Wiet stichtte geen brand, maar haalde de registers weg

Hij slaapt de laatste dagen onrustig, draait van de ene zij op de andere. Soms staat Laurens Abercrombie op, ijsbeert door de woning en gaat in de huiskamer op de bank zitten met een boekje. Vandaag is het precies vijftig jaar geleden dat Laurens - schuilnaam Wiet - met zijn maat Zwarte Jan het bevolkingsregister van Amsterdam-Noord leeghaalde. En de herinneringen zijn op zulke dagen zo sterk. Pas als vandaag voorbij is, zal Wiet zijn nachtrust weer terugvinden.

HANS MARIJNISSEN

“Eigenlijk wordt het elk jaar erger, sinds mijn pensionering. Ik ben nu 75 jaar, en zie steeds meer voor me, uit de oorlog. En op die herinneringsdagen als de 12e januari heb ik van die pieken. De toestand in voormalig Joegoslavië en Tsjetsjenië maken de problemen nog groter. Ik kan gewoon niet tegen die oorlogsbeelden, vraag me 's nachts af wat de mensen elkaar aandoen, en waarvoor dan al die mensen in de Tweede Wereldoorlog hun leven hebben gegeven.”

Ondanks de herinneringen aan een moeilijke tijd onder Duitse bezetting, praat Abercrombie graag over zijn activiteiten tégen Duitsers, en vóór de mensen die door hen onderdrukt werden. Als lid van de Landelijke knokploeg (LKP) afdeling Waterland, was Wiet vanaf 1942 actief in het verzet, eigenlijk vanaf het moment dat Jan Budding (Zwarte Jan) werd opgepakt en zijn werk moest worden voortgezet. “Mocht er ruimtegebrek in de krant zijn, wil je dan de foto van Jan plaatsen, en de mijne niet?”

Abercrombie: “In eerste instantie zijn we onderduikers gaan onderbrengen, joodse mensen en jonge Duitsers die al lang in Nederland woonden, maar waren vergeten zich te naturaliseren. Daarnaast beraamden we sabotage-acties, die heel eenvoudig begonnen. Nadat ik een keer gezien had, dat de Duitsers een school aan de Amsterdamse Koningsstraat leeghaalden, ben ik de volgende dag direct begonnen met het gooien van suiker in de benzine-tanks van Duitse voertuigen. Is heel simpel, maar effect heeft het.”

Toen Zwarte Jan na twintig maanden Duitse detentie weer vrijkwam, werd het verzet in Noord-Holland professioneler. Wiet en Zwarte Jan doken onder bij een boer in Holysloot en sloten zich aan bij de Landelijke Organisatie (LO), die zich bezighield met het onderbrengen van onderduikers. Uiteindelijk zouden zij aan 336 onderduikers onderdak bieden. En de sabotage-daden werden uitgebreid. De groep van Wiet en Zwarte Jan stalen fietsen van de WA, staken de banden lek van hun voertuigen, en op een avond bereikten ze per roeiboot de watervliegtuigen die de Duitsers bij Schellingwoude hadden afgemeerd. Jan boorde gaatjes in de drijvers, waardoor de toestellen bij het ochtendgloren op hun kant lagen.

Op 10 januari 1945 kreeg de moeder van Wiet bezoek van Theo, de secretaris van het gemeentehuis van Amsterdam-Noord, die in paniek vertelde dat de Duitsers hadden laten weten, dat hij het bevolkingsregister en het Zuiderzee-register (waarin de namen stonden van de vissers die steun kregen na het afsluiten van de Zuiderzee) moest klaarleggen. De boeken met tachtigduizend namen zouden een van de volgende dagen worden opgehaald.

“Theo liet de sleutel van de kluis bij mijn moeder achter, zei dat ik de deur van het gemeentehuis maar moest openbreken, en is vervolgens ondergedoken. Toen ik van de zaak hoorde, wist ik dat we nog diezelfde avond het register moesten weghalen. Ik vroeg mijn vader die bakker was, 25 meelzakken te wassen. Hij heeft ze in de oven gedroogd, dat ging wat sneller en die avond ben ik met Zwarte Jan op een motorcarrier - een soort driewieler met een 200 cc motor - richting Nieuwendammerdijk gereden. We parkeerden de carrier in de struiken, forceerden de deur van het gemeentehuis, en begonnen de boeken van het register in zakken te laden.”

Naast Zwarte Jan en Wiet was er nog een derde man bij de actie betrokken, ene Piet Schouten, lid van de burgerwacht die volgens Abercrombie tegen de zin van Wiet en Jan door het verzet van Noord-Holland bij de overvalploeg was gevoegd. “We hadden het niet zo op hem, omdat hij zo praatte. Hij kòn vertrouwelijke informatie gewoonweg niet voor zich houden. Die Schouten stond in het uniform van een politieman voor de secretarie op wacht, totdat hij midden in de operatie op de deur van de secretarie begon te slaan. Er zouden twee mannen van de veldgendarmerie aankomen. Ik zeg: blijf dan staan, dan kun je zeggen dat je het gemeentehuis aan het bewaken bent. Maar nee, hij durfde niet. Dus ben ik gaan kijken, maar gelukkig ging de gendarmerie een andere straat in. Wij hebben daarop 1 000 kilo register in 24 zakken op de carrier geladen, Schouten naar huis gestuurd en dat de man een klestkous was, bewees hij die nacht. Toen we met de spullen in Holysloot aankwamen, wist een boer al te vertellen dat de secretarie was overvallen.”

Er volgde een nachtelijke tocht door Waterland, waarbij de twee nog met een riek zijn bewerkt, omdat een boer dacht dat zij veedieven waren. Maar omdat een lang verhaal bekort moet worden, vertelt Wiet hoe de stapels papier uiteindelijk op een zolder bij een familie in Nieuwendam terecht kwamen en werden verstopt onder de bossen haardhout. Tijdens de grote razzia op de 15e januari stonden de Duitsers op diezelfde zolder, maar lieten het hout voor wat het was. Weken later is de partij toch overgebracht naar een betere schuilplaats, met een snelle paardewagen ging het transport naar een boerderij waar een hooiberg was uitgehold. En daar bleef het register verborgen tot na de oorlog.

Wiet was met Zwarte Jan groot tegenstander van het in brand steken van bevolkingsregisters, een methode waarvan Gerrit van der Veen gebruik maakte bij de overval op de Plantage Middenlaan. “De brandweer heeft bij de overval erg zijn best gedaan niet te blussen. Toch zag je dat een flink deel van de registers toen behouden is. Kijk, zo'n register bestaat natuurlijk wel uit papier, maar die laden zitten zo vol, dat het archief eigenlijk uit dikke blokken papier is opgebouwd die amper branden. Daarom kon je ze beter weghalen, zo wist je zeker dat de Duitsers zonder register zaten, al bleef de opslag altijd risicovol.”

Maar Wiet heeft nog een tweede reden voor het niet in brand steken van het register gehad. “Ik heb me ook altijd op het standpunt gesteld dat een archief moeilijk vervangbaar is en van historische waarde. En dan mag het nog wel oorlog zijn, als je zoiets kunt behouden, moet je dat doen.”

Wiet heeft zijn verzet gedurende de oorlog niet hoeven onderbreken. Hij is één keer opgepakt, vanwege zijn Schotse achternaam. “De Duitsers dachten dat ik spion was, en probeerden me op allerlei manier Engels te laten spreken. Maar ik ben tijdens de broodoorlog geboren, en bij ons thuis was er geen tijd voor school. Ik kende echt geen woord over de grens. En die keer heeft het feit dat ik geen enkele opleiding had, me het leven gespaard.”

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2022 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden