Wiegel hád tot nu toe niet veel principes

Er zit een grote continuïteit in de stijl waarop Wiegel al bijna dertig jaar politiek bedrijft. Zijn optreden in het recente kamerdebat was ook nu weer een genot om naar te kijken. Als het gaat om de politieke prioriteiten die Wiegel stelt, is er echter sprake van een opvallende wijziging.

De politieke afweging die senator Wiegel tot verbijstering van de VVD-top heeft gemaakt, verschilt hemelsbreed van de afwegingen die hij in het verleden maakte. In de periode dat Wiegel politiek leider van de VVD was (1971-1982) maakte hij minder principiële keuzen. Zijn algemeen leidende beginsel was steeds de deelname van de VVD aan de regering door een harde politieke opstelling onmogelijk te maken. Het betekende dat Wiegel zich altijd soepel opstelde tegenover (potentiële) coalitiepartners.

Zo drukte in 1972 Wiegel als jonge fractievoorzitter door, dat de VVD-ministers niet met de DS'70 ministers het kabinet-Biesheuvel zouden verlaten. De toenmalige partijvoorzitter en een deel van het partijbestuur waren daar wel voor. Inhoudelijk was er immers een grote mate van overeenstemming tussen de opstelling van DS'70 en de VVD. Wiegel vond het onverstandig want het zou voortzetting van de coalitie met de confessionelen in gevaar brengen.

Tekenend voor de flexibele opstelling van Wiegel was eveneens de wijze waarop hij tijdens de kabinetsformatie in 1977 het regeerakkoord dat CDA-leider Van Agt eerder met de PvdA had gesloten grotendeels overnam. Regeringsdeelname van de VVD was in de visie van Wiegel aanzienlijk belangrijker dan papieren afspraken.

Dat bleek ook eind jaren zeventig. Wiegel profileerde zich als oppositieleider ten tijde van het kabinet-Den Uyl als de grote voorstander van sobere overheidsuitgaven. Maar in het daaropvolgende eerste kabinet-Van Agt kreeg het restrictieve financiële beleid van CDA-minister Andriessen slechts beperkte steun van de coalitiepartner VVD. Toen Andriessen in 1980 aftrad, bleef Wiegel met de VVD gewoon in het kabinet zitten.

Het blijft speculeren of weerzin tegen het correctief referendum nu het enige motief is geweest van Wiegel. Een ervaren politicus als Wiegel heeft ongetwijfeld voorzien dat zijn optreden het gezag van politiek leider Dijkstal en van andere VVD-prominenten zou aantasten en dat het het einde van Paars zou betekenen. Misschien zijn het niet dé doorslaggevende motieven achter zijn stemgedrag geweest, maar zijn het slechts door hem voorziene neveneffecten. Wiegel slaat ze nu ongetwijfeld met genoegen gade. Het feit dat deze consequenties hem niet van zijn daad hebben kunnen weerhouden, zegt veel over de afstand tussen Wiegel en de huidige, door Bolkestein gevormde VVD.

Wiegel heeft met zijn stemgedrag zijn eigen partij in grote politieke problemen gebracht. De VVD heeft maar één mogelijkheid om uit de problemen te komen. Zo snel mogelijk overgaan tot de orde van de dag, in dit geval het doorregeren met de PvdA. De eenheid binnen de VVD kan verder enigszins hersteld worden door hard uit te halen naar het gedrag van D66 en haar politieke leider De Graaf. Het is duidelijk dat sommige VVD'ers daar al met enige gretigheid mee begonnen zijn.

De PvdA heeft een veel groter probleem. Nu het zeker is dat D66 niet verder wil met paars dienen de sociaal-democraten op korte termijn het besluit te nemen of ze zonder nieuwe verkiezingen mogelijkheden zien om verder te regeren. Doorregeren met de VVD is vanuit het perspectief van het geschreven staatsrecht mogelijk. D66 is echter in 1966 mede ontstaan uit onvrede over het feit dat op basis van de verkiezingsuitslag van 1963 kabinetten werden geformeerd van totaal verschillende kleur, eerst het liberaal- confessionele kabinet Marijnen, later het KVP-PvdA-ARP kabinet Cals-Vondeling. Na 1966 is de ongeschreven gewoonteregel ontstaan dat de politieke samenstelling van een kabinet niet verandert zonder raadpleging van de kiezers. Het zou goed zijn als de PvdA zich aan deze regel van politieke duidelijkheid houdt. De opmerking van Melkert dat de uitslag van 1998 uitsluitend een mandaat voor de voortzetting paars was betekent waarschijnlijk dat de PvdA zich hieraan zal houden.

Als er nieuwe verkiezingen komen, zijn de problemen voor de PvdA zeker nog niet opgelost. Aannemende dat Kok bereid is opnieuw lijsttrekker te worden en de PvdA de grootste blijft, is het op dit moment op geen enkele wijze helder aan welke regeringscoalitie de PvdA na de verkiezingen de voorkeur dient te geven. Ongeacht de uitslag voor D66 lijkt het weinig waarschijnlijk dat D66 wil deelnemen aan een nieuwe regering.

Elke coalitie zonder D66 brengt voor de PvdA grote risico's met zich mee. Tussen 1989 en 1994 heeft D66 zich als oppositiepartij kunnen profileren ten koste van de PvdA. De PvdA zit niet te wachten op een herhaling van deze eerdere ervaring. Een twee-partijencoalitie PvdA-VVD of PvdA-CDA is daarmee weinig aantrekkelijk, nog los van de vraag of deze coalities over een meerderheid zullen kunnen beschikken.

Voor de PvdA is met het oog op een eventueel komende verkiezingscampagne slechts één lichtpuntje. Lubbers en het CDA konden zich in 1989, na de val van het tweede kabinet Lubbers profileren als de stabiele en betrouwbare politieke factor in de Nederlandse politiek. Met Kok als lijsttrekker ligt een vergelijkbare profilering van de PvdA voor de hand. Dat is een mooi uitgangspunt voor de campagne. Welke rol Dijkstal, Bolkestein en Wiegel in de VVD campagne gaan spelen blijft voorlopig nog in nevelen gehuld.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden