Wij Nederlanders kennen ons slavernijverleden niet goed genoeg

Racisme 'is overal aanwezig', zegt emeritus hoogleraar genderstudies Gloria Wekker in Trouw van 28 mei, 'en het zit ontzettend diep. Vierhonderd jaar kolonialisme laat zich niet van de ene op de andere dag uitwissen'. Dat is mij als historicus en journalist te gortig.

Dat wij op grote schaal niet-witte migranten 'onbewust' associëren met het koloniale verleden, zoals Wekker zegt, lijkt mij niet erg waarschijnlijk, maar omdat het volgens haar 'onbewust' gebeurt, kan ik niet bewijzen dat Wekker ongelijk heeft. Daarmee maakt Wekker het zich te makkelijk.

Zelf heb ik nooit neergekeken op zulke mensen en mijn (vooral blanke) sociale omgeving evenmin. Of het nu gaat om Molukkers (die ik aan tafel haalde na de treinkapingen), Surinamers, Antillianen of moslims (zoals mijn Afghaanse buren waarmee ik koffie drink): hun taal en cultuur is anders dan het beschermde gereformeerde milieu uit mijn jeugd, maar dat leidde niet tot minachting van deze mensen.

In gesprekken die ik heb met niet-witte medelanders ontkennen ook zij dat racisme gemeengoed is onder Nederlanders. Discriminatie en belediging van deze mensen komen helaas voor en dat is erg genoeg. Maar wat door Wekker racistisch wordt genoemd is in werkelijkheid meestal iets anders: onzekerheid door het anders-zijn van gekleurde medelanders, angst over hun betrouwbaarheid (er zijn terroristen onder hen), vrees voor hun godsdienst (de islam is een inspiratiebron voor terreur). Maar dat is geen minachting voor hun ras of etniciteit.

Het echte probleem rond Zwarte Piet ligt elders. 'De geschiedenis', schreef Günter Grass in zijn boek Im Krebsgang, 'is een verstopte plee. We spoelen en spoelen, maar de stront blijft omhoog komen.' Die geschiedenis is ons slavernijverleden. Want wij weten niet wat er precies gebeurde op de Nederlandse plantages in Suriname.

Gruwelijke misstanden

Als kind luisterde ik met rode oortjes toen mijn moeder Harriet Beechers boek voorlas over oom Tom, een verhaal dat zich afspeelde in de Verenigde Staten. Noch op de lagere school, noch op de middelbare, noch tijdens mijn studie geschiedenis kreeg ik de verhalen te horen van Baron, Boni en Jolicoer, drie achttiende-eeuwse gevluchte slaven. Zij werden de leiders van weggelopen slaven en deden invallen om meer slaven vrij te krijgen.

Er waren plantage-eigenaren die hun slaven goed behandelden, maar er waren ook gruwelijke misstanden. Slaven werden aangezet om hun eigen mensen te folteren met de zweep. Soms werden ze doodgemarteld om de andere slaven angst aan te jagen.

De namen van Baron, Boni en Jolicoeur zijn in Surinaamse kring wel bekend, maar zelfs daar heeft het moeite gekost om het juiste zicht op deze mannen te krijgen. De uit Suriname afkomstige predikant Orlando Bottenbley vertelde mij dat hij op school leerde dat zij boeven waren. Pas later begreep hij dat ze vrijheidsstrijders waren.

Niet alleen ik zelf ken die verhalen niet, ook mijn kinderen kennen ze niet. In hun schoolboeken staat tegenwoordig wel wat over de slavenhandel en de plantages, maar voor een echte verwerking van dat verleden is het te mager.

'Twelve Years a Slave', maakte op mij diepe indruk. Het wachten is op zo'n film over Baron, Boni en Jolicoeur. En op Surinamers die op school komen vertellen over deze helden - en over wat hun eigen betovergrootouders is aangedaan. Pas dan wordt de verstopte plee doorgespoeld. En pas dan kunnen Surinamers weer gewoon Zwarte Piet spelen, net als dominee Bottenbley indertijd deed. Zonder bang te zijn voor een afkeurende blik van Sylvana Simons of Erik van Muiswinkel.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden