Wij en de wildernis

Als er bijna geen ongerepte wildernis meer over is, wat houdt natuurbescherming dan nog in? Johan van de Gronden, filosoof en directeur van het Wereld Natuur Fonds, verkent in zijn boek het schemergebied tussen wijsbegeerte en natuurbescherming. Een voorpublicatie.

De Nieuwe Wildernis, een Nederlandse natuurfilm, trok in 2013 bijna 700.000 bezoekers. Daarmee was het, na de vakantiecomedy 'Verliefd op Ibiza', de best bekeken Nederlandse bioscoopfilm van dat jaar. 'De Nieuwe Wildernis' is opgenomen in de Oostvaardersplassen, een jong, beschermd natuurgebied, 56 vierkante kilometer groot. Het ligt ingeklemd tussen de buitendijk van de in 1968 drooggevallen Flevopolder, Almere en Lelystad, een snelweg (de A6) en de Hanzespoorlijn.

De makers hebben alle referenties naar stedelijke artefacten zorgvuldig uit de film gemonteerd. Van de separaat opgenomen geluidsband zijn alleen fragmenten gebruikt van de dagen waarop de wind even niet het geraas aanvoerde van de auto's op de A6. Vliegtuigen vliegen niet over. De enorme stalen bouwwerken van de hoogspanningsleidingen blijven buiten beeld. Met drones gefilmde kuddes woeste paarden lijken zo in vrijheid vanuit de Camargue hierheen te zijn gesneld. En natuurlijk rijden er geen treinen door de gefilmde wildernis. De mens, die het gebied heeft drooggelegd en nog dagelijks de waterstanden zorgvuldig reguleert, is afwezig. Alleen in de vorm van een op natuurijs schaatsend silhouet schiet hij even achter een rietkraag voorbij.

De film legt, denk ik, onze ongemakkelijke verhouding met de natuur bloot. Ergens stillen de beelden een diepgeworteld verlangen naar ongerepte natuur, naar een oerlandschap zonder mensen. De nieuwe natuur in de jongste provincie van het land wakkert hoop aan dat niets onmogelijk is: zelfs wildernis is te maken. Even kunnen we al die nare statistieken van natuur- en biodiversiteitverlies naast ons neerleggen en genieten van de ontketende oerkrachten in de polder. Veilig in de bioscoop. We zien een keurig afgerasterde wildernis in een reservaat. We koesteren zelfs een ogenblik de illusie dat uitsterven niet langer definitief is, want die heckrunderen, zijn dat eigenlijk geen oerossen? En die paarden, dat lijken wel mustangs. En was de zeearend al niet meer dan een eeuw uit ons land verdwenen?

Als we uitzoomen thematiseert de film een veel groter, mondiaal ongemak. Ongeveer de helft van het landoppervlak op aarde is fundamenteel door mensen veranderd in dichte, stedelijke bebouwing en intensief gebruikt landbouwareaal. De overige ruimte wordt doorsneden door paden, wegen, spoorlijnen, kanalen en andere infrastructuur om de mens en diens gedomesticeerde dieren te vervoeren. De helft van ons woont al in steden. Binnen enkele generaties wonen er meer mensen in steden dan anno 2015 de aarde bevolken. In Nederland is de biodiversiteit in het stedelijk gebied vermoedelijk al hoger dan op grote delen van het platteland, waar monoculturen van gedraineerde Engelse raaigraslanden en maïs de toon zetten.

undefined

Romantisch

We wíllen het wel graag 'wild', maar wildernis in de zin van 'ongerepte natuur' is amper meer voorhanden. En het is de vraag wat vruchtbaarder is voor natuurbehoud en herstel: vasthouden aan het romantische idee dat we de laatste, steeds verder terugwijkende bastions van de natuur redden of ons realiseren dat we al sinds mensenheugenis ingrijpen en zélf een intrinsiek onderdeel vormen van de natuurlijke dynamiek.

Recent antropologisch onderzoek doet veel af aan onze voorstellingen van een collectieve voorgeschiedenis van vreedzaam jagende en bessenplukkende nomaden die in harmonie leefden met de natuur. De paleontoloog Tim Flannery deed stof opwaaien met zijn these dat de Britse zeevaarder James Cook helemaal geen ongerept continent aantrof in de achttiende eeuw, maar een reeds zestigduizend jaar door mensenhanden gevormd Australië.

Ook lijkt de wildernislijn in precolumbiaans Noord- en Zuid-Amerika steeds verder terug te wijken. De legendarische hoeveelheden bizons op de Noord-Amerikaanse prairies blijken helemaal niet te voldoen aan de natuurlijke standaard. Het aantal bizons is waarschijnlijk sterk toegenomen na het wegvallen van hun natuurlijke vijand: de door uitbraak van besmettelijke ziekten gedecimeerde indiaanse bevolking. De mens verandert de natuur al eeuwenlang en de natuur verandert hem. Indianen hadden vermoedelijk helemaal geen notie van wildernis. Wildernis is een westerse constructie, die nu eens ons handelen legitimeert en dan weer ons verlangen aanwakkert.

De gangbare geologische aanduiding voor het tijdvak waarin wij leven sinds het einde van de laatste ijstijd, zo'n twaalfduizend jaar geleden, komt op het conto van de beroemde Britse negentiende-eeuwse geoloog en inspirator van Darwin, sir Charles Lyell. In 1833 muntte hij het begrip 'Holoceen', als opvolger van het Pleistoceen. Vanaf het moment waarop het internationale geologencongres van Bologna de term in 1885 vaststelde, heeft het Holoceen een plaats gekregen in alle schoolboeken en reguliere curricula over de geschiedenis van de aarde. Sinds het begin van deze eeuw wordt er weer aan het begrip gemorreld. Nadat op diverse plaatsen in de literatuur en op congressen soms provocerend de notie van het 'Anthropoceen' was opgedoken, kreeg het plotseling een respectabel aanzien door een artikel dat de Nederlandse Nobelprijswinnaar Paul Crutzen samen met de ecoloog Eugene Stoermer in 2000 publiceerde. Er is alle reden om ons huidige interglaciale tijdvak te vernoemen naar de mens, schreven zij, want diens invloed op zowel de biosfeer als de atmosfeer is zo groot dat hij kan worden vergeleken met geologische krachten als meteorietinslagen of vulkaanuitbarstingen.

De ontdekking dat de mens zelf een geologische kracht van betekenis is geworden, heeft een sterke impuls gegeven aan een groep wetenschappers die zich al sinds het verschijnen van het rapport van de Club van Rome, 'Grenzen aan de Groei' (1972), zorgen maakt over uitputting van grondstoffen en natuurlijke hulpbronnen. Hun onderzoek is uitgegroeid tot een zoektocht naar de veilige planetaire grenzen waarbinnen de mensheid zou moeten opereren. Overschrijden we die, dan dreigt er een situatie te ontstaan waarin het, in elk geval voor de mens, niet goed toeven is.

De advocaten van een veilige begrenzing van het menselijk handelen in het Anthropoceen appelleren aan een eschatologisch beeld: als we nu niet luisteren volgt er een verschrikkelijke straf. Daar staat een zekere heilsverwachting tegenover van een gezond en gelukkig leven als we het tij op tijd weten te keren. Want wat zou er na het Anthropoceen moeten komen? Daar doemt toch vooral het kille beeld op van een aarde zonder mens. Het Anthropoceen klinkt uit hun mond een beetje als een laatste kans, een loodzware opdracht.

undefined

Fruitbomen

Misschien loopt het zo'n vaart niet. De mens interacteert al ten minste sinds de neolithische landbouwrevolutie, zo'n twaalfduizend jaar voor de uitvinding van de stoommachine, zo intensief met zijn omgeving dat hij zijn ecologische niche onomkeerbaar naar zijn hand zet. Zo waren de Amerikaanse prairies vijfhonderd jaar geleden waarschijnlijk helemaal geen ongerepte natuurlijke oersystemen, maar eerder cultuurlandschappen die waren ontstaan door het welbewust periodiek afbranden van enorme arealen zodat grote grazers konden gedijen als voedselbron voor de mens. De veelheid aan fruitbomen in delen van de Amazone wijst op het voorkomen van wilde boomgaarden die met groot vernuft in het 'oerwoud' zijn aangelegd door precolumbiaanse beschavingen.

Ons huidige morele dilemma doet denken aan het begin van de secularisering in Europa en de angst voor het opkomende nihilisme aan het einde van de negentiende eeuw. 'God is dood. En we hebben hem zelf begraven,' roept Nietzsche uit in 'De vrolijke wetenschap' (1882). Twee jaar daarvoor liet Dostojevski zijn beroemde romanfiguur Ivan Karamazov verzuchten: 'Als God dood is, dan is alles geoorloofd.' Dat lijkt sindsdien alleszins mee te vallen. De Nederlandse primatoloog Frans de Waal heeft er in diverse boeken op gewezen dat er een treurige visie op de moraal uitgaat van dit monotheïstische wereldbeeld. Niet alleen toont een keur aan onderzoek naar het gedrag van sociale primaten aan dat de bronnen van moreel gedrag en ethisch handelen al miljoenen jaren besloten liggen in de handelingen van onze naaste evolutionaire verwanten, maar bovendien is het een onhoudbare redenering om te veronderstellen dat de mens geen verantwoordelijke moraal zou kunnen ontwerpen zonder een toezichthoudende en straffende god die het al bestiert.

Ik vermoed dat we nu een vergelijkbare ontwikkeling doormaken. Wildernis, in de zin van door mensen onaangeroerde levende natuur op aarde, bestaat misschien niet meer. Maar daarmee verliest natuurbescherming nog niet aan urgentie. Integendeel. Nu we hebben leren leven met de idee dat flora en fauna zich in een constante evolutionaire flux aanpassen aan nieuwe omstandigheden is het goed om ons te realiseren dat voor de in toenemende mate urbane mens hetzelfde geldt. We moeten verstandige keuzes maken op basis van het inzicht dat ons ingrijpen effect heeft tot in alle uithoeken van de biosfeer, en dat deze op zijn beurt de voorwaarden schept voor onze gezamenlijke toekomst. De nieuwe wildernis, dat zijn wij.

Johan van de Gronden: 'Wijsgeer in het wild',

200 blz, euro 19,99, e-book euro 13,99

Auteur Johan van de Gronden als indiaan.

Achter het spoor het afgesloten natuurgebied de Oostvaardersplassen. Staatsbosbeheer informeert bezoekers welk wild ze kunnen aantreffen.

undefined

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden