Willem Nijholt

Willem Nijholt: 'Nederlanders zijn vervuilers en dieven. Ze maken alles kapot, ze hebben geen aandacht voor elkaar.' (FOTO MARK KOHN) Beeld
Willem Nijholt: 'Nederlanders zijn vervuilers en dieven. Ze maken alles kapot, ze hebben geen aandacht voor elkaar.' (FOTO MARK KOHN)

Willem Nijholt (Gombong, Nederlands Indië, 1934) is acteur en zanger. Hij werd bekend door zijn rol in de tv-bewerking van ’De Stille Kracht’. Sinds 2008 is hij verbonden als adviseur aan de Willem Nijholt Academie voor Musical- en Muziektheater. Voor de campagne ’Nederland Leest’ schreef hij een lofrede op ’Oeroeg’ van Hella Haasse. Yvonne Keuls bewerkte het boek tot een solovoorstelling die tijdens de slotmiddag – op 20 november – door Nijholt zal worden opgevoerd.

„Op een dag liep ik in Indonesië langs een bamboebos waar een enorme regenbui een stuk weg had weggeslagen waardoor de wortels van de bomen bloot waren komen te liggen. Het was net een groot nest vol slangen; beesten die ieder moment in beweging konden komen. Zo geheimzinnig, zo beangstigend ook. Ik weet nog dat ik dacht: dát is het, dáár zit alles in. Die oerkracht, die onbegrijpelijke natuur: dat is God voor mij. Ik ben katholiek opgevoed, maar ik heb de eerste vier, vijf jaar van mijn leven tegen de Indische huid van mijn baboe aan gelegen. Dat dóet iets met je. Ik geloof niet, zoals Wieteke (Van Dort, in Indonesië geboren actrice, AV) in reïncarnatie, maar wel in de kracht van de geest. Daar moet je niet mee spotten.”

„Toen mijn zanglerares mij, jaren geleden, eens hoorde vloeken, riep ze: ’O nee, nee, nee! Doe dat nou toch niet! Daar kwets je me mee. Zeg dan: driedubbeltjes!’ Driedubbeltjes, dat vond ik niks, maar ik heb wel naar haar geluisterd. Het was ook niet blasfemisch bedoeld; zo’n vloek rolt er nu eenmaal makkelijk uit. Ik heb een tijdje ’Godfried van Bouillon!’ geprobeerd, en ’God verbiedt het vloeken!’. Nu zeg ik meestal ’Fuck the duck’. Ook niet netjes. Ik doe het zo min mogelijk omdat schelden en vloeken de menselijke waardigheid aantast. Je hoeft tegenwoordig maar één keer per ongeluk iemand aan te stoten of je bent een klootzak. En in mijn geval wordt daar vaak nog ’Homo!’ aan toegevoegd. Ik word er somber van. Er is geen zelfrespect meer, geen zelfbeheersing. Nog niet zo lang geleden keek ik naar een improvisatieprogramma op televisie; acteurs die met een minimaal gegeven de planken op moeten. Het was de ene ’kut’ na de andere. Als ik de regisseur was, zou ik zeggen: ’Doe die scene maar over. En dit keer zonder vieze woorden graag’.”

„Ik wil niet het priestertje uithangen hoor, echt niet, maar ook hier zie ik de verwording van onze maatschappij. Vroeger kon je heerlijk wandelen in Amsterdam, nu word je ondersteboven gelopen door mensen die willen kopen, kopen, kopen. De hele provincie schuimt de grachten af, op zoek naar een parkeerplaatsje. De stilte is weg. Als ik de burgemeester van Amsterdam was, greep ik in: die zondagsrust komt terug!”

„Ik heb mijn vader wel geëerd, maar kijk, mijn broer was een echte jongen. Ik was meisjesachtig, een moederskindje. Toen ze me vroegen wat ik voor mijn zesde verjaardag wilde hebben, riep ik blij: ’Een Shirley Temple aankleedpop!’ Ik zal de minachting op het gezicht van mijn vader nooit vergeten. ’Een Shirley Temple aankleedpop?’, herhaalde hij langzaam en liep weg. Hij zag mij niet als een volwaardig kind. Ik weet nog hoe hij hoopte op een meisje, een echt meisje. De stamhouder had hij al, toen kwam ik en daarna duurde het nog zeven jaar voordat eindelijk mijn zusje werd geboren. Ik herinner me nog hoe jaloers ik was – ik had dat meisje willen zijn.

Een jaar later, in 1942, werd Pearl Harbor gebombardeerd en brak ook bij ons in Indië de oorlog uit. Mijn vader was sergeant, Knil-militair. Hij riep: ’En ik heb maar één tank voor heel Madoera!’ Madoera was, strategisch gezien, de beste plek om Java binnen te vallen en dat gebeurde dan ook. Binnen een paar dagen fietsten ze, met hun kromme beentjes, over ons eiland. De Jappen. We moesten eerst om die mannetjes lachen, maar een paar uur later waren er al een paar mensen onthoofd. Het duurde niet lang voordat we werden opgepakt en in kampen gestopt. In Soerabaya mochten we afscheid van mijn vader nemen. Mijn vader, die mooie, trotse man: het uniform van zijn lijf gerukt, in armoedige kleren, toegesnauwd door de Jappen. Ik dacht dat ik hem nooit meer terug zou zien Toen het een paar jaar later toch gebeurde, herkende ik hem bijna niet. Hij had jaren aan de Birma-spoorweg gewerkt. Afgebeuld, vernederd, zwaar gekrenkt. Zijn wuivende donkere haar was weg een grijs geschoren koppie, een oude man. Hij werd geconfronteerd met twee heftige pubers en een meisje van vijf dat één was toen hij haar achterliet. Ik herinner me dat mijn broer en ik zijn gezag niet konden accepteren: ’Ma, hij zegt dat we ons huiswerk moeten maken!’

Mammie, mijn lieve moedertje Ze heeft ons door het kamp gesleurd. Een tijgerin. Als we eten gingen halen, hoorde ik mensen die opschepten tegen elkaar zeggen: ’Godzijdank, jij hebt Nijholt in de rij!’ Ze ging niet weg voordat ze een stevige bol rijst had, of de groenten waarmee de soep was gevuld. ’Roeren in die soep! Niks op de bodem laten liggen!’ Ik geneerde me dood Mijn moeder was een mooie meid geweest. Ze kon fantastisch dansen. Mijn vader was wel eens jaloers als ze met anderen danste in de soos, maar er was echt maar één man in haar leven en dat was Jan Nijholt, de jongen uit Noord-Overijssel die liever naar de Oost ging dan keuterboer worden Daar liep ze – ooit zo elegant, met witte jurken, hoedjes en corsages – vermagerd, vervuild. Ik herinner me dat ik, omdat ik had geprobeerd een vrucht uit de tamarindeboom te knuppelen, straf kreeg en in de brandende zon moest staan. Mijn moeder kwam, mijn zusje wiegend, voorbij en zong zachtjes ’Willie, laat je niet kisten’ – om me te troosten. De bewaker, die een eindje verderop in de schaduw zat, kwam overeind en stoof op haar af. Ik zie nog hoe hij haar met de kolf van zijn geweer sloeg. Ik zie haar magere lijf, haar vieze haren – de haren die ik altijd had mogen kammen – de kapotte kleren. Ik zie hoe ze de keiharde grond moest bewerken, tuintjes aanleggen voor de Jappen die zelf eten in overvloed hadden. Ik heb het allemaal gezien, maar ik heb ook gedaan alsof ik er niet was. Aantreden, in de houding, buigen, omhoog komen, buigen, omhoog, buigen, omhoog. Ik ben er niet. Buigen! Ik ben er niet. Omhoog! Ik zit in een verhaal van Bruintje Beer. Buigen! Ik ben er niet. Straks komt er een mandje aan ballonnen, ik stap er in en ik vlieg, over het kamp, weg, weg

Ik heb het overleefd. We hebben het overleefd. De prachtige aardewerken schaal – die ons gezin ooit was – werd gelijmd, maar we kregen de scheuren niet weggewerkt. Mijn vader moest na de bevrijding tegen zijn eigen jongens – dat zei hij altijd – gaan vechten. Terug in Nederland vluchtte hij steeds van huis. Hij zat liever in de kroeg. Niet om zich te bezatten, maar hij hield het thuis niet uit. Mijn moeder is in 1959, op 54 jarige leeftijd, aan kanker overleden. Ik had die avond willen blijven, maar ze zei: ’Ga nou maar naar het toneel jongen, daar hou je zo van’ Ik weet het wel, ik weet het wel ik had het niet kunnen voorkomen, maar toch Bij mijn vader was ik er wel bij, als enige. Hij stierf aan maagkanker, een akelige dood. Ik heb zijn hand vast gehouden en ik weet zeker dat hij Willem tegen me zei. ’Wil-lem’. Daarna zag ik het licht uit zijn ogen verdwijnen. De verpleegster kwam binnen. Ik zei dat ik blij was dat mijn vader mijn naam nog had genoemd. ’Daar zou ik maar niet al te veel op rekenen’, zei ze. Een doodsteek. Ik was zó boos. Ik heb nog boze brief naar de directie van het ziekenhuis gestuurd. Niets gehoord, natuurlijk. Voor mij was het zo belangrijk dat hij mijn naam noemde; dat hij me erkende. Het was 1975, ik had in mijn vak al heel wat bereikt, maar ik had nog altijd het gevoel dat het niet goed genoeg was. Toen ik later zijn spullen ging opruimen, kwam ik een doos met knipsels tegen. Bleek dat hij alles wat over mij was verschenen had uitgeknipt en bewaard Mijn moeder heeft me nooit zien spelen en van mijn vader moest ik pas na zijn dood ontdekken dat hij me heeft gevolgd. Dat is een pijn in mijn leven, jongen. Ja. Nog altijd.”

„Op 15 augustus werd de capitulatie van de Japanners herdacht. Ik zou een toespraak houden en werd gebeld door de voorzitter van het comité. Of ik iets over vergeving in mijn speech kon meenemen. ’Vergeven?’, zei ik, ’vraag je de joden ook om Hitler te vergeven? Het spijt me. Ik kan het niet.’ Ik heb die Jappen doodgewenst. Ze hebben mijn vader kapotgemaakt, mijn moeder een breuk getrapt, mijn broertje aan een oor doof geslagen. Ik heb gezien hoe ze een vrouw, die opkwam voor haar vriendin, met stokken bewerkten en haar elke dag uit haar hokje sleepten, bloedend en al, om te creperen in het kokendhete zand, onder die onverbiddelijke zon. Vergeven? Het is een schijnheilig en wreed volk. Ik neem de jonge mensen niets kwalijk, maar de Jap die de oorlog heeft meegemaakt, zo’n schoft met lintjes op zijn borst, zal ik nooit – o, telefoon mag ik hem even nemen? Het zal mijn vriend zijn. Ja hoor. ’Hallo? Ja, schat, ik weet het, maar ik zit hier nog tegenover ja, de Tien Geboden. Heb jij wel eens het gevoel gehad dat je iemand zou kunnen vermoorden? Jawel he? Gelukkig maar. Ik bel je straks als ik thuis ben. Dag schat, dag.’ Dat was mijn steun en toeverlaat. Mijn reden om te leven. Bennie. Hij zei dat iedereen zou kunnen doden maar dat je het laat omdat je een mens bent. Ik weet het niet... Als iemand nou anderen martelt, mag je hem dan ook geen marteldood geven? Oog om oog, tand om tand. ’t Staat in de Bijbel. Ik ben er tegen hoor, maar toch ingewikkeld, toch, het leven?”

„Ik was verliefd op Casper Sprei, maar dat wist ik niet. Ik was een jaar of acht, hij was twaalf. Casper zoende met mijn nichtje en ik was jaloers. Casper zag me niet staan, lachte me uit. Toen ik op een dag mijn sleutelbeen brak en met mijn arm in een mitella uit het ziekenhuis kwam, zei hij: ’Dan is het lullig dat ik je zo heb uitgelachen. Je mag iets van me vragen.’ ’Ik wil een zoen’, antwoordde ik onmiddellijk. Ik kreeg een klein kusje op mijn wang en was hevig teleurgesteld omdat ik hoopte dat hij me zou zoenen zoals hij mijn nichtje zoende. Ik herinner me ook een buurman die de meisjes hoog optilde en over de heg heen hielp. Die rokjes gingen dan als parachuutjes open. Op een dag trok ik een rokje aan – waarschijnlijk ben ik ook verliefd op hem geweest; ik wou ook door hem worden opgetild – maar droeg er geen broekje onder. De buurman tilde me op, gilde: ’Waa je hebt een piemeltje!’ en zette me snel weer neer. Ik was zo verdrietig. Nee, niet verward, wist ik veel wat homo’s waren? Geen idee wat onkuisheid was. Mijn moeder vertelde me dat ik mijn piemeltje moest wassen. Meer niet. Ik was vijftien, vijftien!, toen ik een keer met een stijve op de wc zat en er ineens een klodder in mijn oog spoot. Ik wist helemaal niet dat er ook nog iets anders uit die piemel kon komen! Ik rende naar mijn moeder die me geruststelde: nee, ik had geen ernstige ziekte, dit was zaad en dat moest je bewaren voor later, voor als je ging trouwen en kinderen wilde maken.

Ik kende het woord: neuken. En ik wist dat neuken en kinderen krijgen met elkaar te maken hadden maar hoe het precies zat? Geen idee. Dit schiet me nu te binnen: toen ik een jaar of vijf, zes was had ik ruzie met Marietje, het zusje van Casper, een secreet. Ze zei: ’Mijn vader is officier en jouw vader is maar sergeant!’ waarop ik antwoordde: ’En jouw moeder is veel viezer dan de mijne want zij heeft vijf keer geneukt en mijn moeder maar drie keer!’

„Bloembakken aan de ketting! Kan het erger? Alles moet drie keer op slot, in iedere winkel staan van die piepschotten. Kennelijk gaat iedereen ervan uit dat mensen jatten en het ís ook zo. Laatst liepen mensen voor mij uit de bonbonwinkel uit en ik zag hoe ze nog snel een chocolade lolly mee gristen. ’Voor vijftig cent een dief!’ riep ik. Ach jongen ik ben weer een paar weken in Indonesië geweest en als je ziet hoe die mensen daar leven, in hun warongetjes, naast glazen torens, maar altijd vriendelijk, altijd lachen. Ze geloven dat ze na een beroerd leven een beter leven krijgen. Ze zijn lief voor elkaar. Nederlanders zijn vervuilers en dieven. Ze maken alles kapot, ze hebben geen aandacht voor elkaar, ze – wat nou moralist? Vind jij dan niet dat onze samenleving er beroerd voorstaat?”

„Ik kan mijn mond niet houden, ik wil zeggen waar het op staat. Dat móet je toch ook doen? Natuurlijk lieg ik wel eens over kleine dingen, maar niet over dingen die ertoe doen. Ik spreek me uit, ik verstop me niet. Dat wordt me niet altijd in dank afgenomen. Soms denk ik: had ik mijn mond maar gehouden, was ik maar een stoïcijn, maar ik lijk nu eenmaal op mijn moeder. Ik kan niets laten passeren. Dat is één van de erfenissen uit het kamp: ik kan geen onrecht verdragen.”

„Het is onder homoseksuelen gebruikelijk om het wat de seksuele trouw niet al te nauw te nemen, maar ik doe er niet aan mee. Ik leerde Ben op mijn 43ste kennen, dus ik heb me voldoende kunnen uitleven. We kennen elkaar nu 31 jaar. Ik heb zo mijn fantasietjes en ik flirt graag, maar ik heb hem mijn woord gegeven en ik blijf hem trouw.”

„Er zijn bij mij, God zij dank, geen gevoelens van leedvermaak of jaloezie ingeplant. Ik zou ook niet weten wat ik nog moest begeren. Wat moet ik nou nog verlangen? Ik ben 75! Moet ik dan nog meer verzamelen? Ik weet nu al niet meer waar ik al mijn boeken moet laten. Ik ben tevreden met wat ik heb, tevreden met wat ik heb bereikt. Ik kwam uit het Jappenkamp, was bijna 13 en moest hier naar de eerste klas van de lagere school. Ik heb alleen mijn diploma van de Toneelschool en een rijbewijs. Ik heb het zelf gedaan. Of mijn jaren in het kamp ervoor hebben gezorgd dat ik een grotere geldingsdrang heb gekregen? Dat weet ik niet Ik heb een theorietje. We hebben het, als spermatozoïde, van miljarden anderen willen winnen. Denk je dat zo’n drang niet een leven lang meegaat? Net zo lang tot je merkt dat het echt niet meer gaat. Mijn moeder stond in het kamp met een doek voor haar mond de stront op te ruimen, ze liet zich slaan, ze zag vriendinnen sterven, maar pas toen ze wist dat het geen zin meer had, toen de kanker haar te pakken had, gaf ze het op en ging ze dood. Ik hoop dat ik een mooiere dood sterf, rustig, in mijn bedje. Ik zou willen dat de dood zoiets is als voor altijd slapen. Slapen vind ik het fijnste wat er is – ik ben zo moe. Vijftig jaar in het vak! Ik doe alleen nog dingen om anderen een plezier te doen. Het enige wat ik nog niet zou kunnen missen is les geven. Mijn leerlingen zijn mijn kinderen, mijn kuikens. Voor hen wil ik nog wel een tijdje doorgaan. Je weet het niet. Ik zei net dat ik het zelf heb gedaan, maar er is ook veel op mijn pad gekomen, echt waar. Mijn moeder, die een eenvoudig mens was en graag volkswijsheden debiteerde, zei altijd: ’Het lot legt op je bordje wat je toekomt’. Daar geloofde ze echt in. En dat doe ik ook.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden