Willen we oog hebben voor de tegenstander?

Dafne, die prachtige Hollandse meid die was voorbestemd om geheel als zichzelf, die naturelle Hollandse meid, onze sportzomer met een afsluitende flits voor de eeuwigheid te vergulden, die Dafne was uiteindelijk een voetballer, een Nederlandse voetballer.

Ze had geen zilver gewonnen, vond ze, ze had goud verloren.

De hoogmoed, het dedain. De ontkenning van de tegenstander. De gedachte - ook bij die naturelle meid die we graag als zo 'Hollands nuchter' zagen, maar van wie insiders al wisten dat ze dat niet is - de gedachte dat je ergens aan kunt beginnen, hoe specialistisch ook, en dat je dan een jaar later de hele wereld wegloopt.

De Olympische Spelen boden weer mooie sport - rare sporten ook, laten we wel eerlijk blijven. Een bont palet, zou je kunnen zeggen, afwisseling te over. Of toch niet? Zijn vele verhalen, hoe fraai opgetekend ook, in de kern niet identiek - of identiek gemaakt? De sporter heeft gedroomd, of er wordt gezegd dat hij dat heeft gedaan, alle 365 dagen van het jaar en dat soms al jarenlang. Als het goed gaat, komt de droom uit, zo niet, dan spat een droom uiteen.

Is dat te veel met de relativerende ogen van de voetbalverslaggever bekeken? Misschien, misschien ook niet. Misschien herkent hij die eenzijdigheid wel het best, omdat die uit zijn sport voortkomt - die eenzijdige benadering en vooral de impliciete ontkenning daarin van de tegenstander, die ook droomt of ook gewoon keihard traint, de tegenstander die alles in het werk zal stellen om wat jij wilt of hebt gedroomd níet uit te laten komen.

Dat is de essentie van sport, dát is het in steeds chauvinistischer sferen, vooral op de Nederlandse tv, niet onderkende mooie ervan ook.

We kennen de (voetbal)geschiedenis. In 1988 ontstond het volksfeest nog tijdens het toernooi, het gewonnen EK, met niet veel meer dan oranje bolletjes op autoantennes als gekkigheid. Sindsdien al is de pretcultuur een gefabriceerde. In 1990 en ook in 1992 konden we niet anders dan kampioen worden, van de wereld en opnieuw van Europa. We werden het natuurlijk niet, en met hier en daar nog een uitzondering (Van Gaal met Ajax in het onvergelijkbare tijdsgewricht van de jaren negentig, Van Marwijk op het WK 2010, Van Gaal op het WK 2014) is dit tot de dag van vandaag de constante: te hoge dunk van onszelf, te weinig oog voor de tegenstander.

Zijn er niet meer lijnen? Zoals ons voetbal zijn Hollandse School had (of nog altijd heeft), die roestige doctrine van de statische aanval, zo hebben olympische sporters hun topsportklimaat, de illusie van de maakbaarheid van een sportcarrière, van een in te kerven pad naar eremetaal. Voor Dafne Schippers was het afgelopen jaar alles uitgetekend en -gerekend. De Nederlandse voetballer wist niet beter of op onze manier moest het goed komen.

Oud-atletiekcoach Henk Kraaijenhof zei op de radio vrij vertaald dat het uiteindelijk niet gaat om al het uitgestippelde of uitgedachte, maar om wat je in de wedstrijd kunt, vooral in reactie op de handelingen van de tegenstander. Zo simpel, maar hoe vaak in de Nederlandse sportgedachte al niet veronachtzaamd?

Het voetbal - althans, de KNVB - lijkt na een diepe val eindelijk naar buiten te willen kijken, naar hoe de tegenstanders het doen, en waarom. Maar of dat in die eigengereide sporttak breed zal worden gevolgd, en met volle overtuiging, kun je voorlopig nog ernstig betwijfelen.

Willen we, Dafne ook, echt oog hebben voor de tegenstander, voor wat die wil, kan en droomt? Alleen wie dat heeft, kan winnen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden