'Wij zijn niet van die dromerige zielen'

ARNHEM - Opgelucht loopt een eindexamenkandidate van de Hogeschool voor de Kunsten in Arnhem naar haar wachtende studiegenoten. Zij heeft haar plastieken net gepresenteerd aan docenten en gecommitteerden. En het sloeg blijkbaar aan, want: "Ze wensten me veel succes in mijn verdere loopbaan!"

Vlakbij een telefoon waar een jongen opgewonden in tettert, barst op dat moment een discussie los. Het onderwerp lijkt nogal ongepast, op de een na laatste studiedag. Adjunct-directeur Peter Godefrooij had van tevoren zelfs gewaarschuwd: "Daar staat hun hoofd vast niet naar." Maar de vierdejaars studenten vrije kunsten praten gepassioneerd over de pecunia.

Aanleiding is het regeringsstandpunt over kunstenaars en bijstand waarover komende dinsdag een mondeling overleg plaatsvindt in de Tweede Kamer. Het kabinet wil twaalfhonderd kunstenaars voor maximaal vier jaar een basisbeurs geven. Voor de overigen moet de normale zelfstandigenmaatregel gelden: ze krijgen een jaar om een eigen winkel op te zetten. Lukt dat niet, dan kunnen ze kiezen: solliciteren of omscholen. Het plan komt uit de koker van staatssecretaris Ter Veld (sociale zaken). Zij vindt een afwijkende regeling voor kunstenaars in de bijstand niet meer te rechtvaardigen.

De Arnhemse studenten kunnen zich nauwelijks voorstellen dat het nieuwe plan doorgang vindt. Ze hebben zich vier jaar lang voorbereid op het kunstenaarschap; moeten ze over een jaar alweer een ander vak gaan leren? En hoe groot is de kans dat ze dan wel een baan vinden?

Bob Gramsma is de enige van de aanwezigen die denkt dat het wel gaat lukken. De anderen reageren met hoongelach. Zij verwachten van het kunstenaarschap niets anders dan een keihard bestaan aan de rand van het minimum. Daar klagen ze niet over, want ze hebben ervoor gekozen. Maar ze weten dat de dure kleren, chique etentjes en verre reizen van hun goedverdienende leeftijdgenoten er voor hen voorlopig niet in zitten.

Bijbaantjes

De meesten hebben een startstipendium van 35 000 gulden aangevraagd bij het Fonds voor de Beeldende Kunsten. Een aantal krijgt nog een jaar uitstel door een postacademische kunstopleiding te volgen. Een enkele vraagt een uitkering aan om zich geheel op het eigen werk te kunnen concentreren. En de rest gaat op zoek naar een bijbaantjes.

"Ik denk dat ik borden ga wassen in een restaurant. Zulk werk is zo geestdodend dat ik vast nog energie over heb voor mijn kunst. Of misschien word ik wel parttime huisschilder. Lekker de hele dag strijken" , zegt Henri Burgers (26), die nog wacht op de uitslag van de vervolgopleiding in Amsterdam waarvoor hij zich heeft aangemeld.

Bob Gramsma (30) reageert fel: "Ik pieker er niet over om baantjes onder mijn niveau te nemen. Elke dag, elke minuut wil ik met plezier werken. Ik heb voor de kunst gekozen. Waarom zou ik mijn talenten verspillen aan ongeschoold werk?"

Als hij in de kelder van de tentoonstellingsruimte zijn examenwerk laat zien - de anderen blijven boven - vertelt Gramsma dat hij in uiterste nood wel wil terugvallen op zijn vroegere baan als docent van moeilijk opvoedbare pubers. Maar de kans dat hij het redt in zijn nieuwe beroep is vrij groot.

Gramsma studeert al na twee jaar af, omdat de docenten hem rijp vinden voor een diploma. Hij is aangenomen voor de postacademische opleiding in Arnhem, waar hij nog een jaar intensieve studie verwacht. De verkoop lukt nu al aardig en er zijn zelfs al opdrachten. Een voorbeeld daarvan is een opblaasbaarwerk met grillige vormen. Het oranje afgietsel van zijn eigen trapruimte is nu gedrapeerd voor de ingang van het gebouw aan de Eusebius Buitensingel waar het examenwerk is geexposeerd. Begin juni komt het op de jaarlijkse tentoonstelling van park Sonsbeek te liggen.

Er zijn altijd uitzonderingen, zegt adjunct-directeur Godefrooij, maar de meeste beginnelingen hebben drie tot vijf jaar nodig om zich financieel te redden. Eerst moeten ze galerieen voor zich winnen (een studente weet al hoe: 'Ga veel naar openingen en smile!'), regelmatig exposities houden en werk verkopen.

Hilariteit

De beste voorbereiding op de praktijk is volgens Godefrooij: hard werken aan de artistieke ontwikkeling van studenten. "We zijn nu eenmaal geen managementsopleiding." Maar er is de laatste jaren wel meer aandacht voor de technische aspecten waar zelfstandig werkende kunstenaars mee te maken krijgen. Ook houden praktijkmensen bijna iedere week een lezing.

Die bijeenkomsten worden druk bezocht, vertellen de studenten. Vooral de boekhouder trekt volle zalen. Onder grote hilariteit herhaalt een van de aanwezigen een tip van een galerie-houder: "Wacht een paar jaar tot je werk rijp is. Zoek dan pas contact met ons.' Moeten we even doorgeven aan staatssecretaris Ter Veld, reageert iemand droog.

Belangrijker dan een cursus boekhouden vindt adjunct-directeur Godefrooij een training in het presenteren van het eigen werk. De design-afdeling van zijn school oefent dat al in rollenspelen. De studenten verschijnen voor 'commissies' en proberen onwelwillende 'galeriehouders' over te halen toch eens te komen kijken.

Het directielid heeft de ervaring dat de meeste studenten niet zo te porren zijn voor zulke activiteiten. "Hoe ze het als zelfstandig kunstenaar moeten redden, zien ze dan wel weer. Voor een grote groep is de academie net een klooster. De werkelijkheid dringt pas tot hen door als ze van school af zijn." Vandaar dat de kunstacademies gezamenlijk een jaar na het examen een bijscholingscursus willen organiseren.

Verontwaardigd reageren de verzamelde studenten op de suggestie dat zij zich niet druk maken om hun toekomst. "Wij zijn niet van de generatie dromerige zielen" , zegt een van hen. "In de jaren zeventig en tachtig dachten beginnende kunstenaars nog dat ze vanzelf wel beroemd werden. Wij weten dat ons werk uit twee delen bestaat: maken en verkopen."

Met dat laatste is studente Sandra van Karssen al voorzichtig begonnen. Kortgeleden verkocht ze een onderdeel van haar examenwerkstuk - een overlevingspakket - voor 68 gulden. Een symbolisch bedrag, want in dat jaar werd ze geboren.

Veel te weinig, oordeelt studiegenoot Henri Burgers. Hij kreeg laatst tweeduizend gulden voor een figuratief schilderij. "Ik wil mijn werk niet voor een appel en een ei verkopen" , is zijn standpunt. "De nieuwe eigenaar moet blauwe vingers krijgen van het neertellen." Zijn zakelijkheid zal het kabinet deugd doen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden