Wij kunnen niet zonder Kant

De ’Kritiek van de praktische rede’, hoofdwerk van Immanuel Kant (1724-1804), is voor het eerst in het Nederlands vertaald. Bij de feestelijke presentatie, afgelopen woensdag, sprak schrijver, dichter en vertaler Jabik Veenbaas zijn bewondering uit voor de filosoof. „Kant reikt ons een methode aan om niet in de wereld ten onder te gaan.”

De ’Kritiek van de praktische rede’ (1788) vormt in tal van opzichten het hart van Kants kritische filosofie. In de ’Kritiek van de zuivere rede’ had Kant de mogelijkheden van het menselijke kennen onderzocht. Hij was tot de slotsom gekomen dat dat kennen begrensd is, dat we geen kennis kunnen hebben over dingen die onze zintuiglijke ervaring te boven gaan, ook niet over de begrippen die we zo dolgraag willen kennen: de onsterfelijke ziel, de wereld als geheel, God die de kosmos regeert en rechtvaardig maakt. Zulke begrippen hebben hooguit een sturende functie voor onze kennis als idee.

Zo kan het begrip van de wereld als geheel ons bijvoorbeeld aanzetten om onze studie van de natuur steeds verder voort te zetten. Maar Kant concludeerde ook dat we de realiteit van die begrippen niet kunnen weerleggen. En zo liet hij, op een negatieve, agnostische manier, de mogelijkheid van een religieus-ethisch wereldbeeld open.

In de ’Kritiek van de praktische rede’ gaat Kant een stap verder. Hij beargumenteert dat we als praktische, dat wil zeggen als moreel handelende wezens wél boven de zintuiglijke ervaring kunnen uitstijgen. Als moreel handelende wezens hebben we deel aan de wereld van de bovenzintuiglijke dingen, van de dingen op zichzelf. De begrippen ziel, wereld en God worden voor ons praktisch handelen werkelijk als de zogenaamde postulaten van de vrijheid, de onsterfelijkheid en God. Als moreel handelende wezens moeten we, zo zegt Kant, ervan uitgaan dat we vrij zijn, dat we onsterfelijk zijn en dat er een God bestaat die ons moreel handelen met onsterfelijkheid beloont. Zo wordt in de ’Kritiek van de praktische rede’ de hunkering naar het transcendente, naar het bovenzintuiglijke, uit de eerste ’Kritiek’ bevredigd.

Wat doet Kant hier eigenlijk en waarom is dat nou zo bijzonder? Toen Kant in de eerste ’Kritiek’ de wereld van de kennis inperkte tot de zintuiglijke ervaring, kapittelde hij eigenlijk zijn filosofische voorgangers, die voortdurend in de waan hadden geleefd dat ze de hele kosmos, de onsterfelijke ziel en God inbegrepen, met hun denken konden aanraken. De middeleeuwse denkers, de scholastici, hadden geprobeerd om de christelijke geloofswaarheden langs redelijke weg te beargumenteren. Zo waren bijvoorbeeld de godsbewijzen ontstaan, die merkwaardige uitwassen van het denken, die de mens door middel van een soort intellectuele hink-stap-sprong recht op de schoot van de Heer hadden doen belanden.

Maar ook na de Middeleeuwen hadden de denkers zich in dit opzicht niet onbetuigd gelaten. De natuurwetenschap had een enorme bloei doorgemaakt, met genieën als Galileï en Newton, en had het vertrouwen in het menselijk verstand een enorme impuls gegeven. Onder de fiere vlag van de ratio waren denkers als Descartes, Spinoza en Leibniz in het voetspoor van de scholastici getreden: ook zij meenden dat ze het hele universum met hun kracht van bewijs en argumentatie konden bereiken. Ook zij hielden nog varianten op die oude godsbewijzen overeind.

Dat is onmogelijk, zegt Kant. We kunnen de hele kosmos niet verklaren, niet bereiken met ons kenvermogen alleen. Dat kenvermogen bereikt enkel de zintuiglijke wereld, die een keten van causaal bepaalde gebeurtenissen is. Maar we kunnen ons wél verhouden tot die hele kosmos. Dat kunnen we omdat we moreel handelende wezens zijn.

Het sleutelbegrip daarbij is onze vrijheid. Dat begrip, zo zegt Kant in de ’Kritiek van de praktische rede’, is de sluitsteen van mijn hele systematische bouwwerk. Het is de steen waarop het hele gewelf van het kantiaanse denken rust. Als moreel vrije wezens kunnen we ontsnappen aan de beperkte, causaal gedetermineerde wereld, en kunnen we de onbeperkte, de absolute wereld, de wereld van de dingen op zichzelf, betreden.

Hoe weten we nu dat we vrij zijn? Dat weten we door onze morele plicht, zegt Kant. Er komen ervaringen op onze weg die appelleren aan onze moraliteit. We zien voor onze ogen een oud dametje over een stoeptegel struikelen en vallen, en we beseffen onmiddellijk dat we haar overeind moeten helpen. We beseffen dat het onze plicht is om haar te helpen. En doordat we die plicht hebben, beseffen we ook dat daar de mogelijkheid toe hebben. Het is ons mogelijk om in de keten van causale gebeurtenissen in te grijpen, en daarom zijn we vrij. Plicht en vrijheid zijn voor Kant onlosmakelijk met elkaar verbonden.

Kant typeert de vrijheid als de sluitsteen, als het kernstuk van zijn filosofie, omdat de moraal bij hem vóór alles komt. Elk belang, zegt hij elders, is in laatste instantie praktisch, elk belang is uiteindelijk moreel, zelfs het belang van de theoretische rede, zelfs dat van het kennen. De praktische rede, zo zegt hij, heeft het primaat boven de theoretische rede. Dankzij dit primaat kunnen de theoretische en de praktische rede, het kennen en het moreel handelen, elkaar aanvullen zonder elkaar te hinderen. En zo kan worden voldaan aan de diepe behoefte van de mens om zijn beperkte aardse bestaan te vervolmaken.

Mij wordt nogal eens gevraagd hoe ik er toch toe gekomen ben om die lastige Kritieken van Kant te vertalen. Dat is gebeurd omdat ik hem bewonder. En niet alleen omdat Kant de geschiedenis van het denken zo ingrijpend heeft gewijzigd. Ik bewonder hem vooral omdat zijn filosofie voor ons, voor de hedendaagse mens, openingen biedt.

Wij maken deel uit van een wereld die aan alle kanten beheerst wordt door het kennen, door de wetenschap, en de toepassing daarvan, de techniek. En natuurlijk, die wetenschap heeft haar geweldige kanten. Maar ze bedreigt ons ook. En dan doel ik op de dreiging van een denktrant, van een wereldbeeld. Er bestaat een neiging om onze hele wereld in wetenschappelijke termen te benoemen. DNA, quasars, snaren – dat alles zoemt en wervelt om ons heen. De wetenschappelijke kwalificering lijkt de mens te reduceren tot een wirwar van deeltjes en processen, tot een kluwentje dat hulpeloos rondspartelt in een kleine uithoek van het heelal.

Kants filosofie toont ons een uitweg uit dat wereldbeeld. De mens is niet alleen een radertje, opgenomen in een causaal gedetermineerd geheel, hij is dat zelfs niet in de eerste plaats, hij is vóór alles een wezen dat moreel handelt en zich als zodanig tot het hele universum moet en kan verhouden. Zo kan hij zich staande houden in dat immense, door wetmatigheden beheerste heelal. Daarin bestaat zijn waardigheid. Dat is uiteindelijk de betekenis van Kants veel geciteerde uitspraak aan het slot van de ’Kritiek van de praktische rede’: „Twee dingen vervullen de geest met steeds nieuwe en toenemende bewondering en eerbied, hoe vaker en langduriger het denken zich ermee bezighoudt: de sterrenhemel boven mij en de morele wet in mij.”

Kant neemt de kenbare wereld serieus, waarvan de sterrenhemel het imposante symbool is, maar hij reikt ons ook een methode aan om niet in die wereld ten onder te gaan.

Kant vertelde zijn tijdgenoten dat het rationalisme tekortschoot en dat de natuurwetenschap niet de hele mens kon definiëren. Daarmee formuleerde hij met grote visionaire kracht een kernprobleem van de hedendaagse mens: hoe blijf ik als persoon overeind in een door wetenschap gedomineerde wereld? De vernuftige oplossing die hij voor dit probleem aandroeg, zijn gelaagde, ethisch geïnspireerde mensvisie, valt op tal van details te bekritiseren. Maar als constructie is ze nog verbluffend actueel.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden