Wielrennen zonder fiets

“De weg die de mysticus gaat is niet makkelijk maar de dichterP.N. van Eyk is toch gegaan in de stellige verwachting dat straks'eindlijk wijkt de vaste wand / die altijd onverwrikbaar scheen,/ Rust die de hartslag overmant / Maakt ziel en al en leven een.' - Kijk, dan heb je wat.“

Het behoort tot de oudste dromen dat wij altijd weer opnieuwwillen beginnen. Een nieuwe lente en een nieuw geluid!

Zo zijn er altijd mensen geweest die niet alleen met het oogop het hiernamaals verlangden naar een nieuwe hemel en een nieuweaarde, maar ook naar een geschiedenis van smetten vrij. Naar eenhersteld paradijs op aarde, een stad op een berg, Utopia, eenplek waar het goed toeven is.

Het verlangen van Jan Oegema naar een 'minimaal christendom'zonder de ballast van een rijk maar ook belast verleden is in ditlicht niet vreemd. Oegema zoekt naar een alternatief voor de inzijn ogen ten dode opgeschreven christelijke kerk in Nederlanden het hele Westen. Sinds de oude dogma's en geloofswaarhedenontmanteld zijn, heeft zij haar zeggingskracht verloren. Tijdvoor een herontdekking van 'religiositeit op eigen kracht envoorwaarden.'

Lees je na de recent gepubliceerde liederen voor Benedicta Detoekomst der religie is begonnen (L & G, 19 maart 2005) nogeens terug, dan proef je vooral een nostalgisch verlangen naarhet goede, het beste van het christendom. Sterk leunend op debijbelse traditie, snijdt Oegema de lastigste leerstelligheden- die dammen die alleen maar tegenhouden - eruit, opdat de riviervan de religie weer fris en wild kan stromen en de nieuwgeplaatste kapel weer levend wordt en vol mag lopen.

Hoewel ik zelf de kerk van mijn ouders (een afsplitsing vaneen afsplitsing van de kerk van Kuyper) nooit verlaten heb, kenik de worsteling met de leerstelligheden, de geloofsdwang en dezwarte bladzijden uit het altijd meelopende verleden (vanantisemitisme, inquisitie en de kwestie-Geelkerken tot devervolging van heksen en de discriminatie van homo's) ja alleswat er ook maar ingewikkeld is aan haar, die kerk als bruid vanChristus. Dus dat je daar wel eens vanaf wilt, dat begrijp ikwel.

Toch wil ik mijn bruid graag trouw blijven. Om de gemeenschap,om die familie van intellectuelen en zoekers, en evenzeer om degewone gelovigen die zich niet zoveel afvragen maar gewoon doenwat hen voor handen komt en zo het leven leiden zoals hen datdoor Christus eens is voorgeleefd; gewone burgers, arm en rijken van 'waar was je?' Van die gelovigen waarover Karin Melis inhaar reactie op het eerste stuk van Oegema dit voorjaar (L & G,4 juni 2005) zo liefdevol eenvoudig schreef.

Om de gemeenschap dus, en om het hart ervan: die Christus, dievis - dat levende symbool - die ons gered heeft en zwemmengeleerd.

Ondanks Oegema's voorkeur voor uitsluitend 'ontwikkeldechristenen' en 'nadenkende, beschouwende en eigengereide mensen',reken ik hem bewust niet tot die 'ontwikkelden onder deverachters van de christelijke religie' waar Willem Jan Otten inHet wonder van de losse olifanten (1999) over sprak. Daar is hijte lankmoedig voor. Oegema zoekt zijn vrijheid in een zelfsamengesteld privé-christendom vol kunst en mystiek maar zonder'ongenietbare traktaten'. Diep-religieus maar geen geneuzel. Nietbehoudend maar vooruitstrevend. Experimenteel ook, in debetekenis van de volgende regels van de Amerikaanse dichter EmilyDickinson (1830-1886):

Experiment vergezelt ons

Tot het laatste, prikkelend -

Geen axioma wordt in zijn

Nabijheid kans gegund

Een prachtig vers dat overeen komt met een tekst uit Psalm 68waaruit spreekt dat wij, mensen, door de Allerhoogste niet beknotworden maar juist in de ruimte, de vrijheid worden gezet. Levehet experiment dus, maar dan? Hoe ga je verder? Want hoe ziet eenbeweging of religie voor louter gevoelige en ruimdenkende mensenmet louter goede smaak eruit? Je begint vrij, dat spreektvanzelf, maar hoe vrijblijvend kun je blijven? Wanneer ontstaande eerste sporen in de verse sneeuw?

Wat wil Oegema precies? Gaat het hem echt om een herontdekkingvan de religie of het wezen ervan? Of wil hij met zoveel mogelijkgeestverwanten in contact te komen in de hoop daarna samenopnieuw op (alternatieve) weg te gaan?

Moet ik denken aan de verlichte ideeën over het Sublieme vande negentiende-eeuwse Amerikaanse filosofen Emerson en Thoreauen de belichaming daarvan in het beroemde Walden of de echodaarvan binnen de gemeenschap van Frederik van Eeden? AanNescio's jeugdideaal van de Kropotkinhoeve of aan iets heelanders zoals het soefisme?

Of moet ik bij Oegema's nieuwe bloedgroep eerder denken aande kringen rond Huub Oosterhuis (De Rode Hoed), de open kloostersmet hun gastverblijven of de kunstgedreven gemeente van Henk Abmadie tot een jaar of twee geleden samenkwam in Kortenhoef en waarik ooit mocht ervaren dat het avondmaal werkelijk goed gevierdkan worden onder de klanken van 'Als het golft, dan golft hetgoed' van De Dijk?

Gezien zijn hoge inzet ga ik uit van het eerste: van eenbeweging met een nieuw gezicht, een eigen koers. Zo niet, dan hadOegema zich, veronderstel ik, allang genesteld in die ruimstenissen van de oude kerk en had ik zo nu en dan iets in Rood Koperkunnen lezen.

Maar Oegema wil meer. Hij heeft een alternatief en zoektruimte voor ontmoeting, niet eens zozeer voor zichzelf maarvooral voor die ander, die ontheemd is en soms nog staat tetreuren bij die oude wilgen aan Babylons stromen.

Er is, kortom, behoefte aan. Bij zuster Benedicta en dedominee van Wassenaar. Bij hen die zich onprettig voelen bij dezelfgenoegzaamheid van Andries Knevel en evenzo bij hen diehuiveren bij de valse profetieën en allesweterij van personalcouncelors of Jung-adepten, Coelho-lezers en andere vago's.

Behoefte bij vriendinnen die als Oegema iets heeft geschrevenzeggen: 'God, Jan, wat een persoonlijk stuk, eigenlijk gaat hetover jezelf.' En dat terwijl de argeloze lezer toch echt eenmystiek-religieuze verhandeling voor zich had, in de woorden vanOegema, 'uitmuntend in beschouwelijkheid en objectiviteit.'

En zo heeft Jan gevoeld dat hij eerst aangemoedigd en daarnageroepen is. Met als klapstuk de verschijning van die uitgetredenzuster: 'Heer, zie mij staan. Ik kan niet anders, zusterBenedicta kwam op mijn pad.'

Ziehier de pretentie van het nieuwe begin. Hier ontvouwt zicheen geloofsopdracht: wel Jan, dan nu als Mozes, aan de slag!

En goed ook, want de minimale lat ligt hoog. Hoger in elkgeval dan die van dominee Mike Verheul, die vanuit detraditionele kerken (PKN) probeert een nieuwe gemeente op tebouwen in de Utrechtse Vinex-wijk Leidsche Rijn. In de Volkskrant van 14 januari j.l. vertelt hij hoe hij bij alle mensen langs dedeuren gaat en weigert denigrerend te doen over 'zoiets als hetietsisme': 'Als geloven iets voorstelt, neem je dat soortgevoelens ook serieus.' Voor Verheul bestaan er geen grenzen aanwat je in een kerk kunt organiseren, 'zolang mensen elkaar maarontmoeten'. Laagdrempeligheid, daar gaat het hem om: 'Er is inVinex-wijken behoefte aan ontmoetingen en gesprekken dieuitstijgen boven het niveau van de nieuwe auto en het nieuwehuis.'

Niet mijn taal, moet ik bekennen. En ook niet die van Oegemawaarschijnlijk. Maar wat je er ook van vinden kunt, Verheul staatwel als een herder aan de basis. En volgt, zonder het uit tespreken, wel die grote herder na. Een herder zonder ballotage,die gaat van deur tot deur en leeft van dag tot dag. Zo'n man dienog een boom plant terwijl hij weet dat morgen de wereld vergaat.Minimaal dus, en christelijk.

Behalve een belijdenis (gevonden in Vattimo) en een praktijkbehoeft de nieuwe cultus ook een vorm waarin het samenkomen kangedijen. Een antwoord op Psalm 63 bijvoorbeeld, waarin de dichterzo sterk naar de Allerhoogste verlangt dat hij, David, zichzelfvergelijkt met droog en dorstig land dat smacht naar water. Zo'nantwoord zou een gedicht van Philip Larkin kunnen zijn:

Als ik erbij geroepen werd

om een religie op te zetten

zou ik daar water voor gebruiken.

Om bij de kerk te kunnen komen

zou men door water moeten waden

met droge nieuwe kleren.

Mijn liturgie zou beelden

van onderdompeling bevatten,

een woest en vroom doordrenken,

en ik zou in het oosten

een glaasje water heffen

waar licht uit alle hoeken

tesaam zou komen, eindeloos.

(uit: Gedichten. Vert. Jan Eijkelboom. Amsterdam, 1983)

Het zou een kort maar krachtig geformuleerd voorlopig programkunnen zijn. Je kunt er verder mee. Het nodigt uit om erop af tekomen en er later nog eens aan te sleutelen. Je breidt het uit,je vervangt wat, je voegt iets toe en wie weet ontvang jebovendien de zegen van die Ene of het Al. Zo is het ooit met degeloofsbelijdenis gegaan, ja zo verandert water soms in wijn.

Toepasselijk is ook de essaybundel Schoonheid als eigenbelang(1948) van mijn vrijzinnige, in 1977 overleden achteroom FokkeSierksma. In het essay Geknotte mystiek gaat hij in op de poëzievan P.N. van Eyk. Fokke - nu slechts nog bekend van Sukke maarde lezer moest eens weten wat hij in de tijd van Vestdijkallemaal overhoop gehaald heeft - laat zien hoe Van Eyk in zijnpoëzie zocht naar een mystiek die verder ging dan hetstoïcisme. De manier waarop Sierksma het mystieke pad van VanEyk beschrijft (eerst wanhopig zoekend naar de Schoonheid die inde toekomst ligt en later juist dezelfde weg weer terug maar danin de berusting dat het ego, dat kleine ik, uiteindelijk zalverdwijnen als een druppel in de oceaan, 'spoorloos in een lichtestilte'), is zo overtuigend dat zelfs al moet je er weinig vanhebben, je toch overstag gaat: al was het maar om even aan teleggen en te kijken.

De weg die de mysticus gaat is niet makkelijk maar Van Eyk,en voor hem Plato en Huxley, is toch gegaan in de stelligeverwachting dat straks 'eindlijk wijkt de vaste wand/ die altijdonverwrikbaar scheen,/ Rust die de hartslag overmant/ Maakt zielen al en leven een.'

Kijk, dan heb je wat. Dit wordt verstaan van Rode Hoed totWoudkapel. Zowel Sierksma als Van Eyk spreken een eigen taal,even persoonlijk als herkenbaar en zwanger van religie. Zoietsverwacht je ook van Oegema. Een literaire pelgrimage die, metbehulp van sterke beelden (Van der Graft of mijn part Lucebert,zijn terrein toch) toegang verschaft tot de poort van de religieen haar toekomst.

Maar zover komt het helaas niet. In plaats dat Mozes, nog opde berg gezeten, het werkelijk in de schoonheid of de openbaringzoekt, ontwerpt hij in zijn liederen van 24 december en 7 januarij.l. een typisch theologisch bepaald begrippenkader om zijnexperiment te onderbouwen.

En zo lees ik bij Oegema geen lied maar een constructie. Inde aard niet vrij maar reactionair; letterlijk omdat zij reageertop de begrippen waar de ontwerper zo graag van af wil.

In plaats van het beloofde lied, als teken van een geestelijkereis (we zijn op weg en gaan, met of zonder Van Eyk, weer moedigverder), krijg je een traktaat met enkele trotsgepresenteerde termen en axioma's als Solo-religieuzen, Minimaalchristendom, Permanent Testament, plus de wat geforceerdeintroductie van een nieuw icoon, geheten Benedicta. Geen goedewoorden om een liturgie of testament te formuleren.

Minimaal christendom. Iets uit niets of niets uit iets? Ikweet het niet. Maar voorlopig is het, vrees ik, vooral verwarrendwat Oegema te berde brengt. Wat hij ook beweert, het is alles zooeverloos, het kabbelt en het zeurt maar door. Het is te glad,te religieus correct. Alle weerbarstigheid, van schepping totopenbaring, is aan de kant gezet, met de Golgotha-scèneverbannen naar het theater.

Oegema ziet geen Christus maar een gat, een leemte; een hemvertrouwde godsdienst zonder dogma. Maar het werkelijke gat ishij vergeten. Met Christus snijdt hij niet alleen het grote dogmaen de mythe uit het oude hout maar ook dat deel wat hij bewarenwil, te weten het mysterie.

Zelfs het welwillende ('Laat het gaan bloeien.') advies vanMarjoleine de Vos (zie NRC Handelsblad, 9 januari) de vorm vanzijn nieuwe cultus te zoeken in de katholieke liturgie omdatdaarin de kern, dat gat, omcirkeld wordt, helpt niet. Wie ooitde mis heeft bijgewoond weet dat de gelovige door het brood teeten en de wijn te drinken niet om het mysterie heen draait, maarhet geheim juist op het hoogtepunt deelachtig wordt. Hij cirkeltniet maar maakt het eigen, gaat er doorheen, neemt het in envoelt het zelfs van binnen gloeien van de tong tot in de maag.(En voor de goede orde, binnen de sobere protestantse liturgiegeldt voor het avondmaal precies hetzelfde.)

Stel, je naam is Winnen, Raas of Haast en je hebt vaakgetwijfeld. Je ging, ondanks die oude fiets, dat shirt en ondanksweer en wind toch steeds weer naar de wielerbaan. Nee, nietaltijd zo aangenaam, het was de liefde die je dreef. Dat grotedoel. En soms ook tegen wil en dank de mensen.

Dan hoor je van een nieuwe wielerbond. De Minimale. Oprichterzegt: 'Volg mij, verdrukten die vermoeid zijt en gestopt, komhier, de oude Wielerunie is ten dode opgeschreven, er zijn geennieuwe leden meer, de tijd is rijp, het oude wierookvat is leegen 't clubhuis is versleten.'

Het is een bond waarin de toekomst van het zuivere wielrennen,de pure sport, gewaarborgd blijft. Geen vuile handen en geenpolitiek. De oude schoonheid komt weer terug. En daarom geencombines meer, geen kongsies. Geen foute ploegleiders noch louchesoigneurs, tenzij ze uit het oosten komen. Kopmannen nochwaterdragers en winnaars evenmin. We doen het allemaal solo entoch samen: naturel, op water en op brood. Alleen zo worden onzeoude kleren afgelegd en verliezen wij ons ego.

We gaan op weg maar spoedig wordt het mistig en er ontbreektook iets. Totdat je hoort: “'t is Minimaal, stap af, we doen hetvoortaan zonder fiets“. Daar sta je dan. Zoiets geloof je niet.

Wielrennen zonder fiets. Je cirkelt wel maar 't is geenfietsen meer, een andere tak van sport. Want zonder fiets ookgeen getrap, geen val en geen gedachte meer, niets anders houdtons gaande.

Het 'minimale christendom' van Oegema is geen christendom enook niet minimaal, 't blijft hangen in de mist.

Dus Jan, spring, zwem, wandel, zoek het in de autosport ofatletiek. Maar voor je verder gaat: Daal af, maak vuil jouwschone handen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2019 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden