Review

Wij zijn van dezelfde materie

Sciencefiction is, vooral voor vrouwen, een aantrekkelijk genre. In het heelal of de verre toekomst kun je mannen even weg denken. Of laten zien waar de exploitatie van de aarde toe leidt. Julie Phillips bespreekt drie zulke romans: daarin laten Jeanette Winterson, de Zweedse Ninni Holmqvist en Nobelprijswinnares Doris Lessing hun fantasie de vrije loop.

Cormac McCarthy schrijft, in ’De weg’, over de laatste mensen op aarde. Margaret Atwood doet hetzelfde in ’Oryx en Crake’. In ’Stralende dagen’ laat Michael Cunningham aliens door New York lopen. Michael Chabon situeert een Joodse staat in Alaska. Jeanette Winterson vertelt over liefde met robots en Doris Lessing heeft de Nobelprijs gewonnen.

Bijna elke serieuze literaire schrijver met een beetje fantasie loopt de kans om af te dwalen naar het territorium van de sciencefiction. Wie op dit genre neerkijkt omdat het niet genoeg literaire kwaliteit zou bezitten, vergeet dat sciencefiction tenminste één ding beter kan dan welke ander genre ook: het zoeken naar alternatieven, het heroverwegen van sociale verbanden. Vooral vrouwen hebben daar behoefte aan. Zij hebben reden te verlangen naar verandering; en in het heelal is er plek zat om opnieuw te beginnen.

Dat is precies de hoop waar Jeanette Winterson op inspeelt met haar geestige, romantische en sprankelende roman ’De stenen goden’. Winterson heeft gezegd dat ze een politiek boek wilde schrijven, over het broeikaseffect, uitputting van de aarde en staatsrepressie. Het is de vraag of je met zo’n boek de wereld kunt redden, maar Wintersons woede heeft haar verteltrant, die enigzins uitgeput leek, gescherpt. Of misschien profiteert ze van de ruimte die de fantasie haar biedt. Die benut ze ten volle: het boek beweegt zich tussen de nabije toekomst, de achttiende eeuw en een andere planeet, 65 miljoen jaar geleden.

Binnen die ruimte keren enkele grote thema’s steeds terug: liefde, de reis en de terugkomst, het verloren paradijs. Het eerste deel van het boek speelt zich af op een maagdelijke planeet die per ongeluk –oeps– bijna wordt vernietigd door de eerste menselijke bewoners ervan. In het tweede deel, dat zich afspeelt in 1774, is een Engelse matroos op Paaseiland getuige van de verwoesting van het eiland door de bewoners ter ere van hun goden. Het derde deel voert ons mee naar het Engeland van na de Derde Wereldoorlog (die is uitgebroken na een Iraanse atoomaanval). In elk deel is onze gids Billy – of Billie, Crusoe. Hij verschijnt afwisselend als zeeman, als vrouwelijke ambtenaar en als een astronaute tegen wil en dank. In elk deel strandt hij/zij in een vreemde wereld en wordt gered door de liefde.

Een boodschap van liefde en verlangen weerklinkt in het boek, als een bericht van een verloren beschaving dat heen en weer kaatst tussen de aarde en de maan. Billie herinnert zich hoe ze als kind afgestaan werd voor adoptie. Maar ze blijft afgestemd op het lichaam van haar moeder: „Op nacht tweeëndertig kwam mijn moeder thuis van de weverij en maakte een omweg langs de gasfabriek naar de Adoptievereniging. Ze vond aan de achterkant een voetsteuntje in de muur en hees zichzelf omhoog [om] door het raam naar binnen te kijken. () Ze stond daar als een vuurtoren, als een pulsar, en ik was een radiotelescoop die het signaal opving. () Ik weet dat je er bent, ik weet waar je bent, ik kan je opsporen omdat we van dezelfde materie zijn.”

De robot Spike, Billie’s minnares, zegt: „Alles draagt altijd het stempel van wat het ooit geweest is.” Billie merkt op: „Het tegenovergestelde van eenzaamheid is niet gezelschap, het is terugkeer. Een plek om naar terug te keren.”

In het laatste deel heet het ’ongerepte’ paradijs ’Wegstad’. Het is een anarchistische, postapocalyptische enclave vol ’kistjes’-dragende punkmeiden die leven op buitgemaakte champagne, sardientjes en wit leren meubels. Hier ontmoet Billie Crusoe haar Vrijdag: een barkeeper die vroeger werkte voor de Wereldbank.

Ondertussen keert Spike, de robot die in het eerste deel op tragische wijze haar lichaam af heeft geworpen, terug als hoofd dat is ontsnapt voordat haar lichaam afgebouwd is. Vervolgens laat ze zich verleiden tot cunnilingus met een jonge rock-chick genaamd Nebraska. Daar kan ’Blade Runner’ nog een puntje aan zuigen!

In het begin van ’De stenen goden’ doet Wintersons mix van sciencefiction en liefdesverhaal een beetje onwennig aan vanwege de clichés over robotparkeerwachten en megamultinationals die de wereld overnemen. (Al doen ze dat natuurlijk wel.) Maar tegen het einde wint het boek zowel aan humor als aan filosofische diepgang. Door de Literatuur even wat minder serieus te nemen, heeft Jeanette Winterson een van haar meest serieuze én amusantste boeken kunnen schrijven.

Als er één literaire schrijver is die bij de sciencefiction hoort, is het Doris Lessing, met haar scherpzinnige, tegendraadse politieke verkenningen van rolpatronen, het huwelijk en de staat. Haar ideeën lijken bijna te groot om te kunnen onderzoeken zónder gebruik te maken van denkbeeldige werelden. In 1979 publiceerde Lessing het eerste deel van de ambitieuze ’Canopus in Argos: archieven’, vijf boeken over een aantal sociale experimenten op verschillende planeten, waarbij het vermogen van de mens tot morele en spirituele groei wordt onderzocht. Het zijn indrukwekkende, intelligente en zonderlinge boeken, die laten zien hoe gedurfd de keuze van het Nobelcomité voor Lessing in feite is.

Haar nieuwste roman heeft echter het karakter van een mythe, een gevaarlijk genre voor een schrijver als Lessing, die haar eigen emoties niet altijd onderkent en geneigd is achter haar eigen rug om te denken. ’De kloof’ gaat over de oorsprong van sekseverschillen in een prehistorisch verleden. Een geheel uit vrouwen bestaande kolonie woont tevreden aan zee bij een kloof in de rotsen. Op een dag beginnen deze vrouwen ook jongetjes te baren.

Geconfronteerd met de andere anatomie van de jongetjes ontwikkelen ze een nieuw zelfbewustzijn. Opeens beginnen ze te denken in termen van ’gelijk, ongelijk; hetzelfde, anders; – vol verschillen’. Drie keer raden: de mannen jagen en gaan op verkenning uit, de vrouwen zeuren en doen het huishouden. Achter deze clichés vermoed je als lezer verscheidene lagen dubbele ontkenningen – ’als jullie dit geloven, dan geloof ik dat’ – culminerend in het vereffenen van een oude rekening met vrouwen in het algemeen of met Lessings moeder in het bijzonder.

’De eenheid’ van de Zweedse schrijfster Ninni Holmqvist lijkt conventioneel qua stijl, een ’vrouwenboek’. Maar het sciencefiction-uitgangspunt maakt het tot een verontrustende roman met een beangstigende bijsmaak. In Holmqvists Zweden-van-de-nabije-toekomst worden vrouwen boven de vijftig en mannen boven de zestig die niet getrouwd zijn, geen kinderen hebben en geen noodzakelijke arbeid verrichten, overbodig verklaard. Ze worden naar ’de Eenheid’ gestuurd, een inrichting waar ze comfortabel gehuisvest worden, goed te eten krijgen en gebruikt worden als proefkonijn bij medische experimenten tot ze na een aantal jaren hun organen moeten doneren ten behoeve van de zogenoemde ’onmisbaren’.

Dat doet denken aan Kazuo Ishiguro’s ’Laat me nooit alleen’, waarin baby’s worden gekloond om, als ze eenmaal volwassen zijn, te dienen als orgaandonor. Maar Holmqvist legt hier de vinger op de zere plek: op de reële angst dat je als oudere wordt afgedankt wanneer je geen sterke familie- of vriendschapsbanden hebt of geen maatschappelijke positie hebt verworven. Bijvoorbeeld als je een schrijfster bent zoals Holmqvist, die haar eerste boek publiceerde toen ze in de dertig was, en een wel aantal boeken op haar naam heeft staan, maar misschien niet eens rond kan komen van haar werk. De bewoners van de Eenheid hebben gekozen voor zelfontplooiing, niet voor een baan en voor kinderen. De vertelster, de schrijfster Dorrit, weet nog dat haar feministische moeder haar waarschuwde: „Pas op dat je je niet door een man laat onderhouden, niet financieel, niet intellectueel en niet emotioneel. Loop niet in die valstrik!” Maar met de dood voor ogen beginnen de bewoners van de Eenheid voor elkaar te zorgen en vormen ze sterkere banden dan ze ooit gehad hebben. Velen van hen, onder wie Dorrit zelf, worden verliefd.

Als lezer hoop je dat ze gezamenlijk in verzet komen en ontsnappen. Maar dat kunnen ze niet. Ze hebben wel geleerd om onafhankelijk te zijn, maar niet om actief in te grijpen. Soms word je gék van de vertelster, die zich maar blijft verliezen in trivialiteiten – te midden van alle verschrikkingen keuvelt Dorrit over haar lunch, haar uitstapjes naar de sauna, haar gevoelens voor haar medepatiënten. Maar hiermee maakt het boek juist duidelijk dat de ’overbodigen’ wel in staat zijn om het leven te begrijpen, maar niet om erin te handelen. Ze hebben hun ziel gewonnen, maar de wereld verloren.

Dit lijkt fatalistisch, en dat is het ook. Zoals alle anti-utopische romans (denk aan ’1984’) zijn Holmqvists en Wintersons boeken bedoeld als waarschuwing. Misschien heb ik het mis en gebruiken schrijvers sciencefiction niet om zich een nieuwe maatschappij voor te stellen. En misschien is de groeiende interesse in andere werelden een teken dat we de hoop op verandering al hebben opgegeven – behalve in onze dromen.

Vertaling Jan van Houten

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden