Wij waren hier eerder

Israël bestaat deze maand 65 jaar. Maar wie praat over de wortels van de staat heeft het al gauw over millennia. En alles staat in dit land onder spanning.

Enkellange rokken. Die zie ik als ik terugdenk aan Jeruzalem - rokken, en ik hoor een onmiskenbaar New Yorkse tongval. De rokken zag ik drie kwartier voor me, van een moeder met twee puberdochters die 553 meter lang voor me liepen in de schemerige tunnel van koning Hizkia. Ze probeerden hun opbollende rokken te temmen, terwijl ze die optilden tegen het water waarin we tot aan onze heupen waadden. De Amerikaanse Jodinnen waren goed voorbereid, dat wil zeggen: ze droegen iets broekerigs onder hun rokken, zodat geen treife blik zicht kreeg op de naaktheid van hun orthodoxe benen. We vorderden traag door de enge schachten die vaak niet eens manshoog waren, en als er helemaal geen licht meer was, dan had ik nog dat geluidsbaken, die Yiddishe Mama die haar dochters luidkeels door de oudtestamentische gangen loodste.

De tunnel leidde van de Gihon-bron aan de voet van de berg waarop Jeruzalem ligt, naar Siloam, een waterbekken in de stad zelf - bij belegeringen was zo'n ondergrondse verbinding handig, vanwege de watervoorziening en om stiekem weg te kunnen komen.

Een technisch hoogstandje anno 700 voor Christus, waar een verslag van is in de vorm van een inscriptie die nu in het Archeologisch Museum van Istanbul hangt. In de negentiende eeuw, toen het huidige Israël onderdeel was van het Ottomaanse Rijk, was ze uit de tunnelmuur gebikt. Israël heeft in 2007 nog geprobeerd het historische kleinood terug te krijgen, maar de Turkse overheid beschouwt het object - een kopie hangt nu in de tunnel, we schuifelden er in ganzepas langs - als Ottomaans bezit, zoals de Nike van Samothrake nu in het Louvre Frans erfgoed staat te wezen.

De 'Siloam-inscriptie' was opmerkelijk. De Hebreeuwse tekst verhaalt hoe tunnelgravers zich van weerskanten een weg baanden door de rots. Toen ze nog een paar meter hadden te gaan "hoorde men, hoe ze elkaar riepen. Op de dag van de doorbraak sloegen de steenhouwers tegen elkaar in, houweel op houweel. Het water stroomde van de bron naar de Siloamvijver."

Of het in het echt zo gegaan is, weet ik niet, maar mij had die inscriptie te pakken. Ik zie ze voor me, koning Hizkia's kompels, zwoegend in het zweet huns aanschijns, en dan plotseling horen ze elkaar en komt er die doorbraak en dat onderaardse rendez-vous. Zelfs de Amerikaanse moeder was er even stil van.

Buiten, bij de bron van Siloam, scheidden onze wegen. Voor Joden heeft die bron minder te betekenen dan voor mensen als ik die met het Nieuwe Testament zijn opgegroeid. Jezus zei er behartigenswaardige woorden over ziekte en ongeluk - dat is geen eigen schuld, noch die van je voorgeslacht. Daarop maakte hij met wat spuug modder en smeerde dat op de ogen van een blinde. "Ga je nu wassen in het badhuis van Siloam", zei hij. Ik stel me voor dat deze grauw-witte stenen uit het jaar nul, die de blindgeborene alleen op de tast kende, het eerste was wat hij zag toen hij zich de ogen uitwreef. Als hij al wat zag, met die nietsontziende zon.

Vreemd genoeg zag ik het tafereel helder voor me, maar raakte het me minder dan die inscriptie gedaan had.

Iets dergelijks overkwam me een paar uur later. Onze kleren waren weer droog, niet zo moeilijk in de woestijnzon, zelfs in de schaduw was het nog 39 graden.

Vijf minuten lopen vanaf de Kotél, de Klaagmuur - het hart van het wereldwijde Jodendom én de achterkant van de islamitische Rotskoepelmoskee - ligt de Stad van David. Tegen de berg aangebouwd. De opgravingen zijn nog altijd in volle gang.

Was dit het paleis van David geweest, de mooie jongen die door Michelangelo uit Carrarra-marmer is gehouwen, de verwarde koning die 'played the secret chord, and it pleased the Lord'; die viel voor Batseba 'bathing on the roof', uit Leonard Cohens Hallelujah?

De bijbelse koning die opnieuw eeuwigheidswaarde kreeg in een nakomeling, 'Davids zoon, lang verwacht'?

Voor de gids was het een uitgemaakte zaak. Ja, hier was het. Nadien herinnerde ik me van zijn gedetailleerde toelichting erop weinig. Alleen zijn verhaal tegen de achtergrond van wat rommelige steenhopen bleef me bij, ik kan het me nu, een paar jaar nadien, bijna woord voor woord herinneren. In de volle zon vertelde hij hoe 'we' niet lang geleden bullae, kleizegels, hadden gevonden, de stempels uit de Oudheid op officiële documenten.

De gids wekte met dat 'we' de indruk dat hij zelf op knietjes aan het opgraven was geweest. Door een brand, waarschijnlijk in 586 voor Christus gesticht door Babyloniërs die Jeruzalem innamen, was een huis dat tegen het koninklijk paleis was aangebouwd, verwoest met inboedel en al. Gelukkig. Want daardoor kon de bewoner worden vastgesteld: diens bullae waren gebakken in de vlammen en nog steeds leesbaar.

Kort geleden, in 2005 en 2008, hadden 'we' ze van onder de ruïnes tevoorschijn gehaald. Met twee verschillende namen erop, van twee bewoners dus. Gedalja en Juchal were here. Hun namen waren op de informatieborden redelijk te ontcijferen; ik lees dat klassieke Hebreeuws niet zo soepeltjes, maar herkennen van wat letters, dat lukte wel. De mannen waren, aldus de gids, bekend uit andere bron, ze delen één bijbelvers, in het bijbelboek Jeremia.

Jeremia was een profeet, als adviseur verbonden aan het hof van koning Zedekia. Gedalja en Juchal waren diens ministers - en niet zo blij met profeet Jeremia, die vond dat ze zich maar beter konden overgeven aan de Babyloniërs. Gedalja en Juchal waren volgens de Bijbel de bad guys, want ze gooiden Gods eigen profeet Jeremia in een kerker.

Uiteindelijk legden de Babyloniërs de hele stad in puin, en om kort te gaan: daar dankte ik de ontmoeting met die twee kleizegels aan.

Onmiddellijk identificeerde ik me met de vinder. Je zult maar zo'n artefact in handen krijgen. Niet meer dan een prulletje ter grootte van een duimnagel, maar wel eentje met de geschreven bron erbij, kom daar eens om als je in de Oudheid loopt te struinen.

Laatst vond ik een artikel van het hoofd van de opgravingen, Eilat Mazar; haar man had het eerste zegel gevonden. Ze schreef: "Toen ik die naam in de encyclopedie opzocht en ontdekte dat die ook in de Bijbel voorkwam, slaakte ik in ons stille huis een gil van verrukking. Gelukkig sliepen de kinderen diep. Ik had het gevoel dat ik een bijbels personage tot leven had gewekt."

Een dergelijke ervaring had ik ook gehad. Ik geloof dat ik even rilde in de zomerhitte. Hier vielen zomaar een slordige drie millennia weg, door deze zegels verdampte de tijd en beleefde ik het genot van oog in oog te staan met het verleden. Electrifying. Zo voelt dat dus, bedacht ik, een historische sensatie.

Johan Huizinga muntte dat begrip driekwart eeuw geleden. "Dit niet geheel herleidbare contact met het verleden is een ingaan in een sfeer, het is een der vele vormen van buiten zichzelf te treden, van het beleven van waarheid die de mensch gegeven zijn." Hij onderging die sfeer vooral bij middeleeuwse voorwerpen, ik bleek gevoeliger voor bijbelse objecten. Niet zo vreemd, ik ben niet alleen opgeleid als theoloog maar ook opgevoed met bijbelvertellingen uit 'Naar het Heilig Blad', verluchtigd met fijne tekeningen van huisraad en landschappen van het Heilige Land. Sindsdien was ik onherstelbaar verbonden met Israël.

Wat Huizinga beschreef, die sensatie, kreeg in dat Midden-Oosterse land nog een paar extra's. Vreemd genoeg realiseerde ik me pas maanden nadien dat ik die zegels zelf helemaal niet gezien had. Alleen maar foto's van de bullae, vergrotingen van de zegels die een doorsnee hadden van een centimeter. En van die inscriptie had ik niet meer gezien dan een kopie. Mijn gevoeligheid voor die sensatie was dus gevoed zónder object, met niet meer dan de suggestie van het oorspronkelijke voorwerp en een goed verhaal eromheen, verteld op de juiste plaats. Een heerlijke verwondering. In den beginne was het woord.

Daarnaast was die historische sensatie ook nog iets heel anders, een andere waarheid. Hier vielen slechts veertig jaar weg. Ik stond oog in oog met het jongetje dat ik was, tien jaar oud. Toen vertelde meester De Boer op de School met den Bijbel de Bijbelse Geschiedenis en de Vaderlandse Geschiedenis. Ik geloofde onbekommerd in allebei. Op deze archeologische site ervoer ik een pijnlijk gemis, ergens in de maagstreek: dat die naïviteit voorgoed verleden tijd was.

Wat zich ook aan me opdrong in de Stad van David, staand bij die grove keien uit de dagen van Zedekia, was dat de hele entourage - woorden, sfeer, beelden en natuurlijk die vreselijke hitte - onder spanning stond. Alles wat de gids vertelde en aanwees, kreeg een huiveringwekkende lading die de woorden en de dingen oversteeg.

Na de rondleiding dronken we wat om op te frissen. De groep die na ons dezelfde rondgang had gemaakt, vervoegde zich bij ons. Plotseling hoorde ik een bekende stem, de New Yorkse met de dochters en de rokken die nu weer netjes geplooid waren. Voor haar dochters vatte ze het gehoorde kort samen. "Awesome. We zijn hier altijd geweest." Een hele geschiedenis van Joden. "En nu zijn we terug."

De Duitse historicus Leopold von Ranke (1795-1886) formuleerde vuistregel één voor aankomende historici.

Die luidt dat de geschiedkunde opgezadeld wordt met een oneigenlijke taak: oordelen over het verleden, leveren van aanwijzingen voor het heden en bewerkstelligen van een betere toekomst. Ranke waarschuwt tegen dat gemoraliseer. De historicus hoeft alleen maar 'te laten zien hoe het echt was'.

Dat was voor mij een half mensenleven lang vanzelfsprekend geweest. Bij de Klaagmuur ontdekte ik dat die vuistregel ook maar een mening was. Met dank aan dr. Ruben K., specialist in Israëlitische Oudheden, die ons daar begeleidde.

Ruben K. was een aimabele vijftiger met een baard en een kippa op, een gehaakte keppel. Dat maakte de drager een orthodoxe Jood van het type kolonist. Sterker nog: hij woonde in wat wij tot zijn grote ergernis 'bezette gebieden' plegen te noemen; ik bond omwille van de goede verhoudingen wat in en hield het op 'omstreden gebieden'.

We slenterden daarna door de soek met zijn winkeltjes en benauwende geuren. In de verte, voor de lager gelegen Klaagmuur, zag ik de drie New Yorkse vrouwen staan, helemaal rechts, in het petieterige vrouwendeel; te oordelen naar de ruimte per geslacht is het Jodendom vooral een mannending.

Net voordat we de trap afgingen, raakten mijn begeleider en ik in gesprek over Jeruzalem als knooppunt van religies. De Tempelberg is hun open zenuw. Ik zag de Rotskoepel goudglimmend boven de Klaagmuur uittorenen, na Mekka en Medina de derde heilige plaats van de islam. Ik herinnerde me afbeeldingen van Mohammed die op zijn gevleugdelde paard Boerak - een islamitische Pegasus - daarvandaan een nachtreis naar de hemel maakte.

Mijn gids las mijn gedachten. "U weet toch dat in de vroegste geschriften van de islam Jeruzalem niet voorkomt? Moslims zijn vreemden hier."

We liepen de trappen af naar het Klaagmuurplein. Overal getuigden glimmende bordjes van de royale financiers van opgravingen en bouwwerkzaamheden. Die kwamen vaak uit de Joodse gemeenschap in de VS. Maar het is geen mecenaat uit liefde voor de kunst, of voor de geschiedenis zoals Ranke die opvatte.

Ruben K. bleek goed ingevoerd in de archeologie. Ook in die van onder het Klaagmuurplein. "Alle vondsten hier getuigen ervan: wij Joden waren hier eerder." En dat heeft voor Ruben verstrekkende gevolgen. De wetenschapper deed niet eens zijn best dat te verhullen. Hij wees naar de Rotskoepel. "Zij horen hier niet."

In Israël staat alles onder stroom. Voor wie er gevoelig voor is, natuurlijk. Het is, om met Huizinga te spreken, 'ingaan in een sfeer en het beleven van een waarheid' die je hier godsdienstig mag noemen, maar net zo goed politiek, want die twee zijn onontwarbaar verstren-geld. Elke opgraving (ook die van moslims bij hun moskee trouwens) is religieuze en politieke archeologie. Daar gaat het niet alleen om 'hoe het echt was', maar in een moeite door ook om hoe het nu moet wezen.

Alsof je in Borger hunebedden en spullen uit de trechterbekercultuur bekijkt en je laat vertellen hoe hunebedbouwers leefden, en meteen de boodschap meekrijgt dat die cultuur van een Hogere Orde is en dat al die latere bewoners van Noord-Nederland beter elders kunnen gaan wonen.

Dat jullie hier eerder waren, zeg ik tegen Ruben, dat draait om tijd. Maar, vraag ik, welk tijdvak is dan de norm?

Hij antwoordt razendsnel. Biblical times. Het is het antwoord van de kolonist.

Is dat een historisch te verdedigen keuze? vraag ik hem. "Als je een andere periode als ijkpunt aanwijst, krijg je een andere uitkomst." Voordat Joden zich hier vestigden, woonden er Kanaänieten. Filistijnen. Die waren er eerst. En wie kwamen er toen de Joden verdreven waren, in twee millennia diaspora na de verwoesting van de tempel waarvan alleen de Klaagmuur nog overeind staat? Maak van 700 vóór 700 ná Christus en je komt moslims tegen die hun Rotskoepelmoskee bouwen. Waarom is hun tijd niet het uitgangspunt?

Dr. Ruben draait een krulletje in zijn baard. "Dat kan ik als historicus niet verdedigen. Maar dit land is ons beloofd. Dat is de waarheid."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden