Wij kunnen slapen ja, maar sterven, dat kunnen wij nooit

Het klassieke boek schenkt op eigen houtje kennelijk nog onvoldoende verbeelding; de helden moeten ook te zien, te voelen, ronduit tastbaar zijn. De lezer wil vervoerd en bedrogen worden en daarna ook nog eens bij de literaire held op schoot. Shakespeare kan Hamlets lief in een handomdraai zelfmoord laten plegen, maar in welke rivier deed Ophelia dat precies? Van welke oever valt dat het beste te fotograferen? En kan ik daar een kaartje voor kopen? Na het Paard van Troje, het Balkon van Julia, het Huis van Dulcinea, Galerie Bovary en de Baron von Münchhausen, vandaag het zesde deel van een serie over letterlijk literaire helden: de Vlaamse Tijl Uilenspiegel in Damme en de Saksische Tijl in Mölln.

Als de waterschouten het schip met rust hadden gelaten, had Zeeuws-Vlaanderen nog steeds een gedenkwaardig monument voor de 'scalc', schurk, schelm, vechtersbaas, zot, nar, vrijheidsstrijder, vagebond alias opportunist Tijl Uilenspiegel gehad. Het schip was immers een mooie metafoor voor Tijls zwalkende omzwervingen geweest en bevond zich bovendien op een relatief neutrale lokatie: ruimschoots bezuiden het Elbe-Lübeckkanaal, ten noorden van de Damse Vaart, en toch nog onder de Belgisch/Nederlandse Schelde. Met gerechte rug zou Nederland staande kunnen houden dat het nooit de bedoeling was om Tijl als Bataafse zoon in te lijven, en dat Zeeuws-Vlaanderen te zijner tijd nog wel eens aan Belgie zou worden teruggeven, heus.

Behalve energieverspillend is het, ook vandaag de dag nog, uiterst ingewikkeld om een Trojaanse oorlog om Tijl te beginnen. Van de schone Helena wist je tenminste dat je haar ergens achter de muren van Truva of Troje moet zoeken, maar waar in vredesnaam woont Tijl? Waar werd hij geboren? En gesteld dat ie dood is: waar ligt hij dan begraven?

Niemand die het weet, en juist daarom weet iedereen het tot in de vingertoppen. Tijl is immers van Damme (Noord-Vlaanderen), Tijl is van Braunschweig/Brunswijk (tussen Hannover en Maagdenburg), Tijl is van Mölln (Mecklenburg-Vorpommern). En dan heeft hij ook nog logeeradresjes die van Engeland en Frankrijk tot diep in Hongarije uitwaaieren.

Misschien komt dat er ook wel van, als je op je geboortedag niet een maar drie keer gedoopt wordt. Eerst in de kerk, en om dat te vieren even langs de herberg om vervolgens met z'n dronken geraakte vroedvrouw in een moddersloot te belanden, en tenslotte thuis in een teil om die modder er af te krijgen.

Het is maar goed dat Tijl geen telefoon had, want waar in het telefoonboek had je hem moeten vinden? Onder de D van Dyl, de T van Till, Thyl, Thiel? Of onder Uilenspiegel, Ulenspegel, Ulespieghel, Eulenspiegel, l'Espiègle, Till Capon of Till Owlglass?

Eerst maar eens noordwaarts, om daarna vertrouwd zuidwaarts te kunnen gaan. Noorderlijker dan Hamburg en iets ten zuiden van Lübeck, daar waar over de Oostzee Hamlets Deense burcht Elsinore opdoemt, ligt Mölln. Ooit bevond zich hier - dat heb je nou eenmaal steevast met gehuchten die langs akkers en aan meertjes liggen - een (water)molen; Molln dus. Eulenspiegelstadt. En aangezien van het een doorgaans het ander komt, ontsprong zowaar ook een heilzame bron, waardoor Mölln en passant tevens als kuuroord triomfeert, de koudwater-therapie van dr. Kneipp geregistreerd inbegrepen.

Mölln dankt z'n Uilenspiegels aureool in zekere zin aan het naburige Lübeck, waar Tijl tot de strop werd veroordeeld wegens het oplichten van een snoeverige wijntapper. Onder de galg weet hij schout & schepenen van Lübeck nog net een voorlaatste belofte los te troggelen. Hij doet dat volstrekt in eigen onweerlegbare logica, en openbaart tegelijkertijd z'n eigen tomeloze onuitstaanbaarheid. De Tijl uit het Nederlands Volksboek (Antwerpen/begin 1500) is namelijk verre van leuk, laat staan geestig. Hij speelt geen spel met mens, dier of met taal; hij peurt z'n gerief uit onversneden gesar, wat vaak niet eens geld of voedsel, en al helemaal geen humor oplevert.

Eeuwen voor de uitvinding van de film overtreft Tijl het zoveelste Amerikaanse scenario waarin de dialogen zich concentreren tot 'Fuck you! / Asshole! / Kiss my ass!' Letterlijk hoort de Fuck You-kwestie in dit rijtje niet eens thuis want erotiek en seksualiteit interesseerden Tijl niet. Als er maar scheten werden gelaten, konten te zien waren (daarmee z'n eigen 'spiegel' tonende), 'een waardin in haar blote gat in de hete as' wordt gezet als straf voor onbeduidend geroddel, of stront in apothekerspotten gescheten wordt. Tijl bleef onwrikbaar in z'n anale fase steken.

Onmiddellijk weerklinkt nu de roep om historisch-linguïstische duiding; Tijl is van de Middeleeuwen, dat tijdperk vol poep en pis, shit, stront, merde, & Scheisse - dat vond men toen grappig, was destijds noodzakelijke herbergleuterpraat om maar niet aan armoe, honger, pest of anderszins sterfelijkheid te hoeven worden herinnerd.

Maar gistte daarmee de hele Middeleeuwse literatuur als een beurput? Dante, Boccacio, More en Erasmus hoor je daar beduidend minder over. En als die faecaliënlol dan kennelijk bittere noodzaak was, kon die dan niet lichtvoetiger worden genoteerd, in plaats van de oorverdovende strontvolzinnen die geestelijk vader Herman Bote zijn Tijl in de mond legt?

Net als Herman Bote 500 jaar geleden, kan de hedendaagse salonsloeber Herman Brood zich ook amper op z'n literaire hoogstandjes beroemen, maar die weet aan zijn aanvankelijk platte schlager tenminste een listige en levensbeschouwelijke wending te geven:

'Maak van je scheet' (bom-bar-dom!) (legato) 'een donder-slá-àààgh,' (staccato) 'Ik-hoop-dat-ik er nog een zooitje laten mag' (-)

Naast die anale obsessie bezit Tijl ook nog eens de gewoonte om taal voortdurend letterlijk te nemen, waardoor een dialoog al na twee opmerkingen strandt, of juister: tot pointe wordt verheven. Brugklassers bouwen dat vandaag de dag nog steeds in stierlijke eindeloosheid na.

Op het schavot van Lübeck slaagt Tijl er in een wens vervuld te krijgen zonder dat de inhoud daarvan bekend is. Dat wordt zijn redding, want ook in Lübeck was een man een man, en een woord een woord.

Uit de 'Wonderbaarlijke en zeldzame historie van Thyl Ulenspiegel' in de hertaling van Patricia Visscher en Guy Segers:

Toen sprak Ulenspiegel: “Omdat ik weet dat u zich aan uw woord zal houden, verzoek ik u, heren van de raad van Lübeck, dat ieder van u, de burgemeester eerst en daarna alle raadsheren, elke ochtend van de eerste drie dagen nadat ik gehangen ben, voor het ontbijt met zijn mond mijn gat zal kussen.” Bij dat idee werden ze al misselijk en ze zeiden dat het geen behoorlijke wens was. Ulenspiegel zei: “Ik vertrouw de eerlijke raad van Lübeck op hun woord, dat ze zich zullen houden aan wat ze mij met hun hand erop beloofd hebben.”

Niet vrijgesproken maar wel vrijgelaten neemt Tijl via de Zoutroute de wijk naar Mölln. Het opzienbarendste aan Mölln zijn de acht omringende meren; allemaal gevuld met water en omboord door oevers. Daartussendoor loopt een drijvend waterweggetje, 'Auf den Dümmen', dat nog enigszins de verbeelding wakker poogt te houden. Op deze drassige kruipdoor-sluipdoor zouden Tijl en zijn geestverwant Reinaert de Vos inderdaad wel eens op kippetjesjacht geweest kunnen zijn. Over het water slaat de klok van de Sankt Nikolaikerk z'n droge, kortaffe hoefslagklank. In een nis aan de buitenmuur hangt Tijls grafsteen. Rechtop, zoals Tijl ook begraven werd omdat het touw aan het voeteneinde van de kist tijdens de teraardebestelling brak.

(Toen zeiden allen die daar tezamen waren: “Laat hem maar zo staan, want hij was wonderlijk tijdens zijn leven, laat hem dan ook maar wonderlijk zijn na zijn dood.” En zo lieten ze Ulenspiegel rechtop in het graf staan en dekten het graf toe en legden er een grafsteen op. In die steen stond gehouwen: 'Een uil die een spiegel in zijn poten houdt'.)

Op het lager gelegen kasseienpleintje, pal tegen de terpwand van de Nikolaaskerk, zit een bronzen Tijl met narrenmuts te grijnzen. Naast hem spuit bronwater uit koperen kranen, die net zo glimmen als z'n eigen knieën, voeten en handen - pelgrims kunnen hun strelende handen nou eenmaal niet thuishouden. Tijl zit tegenover z'n eigen Eulenspiegelmuseum, dat je kunt betreden of voorbijlopen zonder het particuliere wereldbeeld ook maar een fractie aan het wankelen te brengen. Het ruikt er lekker naar gerookte ham en pas geboend eikenhout, dat wel.

En dan eindelijk, vier eeuwen na Tijls Saksische dood, draait de wind: vanuit Brugge steekt een zuiderwind op die Tijl nieuw, dit keer meeslepend, en bovenal literair leven inblaast. Eerst nog als bries, als de Brugse advocaat Joseph-Octave Delepierre zijn 'Aventures de Tiel Ulenspiegel' publiceert (1835). Slechts in een oplage van honderd exemplaren en uitsluitend voor de liberale bourgeoisie bestemd. Delepierre kuist alle grove humor uit het volksboek en laat Tijl smidsjongen in Vlaanderen worden.

In die geest bewerkt de Franstalige Vlaming Charles de Coster voort. Met zijn 'La légende et les aventures héroiques, joyeuses et glorieuses d'Ulenspiegel' bewerkstelligt De Coster in 1867 de renaissance waarop Tijl tot op de dag van vandaag schraagt. Hij verandert Tijl van een opportunistische etter tot een rechtschapen patriot, en schenkt hem bovenal de literaire grandeur die Tijl eeuwenlang zo bitter moest missen.

Geboren 'in Damme als de hagedoorn in bloei staat' is Tijl nu een onvervalste Vlaamse zoon geworden, die goed doet en onrecht bestrijdt. Hij vilt geen levende dieren meer, zoals veelvuldig in het Volksboek, maar neemt de gewonde hond Titus Bibulus Snuffius ter verpleging en genezing mee naar huis.

De Coster laat zijn Tijl in hetzelfde jaar en op dezelfde dag geboren worden als Philips II, en tekent daarmee meteen scherpe lijnen tussen kwaad en goed. Tijls Vlaamse doopdag wordt een feest: hij krijgt van zijn vader een zotskap met rinkelende belletjes, 'want de gekken bezitten de wereld' - Tijl moet er om lachen.

De doop van Tijls tegenpool Philips verloopt aanmerkelijk grimmiger; zijn doop wordt uitgesteld omdat die met een rouwdag samenvalt - Philips moet huilen.

Terwijl Tijl zich kraaiend met de belletjes van z'n zotskap vermaakt, krijgt Philips een levend aapje als speelkameraadje cadeau. Kroonprins en aapje kunnen het kennelijk slecht met elkaar vinden: de kleine Philips bindt z'n aapje aan een paal en roostert het dood. De aartsbisschip waarschuwt Karel de Vijfde dan al: “Uw zoon heeft aanleg om een bedreven ketterverbrander te worden.”

Zelfs een ogenschijnlijk onschuldige bezigheid als een 'visvangst' duidt De Coster subiet als goed en als kwaad: Karel V vist in dat geval op de beurzen van z'n onderdanen, Tijls vader hengelt naar karper en paling om met z'n vangst Tijls doopsdienst te kunnen betalen. Eenmaal opgegroeid vecht Tijl aan de zijde van de Geuzen tegen de Spaanse bezetters en voor een vrij Vlaanderen.

In tegenstelling tot de Saksische Tijl vertoeft de Vlaamse Tijl in vast gezelschap: z'n sukkelvriend Lamme Goedzak en z'n lief Nele, met wie hij naar de queeste van De Zeven speurt. Pas gaandeweg leert hij dat er twee Zevens zijn: de ondeugden hoogmoed, geilheid, gierigheid, gulzigheid, gramschap, traagheid en nijd, met daartegenover trots, liefde, spaarzaamheid, apetijt, levendigheid, dromerigheid en wedijver. Nele staat voor hartstocht, voor het hart van Vlaanderen. Tijl zelf is de geest van Vlaanderen - die kan je niet begraven.

Wij kunnen slapen ja, maar sterven, dat kunnen wij nooit.

Ook na De Costers 'Legende' bleven er Tijlbewerkingen verschijnen; het aantal karretjes waarvoor Tijl is gespannen valt nauwelijks meer te tellen. Tijl beijverde zich voor de hereniging van de Lage Landen, vocht in de Vlaamse Beweging zelfs mee in de loopgraven van de Eerste Wereldoorlog om daar namens het Secretariaat voor Katholieke Vlaamsche Hoogstudenten 'goede lectuur' in de voorlinies te brengen, en moet ongetwijfeld ook de Zwinstedentocht over de Damse Vaart geschaatst en vermoedelijk meermalen gewonnen hebben.

Twee Tijlen ter wereld - de Saksische en de Vlaamse - veroorzaken al opschudding genoeg. Er woedt niet alleen buitenlandse twist over z'n begraafplaatsen in Mölln en Damme, ook binnenslands krakeelde men over waarheid en waarachtigheid. Op z'n grafsteen in Damme kon dan een uil staan - symbool van schranderheid en wijsheid - maar dat graf was en is van een andere Damse zoon: Jacob van Maerlant (1300). Ook al beitelde een of andere onverlaat er in 1646 in: 'Ghy voorbygaender, staet, siet hier Uylenspiegel'. De pastoor van Damme kreeg schoon genoeg van al die ketterse Uilenspiegelpelgrims, en liet de grafsteen omdraaien.

Ulenspiegel Gij Platduitse snaak Die Maerlants graf In Damme stal En er een wieg bij vond.

Via een Brugse steenhouwer belandde de zerk uiteindelijk in het Zeeuwsvlaamse Sluis, maar daarmee raakte Damme allerminst van z'n Uilenspiegelcultus verlost.

Damme vormt het hoofdkwartier van 'Ulieden Spiegel - Tijdschrift voor Uilenspiegelkunde'. Daarin worden gewichtige verbanden met Chaucers Canterbury Tales gelegd, personages en filosofie van 'De Legende' gedetermineerd, de 'esotherische waarde' van Tijls schoonmoeder Katelijne belicht en exlibriswedstrijden uitgeschreven. Als Tijl daar zelf een bijdrage aan had geleverd, was hij kort van stof geweest: 'Ik ben U lieden spiegel, ik ben Ulenspiegel.'

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden