Wilde Duitse kwastpunk

De Duitse kunstbeweging Neue Wilde greep begin jaren tachtig terug op kwast en doek. In Groningen is voor het eerst een overzicht te zien.

Met grote gebaren, bravoure en verf maakte de nieuwe, na de oorlog geboren generatie Duitse kunstenaars begin jaren tachtig naam. Net als de muziek van die tijd, de punkmuziek. Verspreid over de grote steden, verenigd in los-vast-kunstenaarsgroepen bestormden ze de galeries en musea, en zorgden ze ook buiten de kunstwereld voor schandalen vanwege hun anarchistische, recalcitrante houding. Protest tegen alles, en vooral tegen de gezapige consumenten. Toch is het ze, in tegenstelling tot hun muzikale collega's, nooit gelukt om die bekendheid vast te houden. Afgezien van de jong gestorven Martin Kippenberger (1953-1997), aan wie in 2013 een grote tentoonstelling in Berlijn was gewijd, zijn de meeste kunstenaars nog vrijwel onbekend bij het grote publiek.

Daar kan verandering in komen. In het Groninger Museum is vanaf vandaag de tentoonstelling 'Nieuwe Wilden' te zien. Het is de eerste overzichtstentoonstelling in Nederland van de Duitse schilderkunst uit het begin van de jaren tachtig. Groningen is daarvoor een logische plaats: in 1981 was Groninger-Museumdirecteur Frans Haks een van de eersten om de wilde, veelzijdige kunst naar een museum te halen.

Snobisme en arrogantie

Het was eind jaren zeventig. Het abstract expressionisme en de conceptuele kunst-tijd hadden ervoor gezorgd dat de meeste kunstenaars vooral veel tijd doorbrachten met het uitleggen van hun werk, en nog maar zelden een penseel vasthielden. In West-Duitsland kwamen kunstenaars daartegen in opstand. In Keulen, Düsseldorf, Hamburg en West-Berlijn gingen ze weer schilderen, met verf en doek als protest tegen alle snobisme en arrogantie van de kunstwereld. Zoals de tentoonstelling in Groningen laat zien, was het resultaat heel divers. Drie dingen hebben de kunstwerken gemeen: het formaat is groot (minstens zo'n anderhalve meter breed en lang), er is alléén maar plat - dus op doek - gewerkt, en de voorstelling is min of meer herkenbaar, figuratief.

In verschillende steden ontstonden 'kunstenaarsgroepen'. Dat gebeurde soms meer uit praktische overweging, waarbij de kunstenaars een galerie deelden en slechts in één geval ook uit ideologische overwegingen. Toch zijn de werken in de tentoonstelling in Groningen ingedeeld op de locatie waar ze zijn gemaakt. Het levert voor Nederlandse bezoekers een waterval aan onbekende namen op, maar ook, en vooral, heel veel spektakel in verf en kleur.

De provocaties hebben de tijd niet altijd overleefd - over het afbeelden van een hakenkruis of een masturberende man halen de meeste museumbezoekers inmiddels hun schouders op - sommige van de kunstwerken zijn als schilderij nog steeds het bekijken waard. En dat is niet alleen vanwege hun historische waarde.

West-Berlijn en Hamburg

Zo is er 'KaDeWe' uit 1981, vier doeken van samen meer dan drie bij vier meter groot, gemaakt door Salomé (1954) en Luciano Castelli (1951). Van links naar rechts zien we naakte mannen, hangend aan handen en/of voeten, naast elkaar aan een horizontale stang. De West-Berlijnse kunstenaars uitten kritiek op het consumentisme waarin de westerse wereld volgens hen ten onder aan ging.

Salomé en Castelli behoorden tot een grote, veelzijdige groep die gebruikmaakte van de 'Galerie am Moritzplatz' tussen 1977 en 1980. In Hamburg maakte Martin Kippenberger voor het eerst naam. Hij volgde vanaf 1972 lessen aan de Hamburgse academie, en organiseerde tentoonstellingen in zijn eigen huis. Werner Büttner en Albert Oehlen (1954) woonden en werkten in Berlijn, maar hadden al snel genoeg van de gespannen sfeer in de kunstwereld daar. Ze trokken naar Hamburg, op zoek naar 'vast werk, een vaste verblijfplaats, een vaste vriendin'. Ze probeerden het alledaagse te voorzien van commentaar, niet direct vanuit politieke overtuiging, maar als kritiek op de samenleving. Daarbij leverde ze vooral kritiek op 'linkse moraalridders', zoals ze de tendens van die tijd beschreven.

'Koe' heet het tweeluik van Bettina Semmer (1955), en het toont, inderdaad, twee keer een koeiehoofd, maar wel op een vrouwenlichaam. In haar hand heeft ze een appel, en ze kijkt goeiig naar iets dat zich buiten ons blikveld bevindt. Het is, dat begrijp je al snel als je door de tentoonstelling loopt, een onderkoeld vrouwelijk commentaar op alle erecties en macho-scenes waarmee de mannelijke kunstenaars hun schilderijen vol lieten lopen.

Keulen

De Tsjechoslowaakse Jiri Georg Dokoupil (1954) was, na een jeugd in Duitsland, in New York in aanraking gekomen met de hedendaagse, conceptuele kunst. Samen met een aantal andere kunstenaars ontwikkelde hij een rauwe, expressieve stijl. In schilderkunst, want kunst moest direct zijn - het ontwikkelen van een fotorolletje duurde veel te lang. Het moest provoceren, en een van de belangrijkste doelwitten voor de provocatie was de kunstwereld. Aan de Mülheimer Freiheit in Keulen, een straat buiten het centrum van de stad, vonden ze een atelier van 500 vierkante meter. Met zes man werkten ze daar, aten samen, gingen samen naar de bioscoop, bespraken daarna hun ideeën in de kroeg en gingen nog nét niet met z'n allen naar bed.

Anders dan in Hamburg en Berlijn was hier echt sprake van een kunstenaarscollectief. Ze wilden een nieuwe kunst, eentje waarin de bestaande schilderkunst belachelijk zou worden gemaakt. Ze organiseerden ook tentoonstellingen waarbij de kunstenaars uit de andere steden te zien waren. Toch bleef de Keulse groep herkenbaar in stijl en vorm: op aanraden van Dokupil was 'klare taal' hun hoofdmotto. De hypocrisie van de kunstwereld was daarbij hun belangrijkste doelwit, maar tot hun eigen verbazing werd juist die kritische kunst al heel snel omarmd door dezelfde kunstwereld. Een van de eerste belangstellenden kwam uit Groningen: Frans Haks, in die tijd directeur van het Groninger Museum. In 1981 hadden de rebellen hun eerste museumtentoonstelling, in Groningen. "De een schildert nog rauwer en woester dan de ander, alsof het er om gaat wie het lelijkste schilderij kan maken", signaleerde de Telegraaf.

Shockeren

Inmiddels is het 'lelijke' er wel een beetje af bij de meeste werken. Natuurlijk, soms is te zien dat ze snel zijn gemaakt, in een paar penseelstreken. Maar er zitten ook heel indringende, langzaam neergezette werken tussen. Shockeren doen de schilderijen al lang niet meer. Maar de verbazing over de wereld die je kunt neerzetten met een paar lijnen en een penseel, die blijft.

De expositie 'Nieuwe wilden - Duits neo-expressionisme uit de jaren tachtig' in het Groninger Museum in Groningen is te zien tot en met 23 oktober.

'Oude' wilden zijn te zien in Zwolle

Franz Marc, Max Pechstein en Ernst Ludwig Kirchner protesteerden zo'n honderd jaar geleden al tegen de gezapigheid van de kunst - in hun geval tegen het impressionisme. Met felle kleuren en de nadruk op het innerlijke leven van mensen, dieren en planten ontwikkelden ze de beeldtaal van het expressionisme.

Gelijktijdig met de 'Nieuwe wilden' in Groningen presenteert Museum de Fundatie in Zwolle daarom tot 18 september 'Wilden - Expressionisme van Brücke en Der Blaue Reiter'. Op de tentoonstelling zijn zo'n honderd werken te zien, onder andere het eigen schilderij 'De schepping van de paarden' van Franz Marc uit 1913.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden