die hier worden gezien, broeden in Scandinavië en Rusland. Een deel ervan overwintert bij ons, een ander deel trekt door naar onder meer Engeland en Frankrijk. "En als je goudplevieren ziet, zie je kieviten. Beide eten regenwormen en wijzen elkaar blijkbaar op goede stekken. Daarom ook kun je prima goudplevieren lokken met kieviten. Deze twee heb ik gisteren gevangen en laat ik aan het eind van de dag weer los."

Dan is het alweer gedaan met de uitleg, want opnieuw komen goudplevieren over. Tjuuttjúluu tjuuttjúluu tjuuttjúluu tjuuttjúluu. De wilsters zwenken, kantelen wonderschoon door de lucht en komen dan pal voor het net. Klap. Dicht. Gevangen. Drie goudplevieren verdwijnen, nadat ze in de juten zak zijn opgehaald, in de kist, de fûgelbak. Zo blijven ze rustig en kunnen ze elkaar niet verwonden totdat ze worden geringd. Het net gaat weer op en even later prevelt de flapster 'vleugellengte 189 mm, poot 73, kop-snavel 60. Een zware: 205 gram.'

Hoog boven haar jubelt een veldleeuwerik en jagen twee gruttomannetjes elkaar luidkeels achterna.

Het wordt elf uur, twaalf uur, één uur, maar geen wilster, kemphaan of zelfs maar kievit voor het net. Ieder 'normaal' mens zou de moed allang opgeven, maar Van der Zee blijft geconcentreerd in de verte turen. Ze fluit, laat de kieviten bewegen, draait een bandje af met goudplevier- en kievitgeluiden en warmt zichzelf aan alweer een kop sterke koffie en sigaret. Eindelijk, om drie uur, lukt het weer twee kemphanen in het net te strikken en even later nog een goudplevier. "Ach. De ene dag is nou eenmaal beter dan de andere. Je hebt er ook wel eens tientallen op een dag. Mooi is het altijd."

Weer twee uur en nog één goudplevier later houdt ze het voor gezien. De kieviten herkrijgen hun vrijheid.

Net, palen, kist, nepvogels en touwen worden weer opgeborgen. De avond valt over het Gaasterstrân.

undefined

Zachte winter

Als het vriest zijn de regenwormen en bodemdieren niet bereikbaar en trekken ook de overwinterende kieviten en goudplevieren door naar zuidelijker landen. Kemphanen trekken sowieso alleen in voor- en najaar door. Dat is traditioneel dan ook de tijd dat wilsterflappers actief zijn. Dankzij de zachte winter kon Van der Zee de hele winter door vangen. De teller staat nu op ongeveer tweehonderd vogels. In een topjaar ringt de Friezin achthonderd dieren.

undefined

Minder broed- en trekvogels

Het is niet florissant gesteld met de steltlopers van het agrarisch cultuurland. Niet alleen hollen de broedvogels achteruit (veldleeuwerik, kievit, grutto); ook de vogels die er overwinteren of in trektijd bij-eten (kemphaan, goudplevier, wulp) staan sterk onder druk. Het aantal doortrekkende kemphanen is de afgelopen decennia gedecimeerd en steeds meer goudplevieren wijken uit naar de kust.

Nederland heeft voor beide soorten een belangrijke opvangtaak; een groot deel van de West-Europese populatie bivakkeert hier korte of langere tijd. Daarom doet trekvogelspecialist professor Theunis Piersma en consorten al jarenlang onderzoek. Dit ring- en zenderonderzoek maakte inmiddels duidelijk dat steeds intensiever gebruik van het land de afname in de hand werkt.

Er zijn echter nog vele raadsels op te lossen. Zo worden er in ons land nog nauwelijks vrouwelijke kemphanen gezien (het aantal broedgevallen is sowieso op een paar handen te tellen) en is het onduidelijk of een verandering van trekroutes wellicht ook mede oorzaak is van het afnemend aantal pleisteraars.

Veel en langjarig onderzoek is nodig en zoals zo vaak is geld de beperkende factor. Dat terwijl volgens Piersma het tij te keren valt. "Als de boeren weer gaan boeren met de natuur in plaats van er dwars tegenin dan is er veel mogelijk. Ons onderzoek kan helpen om zo'n moderne natuurinclusieve landbouw te ontwikkelen."

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden