Willen weten hoe het begonnen is

Was vroeger alles beter? In de zesde aflevering van deze reeks buigt Willem Jan Otten zich over het geheugen. „Het is duidelijk”, schrijft hij. „Het ontbreekt ons aan de meest primaire herinneringen. Zelfs mijn eerste gedachte kan ik mij niet herinneren.”

Mensen zijn ongeneeslijke beginzoekers, we willen weten hoe het gekomen is. Het is alsof er in het verleden een clou verborgen ligt – we zouden Weten als we Terug konden.

En toch. Hoe zou het zijn als je geheugen exact even oud was als je bestaan? Stel het je voor: je sluit je ogen en je herinnert je dat je voor het eerst dacht: dit hier om mij heen, dit warme, allesomvattende, dat is mijn moeder. Of: nu word ik geboren. Of zelfs: nu versmelten mijn vaders zaad en mijn moeders eicel tot mij. Hier begin ik.

Het is duidelijk – het ontbreekt ons aan de meest primaire herinneringen. Zelfs mijn eerste gedachte kan ik mij niet herinneren. De eerste keer dat ik sprak. Of dat ik las. De eerste keer denken: dit is mijn broertje. De eerste keer mezelf bedoen. Mijn eerste (publiceerbare) gedicht: ik kan het aanwijzen in m’n verzamelde gedichten, en ik herinner me zeker ook tamelijk scherp het (denk)beeld dat me tot schrijven aanzette: op een ochtend in november 1970 had een zuidwesterstorm het water van het IJsselmeer voor Muiderberg weggeblazen, en over het nieuw ontstane land liep een gevlekt Jacques Tati-hondje. Van dat laatste ben ik niet zeker, ik schrijf ’gevlekt’ om het de allure van een precieze herinnering te geven, er staat in het gedicht alleen maar ’hondje’, en het kan zijn dat ik het hele hondje pas op papier heb bedacht. Maar dat herinner ik me dus niet. Hoe het gedicht om zo te zeggen beseft werd herinner ik me niet.

Mijn bewustzijn is een eindeloze verzameling verdwijnpunten. Het begin van alle besef – ook het belangrijkste, bijvoorbeeld: dat ik sterfelijk ben, een gedachte die ik sindsdien nooit ongedacht heb kunnen denken – is, zo lijkt het, onbegonnen, hoe en wanneer ik het begon te denken is onherinnerbaar. Ik weet niet hoe en waarom ik voor het eerst wist dat er zoiets als ’dood’ bestaat, laat staan ’God’. Ik sta in mijn bestaan zonder een duidelijk, begrijpelijk begin.

Heel anders is dit voor enkele van mijn dierbaarsten. Neem mijn moeder. Zij is thans tachtig en kan mij met uitzonderlijke accuratesse laten beginnen, en zelfs dateren. Zo heeft zij mij, haar oudste zoon, op 30 mei 1951 om 20.15 voor het eerst voelen bewegen, ten huize van mijn grootouders van vaderszijde, na het eten van een door mijn grootvader in vooroorlogs dunne reepjes gesneden rosbief, op de Koninginneweg 146 te Amsterdam. Ik bewoog toen voor het eerst met een vuist of een voetje langs de binnenzijde van haar buikwand. En eerder nog, op 21 of 22 januari van hetzelfde jaar heeft ze, door in haar agenda te kijken waar ze een kruisje had gezet, beseft dat ze niet ongesteld was geworden. Enkele weken dáárvoor – ook dát herinnert zij zich – heeft ze, op een winterse, nauwelijks verwarmde hotelkamer op de Place de la Contrescarpe, hoek Rue Lacépède, tegen mijn vader gezegd dat ze wist „dat er een kind van zou komen”. De eerste keer dat ze met haar twee zoons in Parijs was, herfstvakantie 1965, heeft ze, terwijl mijn broer matig geïnteresseerd wegkeek, me het raam mijner verwekking aangewezen.

Twee weken geleden heb ik recht daaronder, op een terras, in een blaartrekkende zon, een kop ijskoffie gedronken met mijn jongste zoon. Er naderde een man van mijn vaders leeftijd. Hij speelde op een accordeon de muziek die je je voorstelt bij een Conceptie in Parijs; ik gaf hem een verbijsterend bankbiljet.

Dat raam?, vroeg mijn zoon.

Ja, zei ik. Dat raam.

„Vorige keer zei je dát raam”, zei hij, en wees een ander aan, waarachter een meisje zich vooroverboog, vermoedelijk om haar benen te epileren.

Als ik erover nadenk, besef ik dat ik mezelf moet beschouwen als uitzonderlijk begonnen, net als bijvoorbeeld Jezus, van wie niet alleen de conceptie per aartsengel is geboekstaafd, maar al eveneens het eerste schoppen. Althans, toen zijn tante Elisabeth een half jaar zwanger was (van wat later Johannes de Doper zou zijn), en dicht tegen de al eveneens zwangere Maria stond, ’sprong het kind op’, als om contact te leggen met Jezus. Ik ken weinig overtuigendere redenen om het christendom als humaniserende kracht serieus te nemen dan het feit dat dit incident in het Evangelie geboekstaafd is. Van deze Visitatie zijn levendbarende schilderijen gemaakt.

En toch, hoe begonnen ik ook ben, ik heb het, als ik eerlijk ben, altijd moeilijk gevonden om te geloven dat ik er vóór mijn bewustzijn al was. Gisteren kwam mijn moeder bij ons eten. Ze was het weekend bij haar schoonzus geweest, wier man, mijn oom Peter, een jaar geleden gestorven is. Mijn moeder had het schilderij meegenomen dat zij, op haar vierentwintigste van deze oom, toen achttien, had gemaakt. Ze zat op de Rijksacademie voor Beeldende Kunsten. Terwijl ik het bekeek herinnerde ik me zeer scherp de wit-blauw gestreepte gordijnen. Kennelijk had ze haar broer laten poseren in de kamer die later de kinderkamer zou worden waarin ik zou worden neergelegd. Mijn eerste kamer, de kamer van mijn eerste herinneringen En terwijl ik in een soort geheugentuimeling viel, starend naar het schilderij, vertelde mijn moeder dat ze mij, terwijl ze mijn oom aan het schilderen was, dikwijls had voelen schoppen. Dat zal dus juni 1951 zijn geweest.

Ik vroeg me af of mijn moeder, op dat moment bij ons in de kamer, het schoppen van mijn voetjes even sterk en fysiek herinnerde als ik mijn liggen, op een zomeravond, in de kinderkamer terwijl de zakkende zon door het wit-blauw gestreepte gordijn probeerde te schijnen. „Als het om het verstrijken van de tijd gaat, staan ons nog de wonderlijkste ontdekkingen te wachten”, schrijft de filmer Andrej Tarkovski in zijn boek ’De verzegelde tijd’. Hij heeft gelijk. Het idee dat de tijd alleen maar in één richting verstrijkt is een intellectuele gotspe, echt iets voor darwinisten, marxisten en Dawkins.

In de film ’Back to the future’ kan Michael J. Fox, die een zestienjarige speelt, dankzij een tijdmachine terug naar zijn vlakvoorbewuste voortijd. Curieus, ik herinner me totaal niet meer waarom Fox zo nodig terugmoet. Maar eenmaal daar blijkt hij kort voor zijn verwekking gearriveerd te zijn, en ontdekt hij dat zijn ouders in spe in het geheel niet van plan zijn om elkaar op welke wijze dan ook in de armen te vallen. De film bestaat er voor een belangrijk deel uit dat Fox ervoor zorgt dat zijn ouders verliefd op elkaar worden, teneinde zijn eigen bestaan veilig te stellen.

Om eerlijk te zijn, zelfs al ben ik veertig jaar ouder dan Fox, ik weet niet of ik mentaal helemaal opgewassen zou zijn tegen de dingen die Fox over zijn ouders te weten komt. En de gedachte dat ik eraan te pas zou moeten komen om mijn ouders dát in elkaar te laten zien wat nodig is om tot de verwekking van mij over te gaan Het is, hoe pijnlijk dikwijls ook, juist dat God het, buiten Hollywood om, niet aan de mensen heeft overgelaten om zichzelf, zoals ze nu eenmaal zijn, ook werkelijk gewild te hebben. Daar gaat ’Back to the future’ verder niet over – hoezeer Fox ook welbeschouwd zijn eigen embryoselectie is. Toch aarzelt hij geen moment, als hij ziet dat zijn moeder het hof wordt gemaakt door een andere jongen dan zijn toekomstige genenverstrekker. Dit is niet juist, weet Fox. Ik moet bestaan. Zoals ik ben. Geen seconde later of eerder verwekt, geen eicel later of eerder bevrucht, geen zaadcel te vroeg of te laat. Ik bedoel, er is vermoedelijk maar één manier om jezelf te willen, en dat is door niet jezelf gewild te hoeven hebben.

Ik vond ’Back to the future’ een wijze film, hij maakte iets duidelijk over de wortels van de morele verwarring waarin het eugenetisch regime waaronder we onherroepelijk komen te vallen, ons gaat storten. Het zal almaar moeilijker worden om, zoals Fox, verzoenlijk in het leven te staan.

Een van de heel interessante denkers over geheugen en tijd is de Franse schrijver Patrick Modiano, Hij kwam in deze serie bij Elmer Schönberger al ter sprake. Modiano is sterk gekant tegen het idee dat iets verleden tijd zou zijn. Hij schrijft sinds 1968 bijna jaarlijks een klein (130 tot 180 pagina’s tellend) boek waarin steeds hetzelfde wordt gepoogd: iemand zoekt iemand die hij zich eigenlijk niet herinnert. Meestal gaat het om iemand die in een voorbijgaan nauwelijks is opgemerkt. Bijna altijd is zo iemand vermist geraakt, of verdwenen. In veel van zijn boeken dateert de herinnering uit de periode dat de verteller zelf, als weggelopen jongen of voortvluchtige, van huis naar huis zwervende adolescent zelf voor anderen óók zo’n vermist rakende schim geweest moet zijn. Soms speelt het begin van het verhaal zich in de schemerzone af van vlak na de oorlog. En in het laatste boek van Modiano dat ik, om m’n eigen gedenk over tijd en geheugen kracht bij te zetten, heb gelezen, zoekt de verteller, die simpelweg de schrijver zelf is, de schim van een vijftienjarig Joods meisje dat in de winter van 1941 weggelopen is uit een katholieke internaat. Dat Modiano van deze Dora Bruder weet is toeval: hij heeft in een oude jaargang van de Paris Soir een advertentie gezien waarin om inlichtingen gevraagd werd omtrent dit vermiste meisje.

Wat Modiano over Dora, en haar (na de Eerste Wereldoorlog uit Oost-Europa gevluchte) ouders te weten komt is heel weinig, en wordt zonder enige opsmuk genoteerd. Ik las het boek in Parijs, en liep soms door de straten waar Modiano door liep omdat Dora er gelopen had kunnen hebben. Het duurde enige tijd voor ik besefte dat het boek over sporen ging, en dat Modiano al schrijvend vecht tegen de wanhoop die hem bespringt zodra hij beseft dat Dora geen enkel spoor heeft nagelaten.

Dit is vreemd, want van Dora weet hij niets méér dan wat hij dankzij de advertentie weet. Zij is geen familie, of vriendin, zelfs geen naam die uit de mond van een kennis is gevallen. Toch ga je al lezend Dora de Spoorloze steeds heviger missen. Op pagina honderd is je gedaagd dat er geen enkel spoor gevonden zal worden, behoudens drie of vier foto’s – niet in een archief, niet in een huis of gebouw, niet in het geheugen van een nog levend mens. Bij Dora Bruder vergeleken is Anne Frank om zo te zeggen schaamteloos aanwezig.

Wat doet Modiano? Je kunt dit geen ’teruggaan in de tijd’ noemen. Ook doet hij geen enkele poging om Dora te fictionaliseren. Hij schept niet uit zijn verbeelding het bewustzijn dat Dora ’had kunnen hebben’. Als je erover nadenkt doet hij precies het tegenovergestelde van wat een historische romanschrijver zou doen. Hij stelt zich haar niet levend voor in de doodse oorlogsstraten van Parijs. Maar wat er wél gebeurt is dat hij zichzelf plotseling herinnert als vijftienjarige van-huis-weg-loper, in 1961 of 1962. Hij herinnert zich dat zijn vader hem toen naar het politiebureau liet brengen, zoals hij zich ook herinnert dat zijn vader, die van zijn niet-deugende zoon afwilde, hem in dienst wilde laten gaan.

Zulke herinneringen zijn in essentie herinneringen aan er niet zijn, aan ongewenst zijn, aan vermist raken, uit het verband vallen, tussen de regels verloren raken. Vreemd genoeg zijn het voor Modiano ook herinneringen aan (zeer kortstondige) vrijheid. Natuurlijk kun je al lezend niet anders dan denken dat Dora, gedurende de dagen tussen háár weglopen uit het, ongetwijfeld gehate internaat en haar arrrestatie en deportatie naar Auschwitz ook deze Modiano-vrijheid heeft gesmaakt. Maar weten zullen we het niet – er is van Dora’s bewustzijn nu eenmaal geen enkel spoor overgebleven, zelfs niet in de vorm van het kleinste kattebelletje. Als ooit het woord ’modianesk’ zou ontstaan, dan zal het een ironie benoemen – een soort Tuinman-en-de-dood-figuur, van Dora die ontsnapt aan de bijna interneringkampachtige gevangenis van het internaat die haar redding had kunnen zijn.

De mensenwereld heeft van meet af aan bestaan uit mensen die exact even spoorloos zijn verdwenen als Dora. Er is niet zoiets mogelijk als verplaatsing in hun leven. ’Vroeger’ is dat waar de mensen en vooral: hun bewustzijnen uit verdwenen zijn. En tegen deze massieve evidentie heeft Modiano zijn boek geschreven. Hij verplaatst zich niet in Dora, maar laat haar, even, wanneer hij zichzelf herinnert als kortstondige ontsnapper uit de gevangenis van zijn (heel andere) leven, in hém overspringen. Op dat moment is de tijd opgeheven. Voltrekt zich het wonder van de niet verstrijkende tijd. Het duurt maar enkele zinnen, je beseft het pas als het voorbij is, maar dit is het dan toch. Niet de temps retrouvé, de hervonden tijd, niet de sprong uit het heden het verleden in, maar: de vonk die, als uit een al lang verdwenen pool, overvonkt naar het heden, naar het schrijvend, en het lezend bewustzijn. Het is iets wat Modiano en passant, op een onbewaakt ogenblik, mogelijk laat zijn, door met de strengst mogelijke, bijna wittgensteiniaanse ascese categorisch af te zien van de pretentie het verleden te kunnen ervaren. Modiano vermoordt vroeger, zoals vroeger Dora heeft vermoord. Het is een mystieke methode, een ontlediging. Het is een daad van liefde – even is Dora, smeltend in Modiano’s op de keper beschouw suïcidale vluchtherinnering, zijn geliefde.

In een moeilijk, uiterst filosofisch boek over tijd, met de prachtige titel ’Time, the familiar stranger’ (van J.T. Fraser, 1987) stuitte ik op een bladzij waarin het leven van een teek beschreven wordt. Die hangt in een boom – dikwijls een eik – en wacht tot er onder hem een schaduw voorbij komt. Een donkere massa, die iets warmer is dan zijn omgeving; die zich met een bepaalde snelheid voortbeweegt; die een welomschreven, aan zoogdieren (en mensen) voorbehouden combinatie van geurmoleculen verspreidt. Alleen als aan die vier voorwaarden voldaan is, laat de teek zich vallen, en komt hij terecht in de vacht, of het haar, van degene die onder hem door bewoog. Om daar, zoals bekend, gedurende enkele dagen zich vol te zuigen met het bloed van zijn gastheer. Daarna laat hij, deo volente, los, en vervolgt zijn leven, dat ongetwijfeld even mysterieus is, en vol voortplanting, maar nu niet van belang.

Ik weet niet waarom J.T.Fraser de teek memoreert, ik geloof om iets te zeggen over het verschil in tijdsbeleving tussen teek en mens. Mij frappeerde dat hij schrijft dat biologen hebben ontdekt dat sommige teken wel twintig jaar wachten op de juiste schaduwige massa met de juiste temperatuur en de juiste geur, voordat zij zich laten vallen. Twintig jaar!

Misschien is het met vroeger ook zo, en moet er zó worden geschreven dat Dora de tak van de dood waaraan zij hangt durft los te laten. Vreemd, kriebelig beeld, en toch denk ik het soms – dat de tijd, waar alle bewustzijnen uit verdwijnen en verdwijnen, op ons wacht. Desnoods een eeuwigheid.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden