Review

WILLEM ELSSCHOT, 'BRIEVEN'Mijn brief aan u is persoonlijk'

Willem Elsschot, 'Brieven', verzameld en toegelicht door Vic van de Reijt met medewerking van Lidewijde Paris, uitg. Querido - f 89,-.

Nu die brieven zijn is de vraag: moet je die bij zijn werk optellen, zoals men dat ongetwijfeld later met de brieven van Reve zal doen, of niet?

Er zijn brieven die zich laten lezen als een roman. Brieven, die je als niet-ingewijde zomaar kunt gaan lezen, zonder voorkennis, zonder gids. Brieven die je als vanzelf brengen naar de wereld van de schrijver.

Zo is het met de brieven van Vincent van Gogh. Bijna van dag tot dag laat hij zijn broer Theo weten hoe het er mee staat en de lezer leeft zijn leven mee. Hij weet wat Vincent dacht en deed, waar hij liep en hoe hij woonde. Niets blijft verborgen. Wie niets van Van Gogh weet maar zijn brieven leest, weet aan het einde van de rit in 1891 opeens alles. En kan met nog meer plezier zijn schilderijen zien.

Voor de brieven van Belle van Zuylen geldt hetzelfde. Het is niet nodig haar andere geschriften te kennen om haar brieven te kunnen lezen. Elke brief is een verhaal en leest als de eerste. Iedere keer opnieuw valt ze bij de lezer met de deur in huis, zo lijkt het: intens, hartstochtelijk, beschouwend, verhalend, opinierend, meeslepend. Het is alsof de brieven ervoor bedoeld zijn door meer dan alleen Benjamin Constant of Constant d'Hermenches gezien te worden.

Leesbrieven zijn het. Bedoeld als persoonlijk bericht (Elsschot aan Walschap in 1938: 'Mijn brief aan u is persoonlijk. Hij is bestemd voor Gerard Walschap en voor niemand anders...'!) maar uiteindelijk door velen bewonderd uit nieuwsgierigheid als geografische en historische karakterschets of biografische notitie.

Niet alle brieven laten zich zo lezen. Vaker is het anders en krijgen brieven pas betekenis wanneer de lezer al het een en ander van de schrijver weet. Neem die van Johan Huizinga. Je moet iets van zijn historische werk weten om de kracht van zijn brieven te kunnen begrijpen. Want wat heb je aan een brief over Burckhardt en de renaissance als je niet weet dat 'Herfsttij der Middeleeuwen' en 'Die Kultur der Renaissance' veel gemeen hebben? Weinig. De verzamelde brieven van Huizinga en ook die tussen Eddy du Perron en Menno ter Braak - om een strikt literaire verzameling te noemen - zijn interessant voor de wetenschapper en de alles-verslindende notenlezer, niet voor de leek.

Tot welke categorie behoren nu de zojuist verschenen 'Brieven' van Alfons de Ridder, zoals Elsschot (1882-1960) werkelijk heette?

Wie het boek, dat met al die 1281 tussen 1898 en 1960 geschreven brieven en zijn 1237 bladzijden omvangrijker is dan zijn Verzameld Werk (niet dikker, want het literaire werk werd niet in dundruk uitgegeven) doorbladert en leest, komt zeker zijn 'leesbrieven' tegen. Zo hoef je de hele levensgeschiedenis van De Ridder niet te kennen om de brieven die hij tijdens en vlak na de oorlog aan de jonge Louis Paul Boon schreef te kunnen begrijpen, ook al gaan ze voor het grootste over Boons eerste boeken. Met name het op Van Goghs leven gebaseerde 'Abel Gholaerts' wordt uitvoerig door Elsschot vaderlijk becommentarieerd.

Evenmin hoef je de verhalen van Carmiggelt die hij in 'Ontmoetingen met Elsschot' (1985) publiceerde te kennen om de korte briefwisseling tussen beide zonderlinge schrijvers - deze helden van de eenvoud in alles - te genieten.

Vooral de laatste brief, die Elsschot op 30 mei 1960 aan Carmiggelt schreef, is onweerstaanbaar. Het is het ontroerende verhaal van de laatste ontmoeting tussen beide schrijvers, waarbij Carmiggelt op 29 mei speciaal voor Elsschot naar Antwerpen kwam, maar deze - ziek, op punt om te gaan slapen en in gedachten verzonken - hem niet herkende. Op het moment dat Carmiggelt de brief ontving was Elsschot al twee dagen gestorven: "Toen ik wakker werd stond mijn Hollander op mij te wachten, niet in levenden lijve maar minstens even duidelijk. Hij keek mij aan met een innemende glimlach, als nodigde hij mij uit iets te zeggen. Verlamd staarde ik hem aan terwijl een zachte stem uit mijn onderbewustzijn hardnekkig fluisterde 'maar het is een vriend, een vriend...' En opeens wist ik het. Carmiggelt. En ik stak hem in vervoering mijn beide handen toe, maar hij was er niet meer."

Mooi en veelzeggend zijn ook Elsschots brieven aan zijn vrouw Fine van vlak voor de oorlog, toen hij net als zijn personages Boorman en Laarmans in 'Kaas' en 'Lijmen/Het Been' in de reclame zat. Vanwege scheidingsperikelen van Adele, de oudste dochter, verbleef Fine in die periode bij haar zuster in Parijs om Adeles zoontje Jan voor haar ex-man verborgen te houden. De brieven laten een grenzeloze zorgzaamheid zien voor vrouw en familie en roepen steeds opnieuw de herinnering op aan die simpele woorden aan het eind van zijn novelle 'Kaas': 'Beste, brave kinderen' en 'Lieve, lieve vrouw'.

Maar hoe mooi deze brieven ook zijn, er staan vele andere briefjes tegenover die je niet leest als je niet ieder moment met het fenomeen Elsschot bezig bent. Die briefjes - boodschappenbriefjes, opdrachten, vragen aan uitgevers over een manuscript en de opbrengst van zijn boeken (Elsschot blijft in die zin altijd De Ridder) - zijn werkelijk slechts bedoeld voor de kenner of de liefhebber. Zoals een licht gerriteerde toon van Huizinga jegens Romein alleen begrepen wordt wanneer je weet dat Huizinga diens promotor en dus 'meerdere' was, zo is het volgende briefje aan (de door Elsschot altijd mateloos bewonderde) Jan Greshoff vooral en alleen de moeite waard als je iets van de reclamecapriolen van Boorman of Laarmans kent.

In het briefje probeert De Ridder Greshoff als een soort spreekstalmeester over te halen mee te werken aan een campagne om de wereldtentoonstelling van 1935 te Brussel per boot aan te bevelen in Holland. De reclameman leeft zich helemaal uit, De Ridder ziet net als de jonge Laarmans in 'Kaas' het goud al in de verte blinken wanneer hij aan het einde in een PS schrijft: 'Zoo'n reisje is prettig en er is wat aan te verdienen..."

Het enthousiasme van De Ridder is trouwens opmerkelijk als we weten dat Elsschot Carmiggelt later eens vertelde dat hij als het er op aankwam helemaal niet van zijn eigenlijke werk hield. Daarom heb ik 'Kaas' geschreven, zei hij. 'Het gaat eigenlijk over mijn publiciteitsbranche, maar ik heb er een kaaszaak van gemaakt, daar het nog weerzinwekkender is. Je gaat ernaar ruiken.' Het zegt ook iets over de gespletenheid, de haatliefdeverhouding tussen De Ridder en de schrijverswereld (waar hij erg tegenop keek) en die tussen Elsschot en zijn dubbele alterego: Boorman/Laarmans. Hoe het ook zij, op het briefje heeft Greshoff nooit gereageerd. Daarvoor kende hij hoogstwaarschijnlijk zijn vertrouweling te goed.

Elsschot was, zoals gezegd, een man van weinig woorden. En aangezien de stijl volgens hem de mens zelf was, staat er in zijn gedichten, romans en novellen dan ook geen woord teveel. Ieder woord moest raak zijn. Hoe raak blijkt uit de talloze brieven die hij aan de verandering van zijn gedichten wijdde. In 1936 gaf hij de - overigens eeuwig onbekend gebleven - dichteres Julia Tulkens de volgende raad: 'Schrijf niet te veel. Schrijf liever heelemaal niet meer dan minderwaardig werk voort te brengen.'

Je zou verwachten dat die zorgvuldigheid zo bij de man zelf hoorde, dat ook zijn brieven zo geschreven zijn. Maar dat is niet zo. Zo eindeloos als hij in zijn manuscripten schrapte en aan zijn gedichten schaafde, zo weinig aandacht had hij voor de stijl van zijn brieven. Carmiggelt hierover: "De corresponderende Elsschot schreef meer voor de vuist weg zonder zich om de vorm al te zeer te bekommeren."

De brieven hadden voor Elsschot ook geen literaire waarde. Hij scheidde ze nadrukkelijk van zijn werk. Wie het niet gelooft kan de proef op de som nemen door de 'echte' brieven te vergelijken met de brieven die Elsschot schreef voor bij voorbeeld 'Villa des Roses' en 'Lijmen' en niet te vergeten 'De Leeuwentemmer', dat begint met een omgewerkte versie van een in 1921 aan zijn zoon Walter (die in Parijs zat) gestuurde verjaardagsbrief. Ze waren ook niet literair bedoeld, die 'echte' berichten aan zijn familie, Greshoff, Ter Braak, Boon, Jan van Nijlen, Andries Kaas en zijn uitgever, de heer Van Kampen: 'Mijn brief aan u is persoonlijk. Hij is bestemd voor Gerard Walschap en voor niemand anders...'

Een van de bezorgers van de 'Brieven', Vic van de Reijt, zei vorige week in een interview met Het Parool dat het werk wat hem betreft voor iedereen bedoeld is die Elsschot wel eens gelezen heeft. En hij voegde er aan toe dat 'Brieven' in feite zelfs de biografie van Elsschot is. Dat is onzin. Daar is het materiaal - hoe rijk ook - te fragmentarisch, te broos en te weinig inhoudelijk voor. Iets anders is dat wie van Elsschot houdt, zijn 'Brieven' niet snel genoeg kan lezen.

En voor wie Elsschot nog niet kent: die moet zijn Verzameld Werk nog sneller gaan lezen, zodat de brieven alsnog spoedig kunnen volgen. Want ook al dragen de brieven samen niet het karakter van een biografie of een roman, voor de liefhebber zijn ze onmisbaar. Net als die biografie trouwens, die nu ook maar heel snel volgen moet.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden