Wien, Wien, nur du allein?

Wenen heeft de Wiener Staats oper. En Wenen heeft Geert Smits, de bariton die een vast contract heeft bij de ope ra. De zanger in zijn Weense biotoop.

Er liggen nog resten sneeuw langs de lanen en paden van het Zentralfriedhof in Wenen. Het vale zonnetje voelt allengs krachtiger aan. Bij de pompeuze hoofdingang schieten in schorten gestoken bloembindsters op mij af met graftuilen, bloemenkransen en weelderige ruikers. Na enige weifeling besluit ik hen te negeren. Ik zou toch niet weten te kiezen bij wiens graf ik de bloemen leggen moest. Want op een prominente plek van het immense kerkhof - zo groot dat er een lijnbus doorheen rijdt - zijn er nogal wat perken gereserveerd voor Musiker.

Op een rustig graspleintje liggen daar bij elkaar Ludwig van Beethoven, Franz Schubert, Johannes Brahms, Hugo Wolf, Johann Strauss jr., Franz von Suppé. Even verder vragen de zerken van Johann Strauss Vater, van Hans Pfitzner en Carl Millöcker, van Robert Stolz en Willy Boskovsky, van Alexander von Zemlinsky en Arnold Schönberg om aandacht. En dan zijn er ook nog de zerken met klinkende zangersnamen: Rosette Anday, Lotte Lehmann, Amalie Materna, Hilde Konetzni en Leonie Rysanek. Voor een beetje ingevoerde in de wereld van de klassieke muziek is dit dé plek om in mijmering weg te zakken.

Druk is het niet op deze maandagochtend. Als ik na bezichtiging van de schitterende kerk op het kerkhof (gebouwd door Max Hegele, een leerling van Otto Wagner) terugwandel richting hoofdingang, kom ik opnieuw langs het Beethoven-Schubert-Brahmspleintje. Het is daar inmiddels een drukte van belang. Vijf Japanners, die de bloembindsters bij de hoofdingang duidelijk niet voorbij gelopen zijn, poseren om beurten voor elkaars camera's. Een vrouw trekt haar leren jasje uit en gaat in haar kleurige jumper met een tuiltje bevallig bij het graf van Beethoven staan, de grootste krans gaat met een jongeman mee naar Brahms en nonchalant - alsof het om een dierbare vriend gaat - leunt een andere Japanner met een elleboog op de sculpturen in de zerk van Johann Strauss.

Vreemd gezicht, deze botsing van verstorven westerse cultuur en oosterse, toeristische aandacht en verering. Ook in de stad zelf is deze vreemde cultuurvermenging zichtbaar. Bij de Wiener Staatsoper lijkt het wel alsof de Japanners het geldverslindende huis instandhouden. Zij betalen zonder problemen de hoogste entreeprijzen die rond de vijfhonderd gulden per kaartje liggen. Als de Staatsoper op tournee naar Japan gaat, betaalt men in Tokio zonder dralen zelfs het dubbele voor een kaartje. En wie klappen tijdens het beroemde Nieuwjaarsconcert uit Wenen het hardst de 'Radetzky-Marsch' mee? Japanners.

Hoe zouden deze moderne Japanners kijken naar de voorstelling van Puccini's 'Madama Butterfly' die op zaterdagavond in de Staatsoper te zien is? Daarin wordt hun cultuur door westerse ogen bezien en door westerse oren gehoord. Die vraag speelt op, temeer daar alle Japanse personages in Puccini's opera hier door westerlingen worden gespeeld; tenor Keith Ikaia-Purdy, die de rol van de Amerikaanse luitenant Pinkerton speelt, is de enige Aziaat op het toneel - vreemde omkering.

Onder andere voor het zien van deze 'Butterfly' ben ik naar Wenen getogen, omdat de Nederlandse bariton Geert Smits daarin een belangrijke rol speelt. Al een paar jaar heeft Smits een vast contract bij de Weense Staatsopera. Dat betekent: acht maanden in een seizoen beschikbaar zijn, de kans om nieuwe rollen in te studeren, plotseling invallen voor een zieke collega, podiumervaring opdoen.

In de 'Butterfly' zingt Smits de rol van de Amerikaanse consul Sharpless. De voorstelling die ik zie is de driehonderdendertiende van een productie die in 1957 in Wenen in première ging. Het operahuis was toen net weer twee jaar open nadat het in de Tweede Wereldoorlog verwoest was. Opera-ensceneringen houden het lang vol in Wenen; dat moet ook wel. Het lopende seizoen telt bijvoorbeeld maar liefst zestig verschillende producties waarvan er slechts zes helemaal nieuw zijn. In Wenen hanteert men het repertoire-systeem en dat houdt in dat er elke avond een andere opera gespeeld wordt. Bij de Nederlandse Opera werkt men met het zogenaamde stagione-systeem: een reeks voorstellingen van dezelfde opera achter elkaar.

Aan de Weense 'Butterfly' is haar leeftijd overigens wel af te zien. De enscenering ziet er clichématig ouderwets uit, het muzikale aandeel is van een beter niveau. Smits zingt de rol van Sharpless overtuigend, maar hij staat er in deze stokoude productie een beetje hulpeloos bij; aan zijn lot overgelaten in een enscenering waarmee hij amper vertrouwd is.

Als we elkaar na afloop bij de artiesteningang ontmoeten, vraagt hij nieuwsgierig hoe ik het gevonden heb. Hij doelt daarmee niet zozeer op zijn eigen aandeel als wel op de productie als geheel. Een ietwat ironische glimlach verraadt dat hij voorbereid is op mijn kritiek.

,,Ik mag blij zijn dat ik voor deze 'Butterfly' ten minste nog één repetitie heb gehad'', vertelt hij even later in een Italiaans restaurant waar hij mij op aanraden van zijn vrouw mee naar toe genomen heeft. Eén repetitie? ,,Ja, een middag-doorloop met piano. Ik heb deze rol al een keer eerder hier gezongen, maar in deze langlopende producties die men in blokjes van twee of drie over een seizoen verspreidt, worden in de hoofdrollen steeds andere internationale operasterren gecontracteerd. Het is dan wel handig om even met je tegenspelers kennis te maken en de bewegingen door te nemen. Meestal zijn die grote sterren wel zo collegiaal om ook daadwerkelijk op zo'n repetitie te verschijnen, maar soms ga je haast zonder voorbereiding het toneel op. Ik zing hier ook de rol van graaf Almaviva in Mozarts 'Le nozze di Figaro' en de keren dat ik die rol zong, had ik steeds een andere collega als mijn gravin op het toneel. Op een avond dat ik de rol weer zou zingen, hoorde ik onder het schminken dat de oorspronkelijk gecontracteerde zangeres ziek was en dat zij vervangen zou worden door iemand die ik helemaal niet kende. Ik ben toen maar even naar de kleedkamer gelopen om kennis met haar te maken, anders had ik haar pas voor het eerst op het toneel ontmoet, al zingend, ten overstaan van het publiek.''

Zo'n anekdote klinkt absurd, zeker als je bedenkt dat men in stagione-theaters als in Amsterdam en Brussel zes weken uittrekt om een productie in te studeren. De bedoeling van zo'n lange repetitieperiode is dat een regisseur de zangers optimaal met elkaar vertrouwd kan laten raken en dat ze op het toneel uiteindelijk makkelijk en natuurlijk met elkaar omgaan. In Wenen is dat vaak niet aan de orde. Ook in de voorstelling van Mascagni's 'Cavalleria rusticana' twee dagen later (waarin Smits overigens geen rol heeft) is dat terug te zien. Weinig interactie tussen de zangers, clichégebaren en uitbarstingen gericht tot de zaal in plaats van tot elkaar, maken het een routineuze avond van hoog muzikaal niveau, maar met weinig theatrale impact.

De dag na 'Madama Butterfly' is het zondag. Wenen, toch al niet zo bruisend als andere Europese hoofdsteden, valt dan terug in een landerige burgerlijkheid. Ik heb afgesproken om met Smits, zijn vrouw en kind in een Weens park te gaan sleeën. Er is veel sneeuw gevallen en dat komt in Wenen niet al te vaak voor. De hevige sneeuwval heeft ervoor gezorgd dat een demonstratie tegen de omstreden Oostenrijkse regering, die precies een jaar geleden aantrad, nogal tegenvalt. Van de verwachte 15 000 demonstranten zijn er slechts 5 000 op komen dagen. De zondagskrant Kurier maakt er mel

ding van en in de auto op weg naar de slee-plek wordt de situatie in Oostenrijk besproken. Met name Smits' vrouw Cornelia Salje (Duitse en eveneens zangeres) becommentarieert met passie de politieke situatie in Oostenrijk. Zij bespeurt een kentering onder de Weners; in de opiniepeilingen staat de FP & Ouml; er bar slecht voor.

Terwijl moeder en dochter zich op de sneeuwhellinkjes vermaken, praat Smits door over zijn opmerkingen van een dag eerder. ,,Er zijn soms wel weinig repetities, maar er staat tegenover dat de Staatsoper acht uitstekende Studienleiter heeft; repetitoren die een partij met jou van haver tot gort doornemen. Sommigen van hen hebben nog met Karl Böhm gewerkt aan Strauss' 'Der Rosenkavalier'. In die opera heb ik hier al de rol van Von Faninal gezongen en het is echt geweldig om met zo'n repetitor elk stembuiginkje, elke vertraging en al die andere muzikale zaken die niet rechtstreeks in de partituur staan, te kunnen doornemen. Je voelt je dan echt een onderdeel van een gouden traditie worden.''

Smits heeft in Wenen een contract van acht maanden per seizoen. Zijn vrouw Cornelia heeft sinds kort ook zo'n contract en dus lijkt de beslissing van een paar jaar terug om in Wenen te gaan wonen een goede. Het appartement dat de zangers met hun dochter Charlotte bewonen ligt in de rustige Belvedere-wijk met uitzicht op de hortus botanicus van Wenen. ,,Een contract van acht maanden is natuurlijk mooi. Je kunt veel rollen instuderen en je doet waardevolle podiumervaring op. Maar er blijft wel weinig tijd over om je vleugels uit te slaan, om andere engagementen aan te nemen.'' Het is duidelijk dat Smits het contract inmiddels als ietwat knellend ervaart.

Over dat probleem is onlangs met de directeur van de Staatsoper, de Roemeen Ioan Holender, onderhandeld. Als er door een zanger geïnformeerd wordt naar de mogelijkheid om een contract in te korten, is het gevolg meestal dat het contract beëindigd wordt. Holender wilde echter best praten over een contract van Smits voor vijf maanden en dat was opvallend; een teken dat ze de Nederlander in Wenen graag willen houden.

In een eethuisje, bijkomend van het glijden en de winterlucht, doet de kleine Charlotte suiker in haar soep om het enkele tellen later op een oorverdovend krijsen te zetten. De ouders, wel wat gewend op decibel-gebied, horen het gelaten aan. ,,Het geregel van alles is weleens ontmoedigend'', vertelt Cornelia wat later. ,,Reizen voor audities, het vinden van een oppas, hotels, noem maar op. Ik neem soms aanbiedingen niet aan omdat de organisatie me meer kost dan dat ik met zo'n optreden verdien. Het zou mooi zijn als we hier een au pair konden vinden, maar dat blijkt moeilijk. Jonge meisjes gaan toch liever naar Amerika of naar Parijs en als ze Duits willen leren kiezen ze voor Berlijn en niet voor het tuttige Wenen.''

Die avond maakt Smits gebruik van de loge die voor vaste zangers aan de Staatsoper gereserveerd is. Verdi's 'Otello' staat op het programma met José Cura in de titelrol en Renato Bruson als Iago. Om het immense operagebouw slingert zich een rij liefhebbers, die hopen op een van de vele goedkope staanplaatsen die elke dag verkocht worden. Opera is in Wenen óók een soort van toeristische attractie: je moet er geweest zijn net als in de Arena van Verona.

Ik sta vergeefs bij de kassa - alle kaarten zijn echt op. Smits stuift vlak voor aanvangstijd langs en we spreken voor de volgende middag af in het beroemdste koffiehuis van Wenen: Central.

Op het afgesproken uur stapt de lange, blonde bariton het elegante Kaffeehaus binnen. Hij doet enthousiast verslag van 'Otello'. Er waren veel gasten in de zangersloge, ook beroemde. Iedereen wilde horen of de jonge Cura echt zo goed is als Otello. Die concentratie van goede zangers die naar elkaar komen luisteren, maakt Wenen ook leuk. Smits deed in 1997 mee aan het Belvedere-concours in Wenen. Het was een gevolg van de Nederlandse Muziekprijs die de mogelijkheid bood om aan allerlei zangwedstrijden deel te nemen. ,,Een concours is een goed iets'', beweert Smits, ,,en ik heb er aan een aantal meegedaan. Toen de mogelijkheid van het Belvedere-concours zich aandiende, dacht ik: daar doe ik nog aan mee en dan is het genoeg. Voor dat concours worden nationale voorronden gehouden en van de circa duizend aanmeldingen kunnen er honderdendertig zangers naar Wenen. In Wenen zelf waren nog drie rondes. Ik kwam met zeventien anderen in de finale in het Theater an der Wien en daar zat directeur Holender. Die kwam na afloop naar me toe en vroeg me voorlopig geen aanbiedingen aan te nemen. Hij zou me na de zomer bellen. Dat deed hij. 'Kommen Sie mal nach Wien, dann zeige ich Ihnen das Haus', klonk het door de telefoon. Ik dacht dat ik een soort rondleiding zou krijgen, maar ik moest meteen voorzingen en werd prompt aangenomen. Holender zei dat hij me voor een paar maanden per jaar nodig had, maar dat werden er uiteindelijk acht.''

,,Je moet hier heel snel kunnen werken. Mijn officiële debuut in Wenen maakte ik in 'Ariadne auf Naxos' als Harlequin, de voorstelling die ook naar Amsterdam komt. De enscenering gaat daar al heel lang, dus mocht ik blij zijn met twee repetities. Edita Gruberova, die hier echt op handen wordt gedragen, zong die avond ook. In het programmaboekje was een velletje ingevoegd met mijn biografietje; tweeduizend mensen werden op de hoogte gebracht van mijn debuut. Gelukkig wist ik daar die avond niets van. Ik baalde enigszins, omdat ik het gevoel had niet optimaal voorbereid te zijn. Ik had een video-opname van de voorstelling gezien, maar die was met één camera-opstelling gemaakt waardoor veel details verloren gaan. Dat soort dingen zijn niet goed voor je zenuwen.''

,,Holender had mij in een vroeg stadium al de vraag gesteld: 'leer je snel?'. Twee weken na mijn officiële debuut moest ik het toneel op als Von Faninal in 'Der Rosenkavalier' met grootheden als Felicity Lott, Anne Sofie von Otter en Kurt Moll. Ik had geen enkele doorloop met orkest gehad; dat hoorde ik pas toen ik het podium opkwam. Dat is natuurlijk link, maar het pakte goed uit. Mijn repetitor verzekerde me van tevoren al dat ik in de eerste drie voorstellingen soms ergens de mist in zou gaan. Ik heb de rol nu inmiddels acht keer gedaan, maar het blijft tricky.''

,,In je eentje voor het gordijn komen om applaus te halen, is eng, maar ik ben elke keer wel benieuwd hoe het publiek reageert. 'Boe' hebben ze gelukkig nog niet voor me geroepen en dat kan hier echt erg zijn. In de 'Pagliacci' waar ik aan meedeed, kreeg de dirigent al bij het verlaten van de bak een onbarmhartig boegeroep over zich heen. Het is inherent aan het systeem hier, maar

die man stond ook voor het eerst voor het orkest; dat het wat minder liep, kon je hem niet aanrekenen. Pas bij de derde voorstelling werd het wat; toen was dat aftastende tussen hem en ons eraf en konden we echt muziek gaan maken. In dit systeem heeft de dirigent een lastige klus.''

Weer een dag later moet Smits de hele dag beschikbaar zijn voor een repetitie in het theater. Er wordt met regisseur Willy Decker serieus gewerkt aan 'Billy Budd' van Benjamin Britten. Het is voor Wenen een nieuwe productie en bovendien maakt Wenen voor het eerst kennis met de originele versie van de opera. In de kantine van de opera, die er opvallend ouderwets, maar gezellig uitziet, is het 's morgens een drukte van belang. Door technici, balletdansers, koorzangers en figuranten wordt naar de televisie gekeken; niet naar voetbal, maar naar de slalom en de afdaling. Het enthousiasme is hetzelfde.

In het theater neemt Decker de proloog door met tenor Neil Shicoff. Om hen heen wordt nog getimmerd, van rechts komt af en toe een zanger oplopen, zingt 'Aaah, aaah' om de akoestiek te testen en loopt weer af; hij lijkt op een vogeltje in een koekoeksklok. De regisseur spreekt vooraf ook nog even met Geert Smits en dan begint de eigenlijke repetitie. Het gaat redelijk, al wordt er af en toe onderbroken voor wat technische aanpassingen of omdat enkele koorleden zich volgens Decker al te individueel profileren.

Smits vindt het leuk om met Decker te werken en het repeteerproces voor zo'n nieuwe productie maakt dat je beter beslagen ten ijs komt. Het is voor Smits opletten geblazen, want als de enscenering na de eerste zes voorstellingen later in het seizoen terugkomt, kan hij van de tamelijk kleine rol gepromoveerd worden naar een grotere, als een collega-zanger ziek wordt. Het is dan handig om nu al wat van de personenregie van die rol mee te krijgen.

Geert Smits heeft een goed relativeringsvermogen. Hij steekt niet onder stoelen of banken dat hij blij is om in Wenen te werken, maar hij slaat zich niet op de borst. ,,Ik heb meer bereikt dan ik in eerste instantie dacht. Ik zing de graaf in Mozarts 'Nozze' aan de Wiener Staatsoper, dat had ik toch niet kunnen dromen. Het is goed voor je zelfvertrouwen en je voelt je als zanger meer collega met de groten in het vak. Maar ik vind zingen in Nederland heel belangrijk. Ik hoef me niet meer te bewijzen, het is mijn land en ik voel me er lekker. Uiteindelijk wil ik dichter bij Nederland of in Nederland wonen. We zullen zien, maar al te lang kunnen we niet wachten omdat we moeten bepalen of Charlotte in Nederland of in Duitsland naar school gaat.''

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden