Willem Laanstra, intermediair

Na een periode van relatieve rust zijn de opbrengsten van oude kunst op de veilingen in een stroomversnelling gekomen. Hier en daar wordt al weer van records gesproken, veilinghuizen zien hun omzetcijfers overtroffen en ook de immer klagende kunsthandel is opvallend stil, bewijs van het feit dat het ook daar goed gaat.

Algemeen worden deze positieve ontwikkelingen toegeschreven aan de groeiende economie. Maar het is de vraag of iedereen daar baat bij heeft: als de schilderkunst zo duur wordt dat ze voor meer groepen niet bereikbaar is, bereikt het fenomeen kunst verzamelen een dood punt. Slachtoffer van deze ontwikkeling is de museumwereld. Geen enkel museum, het Getty in Los Angeles misschien uitgezonderd, kan met de rijken in de slag. Topstukken, het domein dat tot voor enige jaren nog aan de musea toeviel, verhuizen alleen naar particulieren.

Willem Laanstra (52) volgt deze aspecten van de kunstwereld op de voet. Oud-journalist, maar als publicist actief gebleven - op zijn naam staan catalogues raisonnés over Cornelis Springer, Johannes Hendrik Weissenbruch en Jan Weissenbruch en een monografie over zijn grote favoriet Andreas Schelfhout - is 'intermedair'. Het is een term die hij zelf heeft uitgevonden, het komt in de buurt van het Engelse art consultant. Laanstra geeft adviezen over kunstaankopen, op grond van de kennis die hij in zijn dertigjarige omgang met de beeldende kunst heeft verworven. Zijn klanten zijn particulieren die een schilder zoeken, daar een bepaald bedrag voor overhebben, maar die onvoldoende kunnen beoordelen of een schilderij de juiste waarde heeft of zal behouden, of het authentiek is en in goede staat verkeert. Laanstra is thuis in de 19de eeuw, zowel de romantiek als de Haagse School hebben zijn voorkeur, maar hij kijkt ook in de 17de eeuw en bij de klassiek-modernen rond.

Laanstra: “Met de belangstelling voor 17de-eeuwse kunst is er niet veel veranderd, die was altijd al zeer in trek. Hetzelfde geldt eigenlijk voor de Haagse School (1870-1900). Nu zie je dat zowel de oude meesters als de top van de Haagse School voor extreem hoog prijzen weggaan. Het vreemde is dat de vroege 19de eeuw, dus alles van vóór de Haagse School, onder het prijsniveau is gebleven. Dat heeft waarschijnlijk te maken met de belangstelling van de musea, die hebben nooit veel gezien in de romantiek. De laatste jaren is daar echter verandering in gekomen.”

Toch niet van de zijde van de musea?

Laanstra: “Nee, maar wel van kunsthistorici. Zij hebben in de laatste 25 jaar het beeld gecorrigeerd dat er in de 19de eeuw vóór de Haagse School niets in de schilderkunst is gebeurd. Dat beeld dateert nog van de tijd van de opkomst van de Haagse School. Toen werd de schilderkunst van de romantiek als zoete-plaatjeskunst afgedaan. Onder aansporing van kunsthistorici als Ronald de Leeuw (oud-directeur van het Van Goghmuseum, nu van het Rijksmuseum - red.), John Sillevis (hoofdconservator Haags Gemeentemuseum/Museum Het Paleis) en misschien wel mijn persoontje is bij veel onderzoek gebleken dat de Haagse School helemaal niet zo'n revolutionaire beweging was als werd beweerd. Alle belangrijke Haagse School-schilders hebben het vak geleerd op de ateliers van de romantische schilders Schelfhout, Hendrik van de Sande Backhuizen en Bart van Hove in Den Haag. Hun eerste werken maakten ze allemaal in romantische stijl. Van Hove leerde zijn studenten breed te schilderen, hijzelf was decorateurschilder bij de Koninklijke Schouwburg in Den Haag. Dat brede schilderen vind je terug in de stijl van de Haagse School, bij Van Hove's leeringen Johannes Hendrik Weissenbruch, Johannes Bosboom en Willem Roelofs. Daardoor zit er helemaal geen breuk tussen romantiek en Haagse School.”

“Door deze ontdekkingen is de periode van 1830-1870 in een stroomversnelling geraakt. Een bewijs? Voor 1960 bracht een goede Schelfhout een paar honderd gulden op. Nu gaat de prijs voor Schelfhout, maar ook voor Springer en B.C. Koekkoek door het miljoen. In 1996 werd op de PAN in Amsterdam voor een 'Gezicht op Alkmaar' van Cornelis Springer 1,6 miljoen betaald. Dat betekent dat een kunsthandelaar geen collectie meer kan opzetten met toppers. Die heeft eenvoudig geen geld om te investeren. Hij gaat dus elders zoeken en komt dan terecht bij kleinere meesters. Die komen uit de romantiek. Waarom? Het publiek wil geen uitleg van de schilderkunst hebben. En de romantiek behoeft geen interactie, de mensen kunnen ervan genieten zonder al te veel kennis te hebben.”

Wie zijn die mensen die dat kunnen betalen?

Laanstra: “Met de opkomst van de nieuwe rijken zijn er mensen gekomen die kunst aan de muur willen hebben en die die kunst willen begrijpen. Nieuwe rijken zijn bijvoorbeeld de beursjongens. Ze hebben nauwelijs kunstonderwijs genoten, maar beschikken wel over culturele belangstelling, plus een goed economisch inzicht. Die kiezen voor de realiteitszin van de 17de-eeuwse schilders of voor de 19de eeuw, die frisser is en helderder van toon.”

Die kunnen ze net zo goed op de veiling kopen ...

Laanstra: “Op de veiling ontstaat een spanningsveld omdat er meer mensen hetzelfde object willen hebben. Dat jaagt de prijs omhoog. Er zit ook een gevaar in: ondanks de expertise van het veilinghuis weet de gemiddelde aspirant-koper niet wat hij onder ogen krijgt. Hoe is de staat en de kwaliteit van het werk, wat is de voorgeschiedenis. Een schilderij kan bijvoorbeeld zijn weggerestaureerd. Daar lees je niet over in de veilingcatalogus, maar het is wel bepalend voor de werkelijke waarde. En je weet ook niet of een schilderij in de afgelopen jaren vaak van eigenaar is gewisseld. Ook dat kan de waarde negatief beïnvloeden.” “Mensen die op veilingen kopen, denken dat ze dat allemaal weten. Het vreemde is, dat de meeste mensen een tweedehands auto bij een Bovag-garage kopen en een huis aanschaffen met hulp van een deskundige makelaar, maar dat ze met een halve ton op zak op goed geluk een schilderij gaan kopen. Dan zie je dat ze de gekste prijzen betalen. In april werd bij Sotheby voor een stadsgezicht van Dommelshuyzen anderhalve ton betaald. Een wereldprijs, maar die stond in geen relatie tot de conditie en de staat die in beide gevallen veel te wensen overliet. Voor dat werk is dus veel te veel betaald. Nog zo'n idiote uitwas: bij Christie's kwam een paar maanden geleden een marine van Nicolaas Riegen onder de hamer. Bracht 64 000 gulden op, dat is werkelijk buiten alle proporties. De argeloze particulier weet niet dat je overal bij de kunsthandel een prachtige Riegen kunt kopen onder de halve ton.”

Nou heb ik 25 mille om een leuk schilderij aan de wand te hangen. Wat adviseert u mij te kopen?

Laanstra: “Ik zoek de topwerken van de kleine meesters, beter dan de middelmaat van een grote meester. Je kunt voor dat bedrag een heel leuke Arie Pleijsier kopen, een beperkte meester, maar heel mooi in marines. Leden van de familie Schütz zie ik ook zitten. En een schilder van stadsgezichten als Frederik Roosdorp. Dat zijn schilders waar je veel plezier aan beleeft.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden