Willibrord Frequin

Willibrord Frequin (Arnhem, 1941) is programmamaker. Hij begon zijn loopbaan bij de KRO. Voor het actualiteitenprogramma Brandpunt tekende hij voor menige geruchtmakende uitzending. In 1993 stapte hij over naar RTL om vervolgens in 1998 te vertrekken naar SBS6. Zijn 'Week van Willibrord' wordt door 'het gewone volk' goed bekeken en door 'geiten-wollen-sokken-types van de zogenaamde kwaliteitskranten' kritisch gevolgd.

door Arjan Visser

1. Gij zult de Heer uw God aanbidden en hem liefhebben met geheel uw hart, geheel uw ziel en met al uw krachten

,,Ik ben een roomse rakker geweest. Ik heb altijd netjes geleefd omdat ik dacht dat ik daarmee een plaats, hoog, in de hemel zou verdienen. In het hiernamaals was iedereen super-gelukkig, daar werd één groot, Bourgondisch feest gehouden. Wie wil daar niet bij zijn? Ze hebben mij geleerd dat God goed is, en almachtig. Ik weet nog dat ik dacht: die vent moet ik te vriend zien te houden. Het was ook de bedoeling dat ik, als oudste zoon, priester zou worden -daar heeft de hele familie hard voor gebeden- maar uiteindelijk vond ik, zoals mijn vader altijd zei, de vrouwenrokken aantrekkelijker dan die van de paters in het klooster.'

,,Ik heb nog steeds iets van het oude Godsbeeld in mij, maar ik moet eerlijk zeggen dat ik Hem in de loop der jaren ben kwijtgeraakt. Dat is héél langzaam gegaan. Ik ben een solidair mens; ik laat niemand zo maar vallen. Ook God niet. Maar toen ik in de derde wereld kwam en kinderen zag sterven, keek ik omhoog en riep: 'Kom godverdomme naar beneden, klootzak! Kom die kinderen helpen, ze gaan dood!' Ja, het spijt me echt voor iedereen die wel gelooft hoor, maar áls Hij bestaat, hoe kan Hij zoiets dan toestaan? Hongersnood, overstromingen, oorlogen- er is zoveel hartverscheurende ellende in de wereld. Waarom hebben zoveel mensen niet te vreten? Waarom moeten zoveel mensen lijden? Wat moest ik met al die wijsheden over een rechtvaardige God? Waar was die rechtvaardigheid dan? Ik ben daar erg van in de war geweest. Uiteindelijk kon ik niet anders doen dan concluderen dat Hij niet bestaat. En dat er dus ook geen hemel is. In die zin heb ik voor niets mijn best gedaan. Het is een treurige constatering, maar je wordt voor goedheid slecht beloond.'

2. Gij zult de naam van de Heer uw God niet zonder eerbied gebruiken

,,Iemand die het verdient, scheld ik verrot. Wie onrechtvaardig is, of anderen verdriet doet, kan maar beter zorgen dat hij uit mijn buurt komt, want ik maak hem helemaal af. Ik vloek veel en vol overgave; de gvd's rollen er bij mij heel gemakkelijk uit. Het is een heerlijke ontlading. Wat dat betreft ben ik Gods ideale pr-man: ik gebruik Zijn Naam meerdere keren per dag. Als ik daar mensen mee heb gekwetst, bied ik hierbij mijn excuses aan. Maar ik kan het gewoon niet laten. Het zit in mij.'

3. Gij zult de dag des Heren heiligen

,,Vroeger was de zondag een feestelijke dag. Nette kleren aan, met z'n allen naar de kerk. Gezellig. Nu is het een onprettige dag. Er gebeurt niets. Ik ben blij als ik weer naar bed toe mag. Ja, de zondag is voor mij niet veel meer dan opstaan en wachten tot het donker wordt. Ik ben niet geschikt voor niets doen, ik ben veel te onrustig. Misschien werk ik daarom wel zo hard. Toch ben ik mij de laatste tijd op de toekomst aan het voorbereiden. Alles gaat een keer voorbij. Nu ben ik gevierd bij het gewone volk, maar als ze straks besluiten om mij van het scherm te halen, ben ik ineens niets meer, een nobody. Zo werkt dat, ik heb het vaak genoeg zien gebeuren. Neem iemand als Frits van de Poel, die man was toch echt een star, maar du moment hij er door de KRO werd uitgeflikkerd, stonden ze in rijen klaar om hem voor klootzak uit te maken. En dan begint de geestelijke verpaupering. Nou, die zal ik voor zijn; ik heb mijzelf er tegen gewapend. Ik heb een enorme vrijheid opgebouwd. Ik heb niemand nodig. Ik heb genoeg aan mezelf en aan de mensen van wie ik hou.'

4. Eer uw vader en uw moeder

,,Mijn vader had hoge verwachtingen van mij. Ik moest gaan studeren, maar kwam niet verder dan de School voor Journalistiek. Hij behoorde zelf tot de notabelen, was een man van aanzien en het liefst zag hij mij arts worden, of specialist. Ik heb hem zeker teleurgesteld. Ik denk dat hij me nooit heeft geloofd toen ik zei dat ik écht mijn best wel deed. Maar het lukte mij gewoon niet om de rijtjes Grieks of Latijn uit het hoofd te leren -ik krijg gewoon moeilijk iets in mijn kop, dat is nog altijd mijn grootste handicap.'

,,Via mijn vader ben ik, als een manusje van alles, bij de KRO terechtgekomen. Hij presenteerde Gastenboek, volgens kenners de eerste talkshow op de Nederlandse televisie. Hij interviewde bisschoppen en ministers, ging bij prins Bernhard op visite en ontving Toon Hermans en kardinaal Alfrink bij ons thuis. Een man met gezag. En tegelijkertijd was hij een vrolijke kerel; hartelijk en uitnodigend. Ik hoor nu nog mensen vertellen hoe graag ze bij mijn vader en moeder op bezoek kwamen.'

,,Toen ik later zelf programma's ging maken, is hij, denk ik, wel trots op mij geweest. Hij was de eerste die belde na een uitzending. Zijn commentaar had meestal met ethiek te maken; was ik niet te ver gegaan? Ik kon mij heel goed aan hem toetsen. Toen hij dood was, heb ik er een jaar over gedaan om aan dat idee te wennen: er is niemand meer die mij zo goed volgt. Ik moet het zelf doen. Toch heb ik geen traan om zijn dood gelaten, raar is dat hè? Hij wilde zo graag naar de hemel, naar mijn moeder toe. Zij is al acht jaar dood. Een lieve, eenvoudige vrouw die alles voor haar man en kinderen over had. Ik heb haar vooral de laatste jaren van haar leven geëerd. Ze was tot drie keer toe aan een hersentumor geopereerd en ik realiseerde mij, te laat, dat ik te weinig van mijn liefde voor haar had laten blijken.'

Maar het waren vroeger ook andere tijden; we hielden van elkaar, dat was zo vanzelfsprekend. Onze familie vormde een hechte clan. We vierden feest, kenden de echte roomse blijdschap nog. Misschien hebben mijn ouders nooit gezegd dat zij van mij hielden, maar gevóeld heb ik het zeker. Is dat niet genoeg?'

,,Ik vond het heel moeilijk te zien hoe mijn vader aftakelde. Ontluisterend. Toch bleef hij vrolijk -een optimist tot in de kist. Hij lag in het ziekenhuis en belde mij een paar keer per dag: 'Kom nou, kom nou toch eens. Wanneer kom je nou?' Maar ik had het te druk. Ik moest alsmaar werken. Toen ik eindelijk bij zijn bed stond, was het binnen een uur met hem gedaan. Hij heeft echt op mij gewacht.'

5. Gij zult niet doden

,,Ik heb eens met een vent gesproken die zijn vrouw had vermoord. Toen hij vertelde hoe zij hem vijfentwintig jaar lang -dag in, dag uit- had getreiterd, dacht ik: ik had dat wijf godverdomme al na tien jaar neergestoken. Begrijp je? Het is fout, dat snap ik wel, maar wie is hier begonnen? Heeft zij hem niet al die tijd geestelijk kapot willen maken? Tot hoever laat je het komen voordat je ingrijpt? Ik weet nog dat ik op een keer met een vrouwelijke collega door een kroeg liep, toen een groepje mannen opmerkingen begon te maken. Eén man zei: 'Wat moet jij met die snol?' Ik ben naar de eigenaar van de kroeg gestapt die het groepje vervolgens sommeerde het pand te verlaten. En terwijl die ene vent opstond, fluisterde hij tegen mij: 'En toch is het een hoer.' Toen dacht ik: moet ik dit nu over mijn kant laten gaan, of niet? Nee dus. Ik liep achter die vent aan naar buiten, tikte hem op zijn schouder en zei: 'Jij trekt die woorden nu terug, of ik stomp je voor je smoel'. 'Dat doe ik niet', zei hij. Ik ben geen vechter, maar ik heb hem een geweldige klap gegeven. Het bloed spatte alle kanten uit. Ik had een ander zeer gedaan en tóch was ik trots op mezelf. Zo werkt dat dus: ik vind dat je niet mag doden, maar ik begrijp heel goed dat het tóch gebeurt.'

6. Gij zult geen onkuisheid doen

,,Wat is onkuis? De pastoor heeft het mij ooit wel uitgelegd, maar ik begreep er toen al niets van. We mochten niet masturberen, dat was wel duidelijk. Want als ik dát deed, zou mijn gehoor afnemen, mijn geheugen teruglopen en ik zou tenslotte branden in de hel. Ik kende een slaafse gehoorzaamheid en dus luisterde ik naar de paters, naar mijn ouders en alle andere gezagsdragers. Zo simpel ging dat toen. Misschien had het met angst te maken; dat ik bang was voor de gevolgen van mijn ongehoorzaamheid -ik weet het niet meer. Ik ben in ieder geval als maagd het huwelijk ingegaan. Ik was vierentwintig. We kregen één dochter en daarna liep het huwelijk op de klippen. In de periode die daarop volgde, heb ik alles gedaan wat God verboden heeft. Al mijn preutsheid heb ik in die bronstige tijd afgelegd. Ik heb alle vrouwen die mij voor de voeten kwamen, getracht te veroveren. Hetgeen toch zeer goed lukte, al zeg ik het zelf. Soms had ik twee vriendinnen op één dag. Ik ben een beest geweest. Tot ik Marianne leerde kennen. We trouwden, kregen twee kinderen en er kwam een einde aan de woeste tijd. Marianne heeft alles wat een man zich wensen kan: zorgzaamheid, erotiek en liefde. Ik heb nu genoeg aan deze ene vrouw. En als ik haar zou vragen om op een avond spannende lingerie aan te trekken, dan ben ik toch niet onkuis?'

7. Gij zult niet stelen

,,De paus bezocht Mexico en wij mochten, als enige buitenlandse cameraploeg, filmen op de plaats waar hij logeerde. Daar heb ik zijn bestek gejat. Vork, mes en lepel. Met initialen. Ik was er bijzonder trots op. Maar God straft onmiddellijk, want drie jaar later heeft iemand het bestek weer uit mijn huis weggehaald. Ik weet wie het gedaan heeft, maar zij ontkent ten stelligste. Overigens zou ik mezelf in dit geval geen dief noemen. Eerder een souveniertjesjager. Ik neem ook vaak handdoeken mee uit hotels, of lepeltjes uit het vliegtuig. Maar dat heeft meer met rechtvaardigheid te maken; voor wat, hoort wat. Als je zoveel voor een kamer, of een ticket, moet betalen, is deze 'diefstal' wel geoorloofd.'

,,Ik zal nóóit een idee van een ander stelen. Ik ben in dat opzicht zelf wel beroofd. Door Ivo Niehe. Hij was vroeger mijn buurman. Op een avond heeft hij mij, in het bijzijn van anderen, gevraagd naar mijn plannen en ik vertelde hem dat ik portretten zou gaan maken van buitenlandse beroemdheden. Nog geen anderhalf jaar later kwam hij met die 'TV Show op Reis'. Een beetje kerel had mij een deel van de royalties gegeven. Hij niet. Pure diefstal dus.'

8. Gij zult tegen uw naaste niet vals getuigen

,,Ik heb vroeger veel gelogen. Ik verzon de beste smoezen. Maar het ging altijd over kleine leugentjes in de persoonlijke sfeer. In mijn werk ben ik altijd zuiver en zorgvuldig geweest. Wat dat betreft kan niemand mij op één leugen betrappen. Die hoofden-affaire? Daar heb ik godverdomme helemaal niet over gelogen! Hoe lang is het nu al geleden? Tien jaar? Langer? En nog steeds denken mensen blijkbaar dat ik tijdens die beruchte Brandpunt-reportage met nep-hoofden in de weer ben geweest. Er waren wel degelijk hoofden uit de universiteit gestolen. Er kwamen tijdens die uitzending ook professoren aan het woord die de diefstal bevestigden. Het ging pas fout toen Ton Verlind in de studio zei dat we een 'handel' in mensenhoofden op het spoor waren. Dat was niet waar. Maar het waren zijn woorden, niet de mijne. Het was ook zijn verhaal, maar toen de stront kwam, heeft hij een stap teruggedaan en toen kreeg ik alles over mij heen.'

,,Die zaak heeft een zware wissel op mijn leven getrokken. Ik werd ter dood veroordeeld, terwijl ik geen moord op mijn geweten had. Je wilt gewoon niet weten hoe smerig, hoe vals er over mij werd geschreven. Nou, ik veeg er mijn reet mee af hoor, eerlijk waar. Wat zou ik mij nou druk maken om die grijze-wollen-sokken-types van de zogenaamde kwaliteitskranten zolang ik nog welkom ben bij meester Max Moszkowicz of voormalig minister-president Dries van Agt? Ik heb Ton Verlind, de farizeeër, die mij later ook zonder pardon op de straat heeft willen zetten, nooit meer aangekeken. Het ging zelfs zo ver dat ik mijn vrouw en kinderen heb verboden om die vent ooit nog een hand te geven.'

,,Hij heeft er onder andere voor gezorgd dat ik als een leugenaar de geschiedenis inging. Gelukkig ben ik er nu overheen. Inmiddels weten de meeste mensen wel dat ik altijd eerlijk ben.'

9. Gij zult geen onkuisheid begeren

,,Nou goed, misschien heb ik in de beginperiode van mijn tweede huwelijk nog wat onkuise begeerten gehad, maar ik kan mij niet herinneren ooit vreemd te zijn gegaan. Ze hebben het altijd over 'De Gooise Matras', maar volgens mij bestaat dat ding helemaal niet want zo'n slome ben ik nou ook weer niet dat ik zoiets niet in de gaten zou hebben. Ik heb er in ieder geval nooit op gelegen, ik slaap liever in mijn eigen bedje. Ik heb gewoon een heerlijke vrouw. Als ik haar zie lopen, raak ik al opgewonden. Dat heerlijke lichaam, die mooie, volle kont die ik alleen door haar jas heen zie. Soms kijkt ze mij zo sensueel aan dat ik ter plekke de liefde met haar zou willen bedrijven.'

,,Ik ben heel trouw. Een vrouw is als een voetbalclub: als je supporter van Ajax bent in de gloriedagen, dan ben je het ook in de tijd dat er minder goed wordt gespeeld. Wie van Ajax houdt, gaat toch niet bij NAC op de tribune zitten? Ajax beleeft, om die metafoor nog even te gebruiken, nog steeds hoogtijdagen. Het leven heeft zo af en toe een dipje gehad, maar we zijn nog altijd bij elkaar. Zeker toen Marianne ziek werd, is het even moeilijk geweest. Er is bij haar een tumor ter grootte van een sinaasappel weggehaald. Ze was verschrikkelijk ziek. Ik had het toen erg druk en kon dit er helemaal niet bij hebben. Ik had gezien die enorme zwaarte kunnen opstappen, maar ik ben solidair gebleven. Ik heb geen moment gedacht: ik ga. Integendeel. Doordat we bij elkaar zijn gebleven is onze band nog hechter geworden. En ik weet zeker dat zij mij ook niet in de steek zal laten als mij zoiets overkomt. Dat is het: solidariteit. Daar draait het allemaal om.'

10. Gij zult niet begeren wat uw naaste toebehoort

,,Soms begeer ik de welstand van mijn rijke vrienden. Ik heb kameraden die 's morgens zeggen: 'Waar zullen we vandaag eens heen vliegen?' en 's avonds in Rome dineren. Ik ben niet zo vermogend. Ik moet, als mijn vrouw te vaak nieuwe jurken koopt, vragen of het niet wat minder kan. Financiële vrijheid geeft ook geestelijke vrijheid. Geld maakt wel degelijk gelukkig. Van Westerloo en Van den Ende betalen mij nu zeer goed, maar het is te laat. Ik heb het te lang met een eenvoudig omroepsalaris moeten doen.'

,,Ik ben absoluut niet tevreden met het leven dat ik heb geleid. Ik heb ontdekt dat ik mij te lang dienend heb opgesteld. Ik was een meeloper, wilde iedereen tevreden houden. Ik heb mij om alles veel te druk gemaakt. Ik heb mijn tijd verkwanseld aan onzekerheden en het onderhouden van verkeerde vriendschappen. Gelukkig is er veel aan het veranderen. Iets van die onrust is verdwenen. Ik durf wat vaker de tijd voor mijn vrienden te nemen, ik heb schijt aan wat anderen vinden en ik heb leren inzien dat geestelijke onafhankelijk ook met wat minder geld nog wel is te bereiken. Ik heb er een leven lang voor gestudeerd, maar ik ben uiteindelijk toch een wijze man geworden. Ik heb nu een zeker evenwicht gevonden.'

,,Ja, alles -geld, inzicht- is wat aan de late kant gekomen, dat is inderdaad zo... ik kan niets anders doen dan toegeven. Vroeger zou ik mij hier vast nog uitgeluld hebben, maar nu durf ik te zeggen dat je gelijk hebt. Maar ik zie het niet negatief. Dit is geen droevig verhaal. Ik ben beslist geen klager. Ik ga er alsnog iets leuks van maken.'

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden