Review

Wil de echte biograaf van Elsschot opstaan?

Jean Surmont: Willem Elsschot. Tussen droom en daad. Biografie. Tirion, Baarn; 271 blz. - Fl.29,90.

Maar hoe mooi het brievenboek ook was en hoe veel de lezer ook over Elsschot en de man achter het pseudoniem, Alfons de Ridder, te weten kwam - dat klopte natuurlijk niet. Al was het maar om de simpele reden dat een biografie meer is dan een stapel omgevallen brieven.

Inmiddels is die biografie er wel gekomen. Ze is geschreven door de Vlaamse literatuurwetenschapper Jean Surmont, maar of dit het boek was waar alle Elsschot-liefhebbers op zaten te wachten, is de vraag. Wie het boek maar even inkijkt, ziet al snel dat het geen echte levensbeschrijving van de schrijver is in de traditionele betekenis.

De scheiding De Ridder/ Elsschot (die vroeger volgens veel critici gestalte kreeg in de twee-eenheid van Boorman en Laarmans uit onder meer 'Lijmen'/'Het been' en 'Kaas') moet voor de biograaf zo'n onoverkomelijk probleem zijn geweest, dat hij meteen al duidelijk maakt dat deze biografie geen gewone biografie is, maar 'een biografie in het licht van de semiotiek'. Dat wil zeggen dat 'we', om met de schrijver te spreken, “op zoek gaan naar wat de oorspronkelijke bedoeling van de auteur was toen hij schreef (de intentio auctoris), de reden waarom hij een tekst in een bepaalde vorm goot en tenslotte een verklaring voor de reactie van het publiek (of een element ervan) toentertijd (de intentio lectoris).”

Goed, het kan een literatuurwetenschappelijk ingegeven opvatting zijn die je als lezer hebt te respecteren. Maar moeilijk wordt het wel wanneer je gewoon wilt weten wat Alfons de Ridder op 15 maart 1958 deed. Dat is voor Surmont een totaal oninteressante vraag, schrijft hij. En waarom? Omdat het niet in zijn wetenschappelijke straatje past: “Alfons de Ridder schreef geen literatuur, en Willem Elsschot had opgehouden te schrijven.” Voor alle duidelijkheid: Elsschot stopte na 1947 al met schrijven, terwijl in 1957, tijdens zijn leven nog, het 'Verzameld Werk' verscheen. In 1982 is dit aangevuld met een aantal ongebundelde teksten die onder redactie van A. Kets-Vree verschenen onder de titel 'Zwijgen kan niet verbeterd worden'.

Moeilijk dus, vooral wanneer al snel blijkt hoeveel ellende Surmont zich met deze beperking op de hals heeft gehaald. Wie het leven van een schrijver (De Ridder, hij schreef immers zelf - niet zijn pseudoniem) beperkt en terugbrengt tot dat van zijn pseudoniem (Elsschot) komt verschrikkelijk in de problemen op de momenten waar die scheiding minimaal wordt of, soms zelfs wegvalt. Hoe groot de ellende uiteindelijk wordt, zie je terug in het krampachtige slothoofdstuk.

Nadat het boek eerst Elsschot vanaf zijn jeugd - dat wil zeggen de jeugd van Alfons de Ridder, maar dan weer in zoverre deze direct aanwijsbaar (dus via de literatuur van Elsschot) op zijn schrijverschap van toepassing is geweest - en vervolgens aan de hand van de chronologie van zijn werk per titel netjes maar weinig inventief is ingedeeld, volgen er na het hoofdstukje over Elsschots laatste gedicht 'Borms' nog twee bladzijden over de periode 1947-1960: 'En daarna. . .'?

Ja, wat daarna? Vreselijk is het om te zien hoe de biograaf vervolgens met de mond vol tanden staat. De Ridder bestaat niet, weet hij, dus is er na 1947 ook niets meer gebeurt en blijkbaar ook niets meer de moeite waard. Het (schrijvers)contact met de jonge Louis Paul Boon, voor wie Elsschot een aanbeveling schreef in 'Mijn kleine oorlog' niet, de ontmoetingen met Simon Carmiggelt blijkbaar ook niet - al beschrijft Surmont hun laatste ontmoeting, een paar dagen voor Elsschots dood, gelukkig nog wel, zij het slecht en summier. En waarom? Ik zou het werkelijk niet weten. Zou het zijn omdat de brieven van Elsschot aan de twee vooral met A. of Alfons de Ridder ondertekend waren? Of waren de contacten waar het om 'de schrijver Elsschot' gaat niet de moeite waard? En Elsschots dood zelf? Kon die dood (hij overleed in 1960 aan de gevolgen van een 'ongeneeslijke darmziekte' zoals Carmiggelt het uitdrukte in een herinnering) niet beschreven worden omdat 'De Ridder nooit literatuur geschreven had en Elsschot niet meer schreef'?

Het zou allemaal niet zo erg geweest zijn als de rest van het boek een overtuigende literatuurstudie was gebleken naar de oorspronkelijke motieven die Elsschot dreven tot zijn werk. Maar ook dat valt helaas bitter tegen. Nergens worden overtuigende verbanden gelegd, nergens ontstaat er een duidelijk consistente betooglijn die je als lezer de indruk geeft: ja, hier komen we tot de kern van Elsschot. Nee, nergens staat de biograaf boven zijn stof, noch komt hij met een werkelijk nieuwe interesante visie op het werk van de schrijver. Zelfs een systematisch onderzoek naar de receptie van Elsschots boeken kom je (ondanks de aankondiging ervan in de vraagstelling) niet tegen. Hier een geleerd citaatje zus, daar een gesprekje met een nabestaande zo. Hier wat over moederbinding, daar wat over Elsschots jeugdige bohémienschap. Hier wat geplakt, daar wat gelezen en zo ontstaat een zeer onevenwichtig werkje waarin hier en daar een kleine overwinning wordt behaald wanneer bijvoorbeeld halverwege wat oude opvattingen van Van Vlierden (hij schreef in 1958 een portret van Elsschot in de serie 'Ontmoetingen') worden rechtgezet waar deze Elsschot ten onrechte voor cynisch (moet zijn: ironisch, blz. 113) houdt of de figuur Boorman ten onrechte voor een deel aan het karakter van de schrijver doet ontlenen.

Maar voor de rest blijft het behelpen en dat bovendien nog in zo'n slordige en onbeholpen stijl, dat je je afvraagt of de uitgever er niet een stokje voor had moeten steken, voor de publicatie van deze scriptie. Neem het nawoord, waarin Surmont - nadat hij op de valreep niet zonder trots (dat is begrijpelijk) een pas ontdekt briefje van Elsschot aan Karel Jonckheere toont - met de volgende zinnen eindigt: “Dus nog een schakeltje voor de nog te schrijven volledige Elsschot-biografie. Deze taak is niet voor ons weggelegd, want boven de Moerdijk blijkt men over meer tijd, geld en middelen te beschikken om dit monsterproject tot een goed eind te brengen. Dit ei is gelegd. . .”

Jaja, dit ei is gelegd. O, beste brave kinderen, lieve, lieve vrouw. Nee - ook na 'Willem Elsschot, tussen droom en daad', wachten wij nog steeds stil op Gods ontferming en is het te hopen dat de volgende biograaf (Vic van der Reijt?) geen boekhouder maar een schrijver mag wezen, die dit raadsel van onleesbaarheid snel tot het eeuwige rijk der bibliografie zal verwijzen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden