Wie zou mij nou willen, een loser, een dikke homo

Klaas Vos (Huizen, 1949) is dominee. Na een kort dienstverband in Vreeland, werd hij pastor, reisleider en vervolgens programmamaker bij de VPRO. Sinds 1 maart 2009 is hij weer predikant, dit keer bij de Protestantse Kerkgemeente Woensdrecht.

I Gij zult geen andere goden voor mijn aangezicht hebben
"Dit is een persoonlijk interview, maar ik ben nu eenmaal dominee van beroep, dus ik wil toch eerst even iets zeggen over het kader waarin deze tien geboden zijn gezet: Ik ben de Heer, uw God, die u uit het diensthuis, uit Egypte, heb geleid... en dán komt gij zult niet dit en gij zult niet dat. Mijn interpretatie zou zijn: als je bevrijd bent, doe je zulke dingen niet. En waarom zou je ook? Het is juist een vreugde om je aan deze tien woorden - want dat zijn het - over te geven. Het is een oproep tot broederschap, zusterschap, het zijn liefdesaanwijzingen, bevrijdingsregels, om het nu, in deze wereld met elkaar te kunnen rooien. Het zijn woorden die je voor kunt houden aan het gepeupel dat, geschaard rondom Henk Bres, probeert een pedoseksueel uit zijn dorp te verdrijven, of aan Geert Wilders, die zich voorstaat op zijn liefde voor het Joodse volk en ondertussen zo'n beetje al deze geboden overtreedt; die niet alleen fascistisch - maar vooral ook anti-christelijk denkt. Er zit geen enkel gunnen, geen spatje liefde voor de ander in die man. En dat is nou precies waar deze tien woorden over gaan: liefde. Elkaar de ruimte gunnen.

Goed. En dan: de Heer, uw God. Het is niet de vertaling van Jaweh, een woord dat gelovige joden niet mogen uitspreken, maar van Adonai: Heer. Heer heeft inmiddels een beetje een vervelende klank. Bij een heer denk je automatisch aan een knecht. Ik zeg vaak de Getrouwe. Of de Ene. Misschien is Hij ook wel genoeg.

En Hij, dat is voor mij iemand die je nooit alleen laat, een kameraad, een vriend. Het diensthuis was voor mij in feite de kast waaruit ik op mijn 31ste tevoorschijn durfde te komen. Het aanvaarden van mijn homoseksualiteit - en de overtuiging dat God van mij houdt zoals ik ben - heb ik als een enorme bevrijding ervaren.

Hij is het dus, en niet een van die andere goden. Je moet niet de slaaf van een andere god worden. Voor mij zou dat Koning Alcohol kunnen zijn. Ik leef alleen en het ambt van predikant valt me soms zwaar. Er komen veel vragen op mij af, vooral over de vergeefsheid van het bestaan. 'Dominee, ik heb geen perspectief meer.' 'Wat is de zin van mijn leven nog?' Soms wil ik even weg van die vragen, in een andere wereld vertoeven, en dan zoek ik een beetje vergetelheid in de drank. Gelukkig denk ik op tijd: nu moet je stoppen, Vos."

II Gij zult u geen gesneden beeld maken noch enige gestalte van wat boven in de hemel, noch van wat beneden op de aarde, noch van wat in de wateren onder de aarde is
"Misschien heb ik van voetbal wel een afgod gemaakt... Ik vond het als kind al zo'n leuk spel. Kon er geen hout van hoor, maar ik deed het graag. En ik werd verliefd op het shirt van Ajax, vraag me niet waarom. Voetbal is een metafoor voor het leven, alles zit er in. Winnen en verliezen, die strijd, de ontlading. Ik zit doorgaans heel kalm in het stadion, maar er zijn ook wedstrijden die er voor zorgen dat ik ehm... veel emotie kwijt kan."

III Gij zult de naam van de Here, uw God, niet ijdel gebruiken
"IJdel gebruik vindt vooral binnen de kerk plaats. Veel dominees - ik ook - hebben er een handje van om vroomheid te gebruiken als de rechtvaardiging van hun eigen gelijk. Zeg dan gewoon: ik vind dit, of ik vind dat - in plaats van je te verschuilen achter jouw interpretatie van Gods woord."

IV Gedenk de sabbatdag, dat gij die heiligt, zes dagen zult gij arbeiden en al uw werk doen; maar de zevende dag is de sabbat van de Here uw God, dan zult gij geen werk doen
"Ik zie de zondagsdienst niet als arbeid, maar ik ben aan het einde van de dag wel doodmoe. Dat is het moment waarop ik een flesje Westmalle opentrek en een goede sigaar opsteek.

Ik houd van deze baan. Nooit gedacht dat ik er nog eens aan zou beginnen. Toen ik in 1980 uit de kast kwam, was ik net een jaar dominee in Vreeland. Ik moest daar weg, de toestand werd onhoudbaar. Na een tijdje pastor in een verpleeghuis te zijn geweest, raakte ik in een soort bevrijdingscrisis en wilde even niets meer met God en de kerk te maken hebben. Ik werd reisleider bij de OAD en later programmamaker bij VPRO-radio. Een aantal jaren geleden heeft God me toch weer bij de kraag gevat en ben ik weer tot het ambt geroepen. Ik denk dat ik inmiddels een andere dominee ben geworden. Toen ik jong was, wilde ik tijdens een preek zoveel mogelijk aan de kerkgangers meegeven, nu weet ik dat het veel beter werkt als je het verhaal subtieler - maar ook speelser, met gevoel voor theater - brengt. Ik denk dat er één ding hetzelfde is gebleven. Als je mijn gehoor zou vragen: waar heeft die Vos het nou het vaakst over? Dan zullen ze zeggen: dat je er mag zijn, dat je jezelf niet hoeft weg te gooien, dat er iemand is die, hoe dan ook, van je houdt. Ik doe dat niet zo bewust, maar het is waar: ik preek ook over - en voor mezelf."

V Eer uw vader en uw moeder
"Ik ben mijn leven lang naar mijn vader op zoek geweest. Naar erkenning. Later begreep ik het wel: hij heeft het ook niet makkelijk gehad, hij zat in een slecht huwelijk, maar... ik heb zo mijn best gedaan, ik heb geprobeerd hem te bereiken. Als hij me sloeg, kroop ik over de grond, smekend om genade. Hij kon het gewoon niet, hij kan mij geen liefde geven. Ik was zijn oudste zoon, misschien was hij vooral teleurgesteld, dat ik niet de jongen was op wie hij had gehoopt.

Toen ik een keer van jeugdkamp terugkwam en vertelde dat ik iemand had ontmoet met wie ik zou gaan corresponderen, zei hij: 'Schrijven? Wat heb je daar nou aan?' Toen ik besloot theologie te gaan studeren: 'Waarom word je geen slager? Dan heb ik er ook nog wat aan?' Nadat ik uit de kast was gekomen heeft hij drie maanden lang gezwegen. Daarna heeft hij mijn homoseksualiteit min of meer aanvaard, bijvoorbeeld door te zeggen dat ik wel moest uitkijken toen de aids-epidemie uitbrak. Hij begreep dus dat ik niet een of ander celibatair bestaan leidde. Die erkenning koester ik, en gelukkig zijn er meer van die momenten geweest, maar toen ik, aan het eind van zijn leven de kans kreeg om zaken eens goed uit te praten hield ik er na een paar vage klachten al mee op: 'Ik heb veel slaag van je gehad, het was niet altijd makkelijk, maar zand erover nu!'

Ik had natuurlijk méér moeten zeggen, maar ik had nog altijd een zekere huiver voor hem. Die donkere wolk is daardoor blijven hangen. Ik voel me verdrietig - nu weer - als ik aan hem denk. Dat verlangen, die hunkering is er nog altijd. Ik hoop dat ik langzaam maar zeker iets meer balans krijg in de begroting van mijn ziel.

Als ik aan mijn moeder denk wordt het niet per se veel lichter in mijn hoofd. Zij kon mij heel erg claimen. Ook die verhouding was erg moeizaam. Ik kreeg nooit het gevoel dat ze het fijn vonden dat ik er was. Ik zocht al snel mijn heil buitenshuis. Er zijn maar een paar mooie herinneringen: hoe ik tijdens de kerst samen met mijn moeder van aardappels en stukjes crêpepapier kaarsenstandaards maakte bijvoorbeeld. Ik weet nog precies wat ik toen dacht: nu hoor ik erbij.

Verder weet ik vooral nog hoe unheimisch ik mij heb gevoeld. Ik zie mezelf in bed liggen, op het zolderkamertje. Ik heb helleangst. Straks val ik in een diepe put waar ik door malende machines vermorzeld, of door dolle honden verscheurd zal worden. Man! Ik heb het nóg wel eens, af en toe. Dan denk ik niet meer aan de hel, maar aan het onherroepelijke; ik zink en ik ga dood, er is niets meer aan te doen. Gelukkig geloof ik, zodra ik wakker word, dat ik straks, op een of andere manier, nog ergens geborgen ben. En - in groter perspectief - dat deze hele wereld eindelijk nog eens tot zijn recht zal komen."

VI Gij zult niet doodslaan
"Je mag een ander niet tegen zijn wil in uit het leven werken, maar ik geloof wel dat je er zelf een einde aan mag maken. God geeft mij de regie over mijn leven; ik kan op een dag besluiten dat het genoeg is geweest. Euthanasie plegen is misschien geen vorm van doden, maar juist van leven geven omdat het bestaan zelf zo ondraaglijk is geworden."

VII Gij zult niet echtbreken
"Mijn huwelijk, in 1973, was geen feestelijke gebeurtenis. Toen we knielden en ingezegend werden, moest ik huilen. Onze gasten hebben waarschijnlijk gedacht dat ik hevig ontroerd was, maar ik huilde omdat ik dacht: nu gaat de gevangenis open. Ik kon niet anders... Het homoseksuele, dat kón gewoon niet. Het was fout. Verdorven. Ik zou er door in de hel belanden. Ik was iemand tegengekomen die gek op mij was, dat bood mij een escape, zij werd mijn vrouw. Diep van binnen wist ik dat het niet klopte. Ik heb nooit volmondig kunnen zeggen dat ik van haar hield. Seks speelde in ons huwelijk geen grote rol. Toch raakte ze in verwachting. Ze kon de pil niet verdragen en het spiraaltje bleek geen betrouwbaar voorbehoedmiddel te zijn. We studeerden allebei nog. We wilden geen kind - zij zeker niet - maar gek genoeg herinner ik me die maanden wel als de gelukkigste tijd binnen onze relatie. Ze was vaak erg misselijk en ik vond het fijn om voor haar te zorgen. Ik ging haast niet meer naar college en verheugde me inmiddels op het vaderschap. Ik kon het kind de liefde geven die ik zelf had gemist. Na drie maanden kreeg mijn vrouw een miskraam... ik denk dat het vanaf dat moment tussen ons steeds slechter is gegaan.

Ik kon mijn gevoelens voor mannen niet langer onderdrukken, had geheime contacten, zocht hulp, ging van therapie naar analyse, pelde mezelf als een ui, laagje voor laagje af, en kwam kilo's lichter, bevrijd, thuis met de boodschap: dit ben ik, zó ben ik. 'Dan zijn we nu gescheiden', zei ze. We hebben nog een paar maanden samen in Vreeland gewoond. Dat is geen makkelijke tijd voor haar geweest want ik ging puberen, nam jongens mee naar huis en bedreef met hen de liefde terwijl mijn vrouw in het kamertje ernaast probeerde de slaap te vatten. Het was voor ons allebei een opluchting toen de scheiding, na acht jaar huwelijk, officieel werd uitgesproken.

Ik heb sindsdien wel relaties gehad, maar het duurde nooit zo lang... Het lukt me niet zo goed. Ik ben misschien wel vlot in de omgang, maar ik weet niet hoe ik zoiets aan moet pakken. Elke flirt vind ik pathetisch. Ik zie mezelf en denk: doe niet zo ráár! Ja, ik keur mezelf af. Dat is het natuurlijk. Als mensen je niet erkennen, ga je zoiets overnemen: ik ben een enorme lul, een loser, een dikke homo. Logisch dat ik geen partner vind. Wie zou nou zo iemand willen? Dus ga ik er niet meer naar op zoek. Laat maar zitten. Dat is het mechanisme. Snap je?

Het is een gevecht tegen de eenzaamheid. Het gaat niet meer om seks - ik weet wat er te koop is, en ik heb mijn portie wel gehad - maar ik mis de intimiteit met één bijzondere ander.

Ze zeggen wel eens dat mensen voor elkaar bestemd zijn; dat de ware daar ergens rondloopt. Als dat zo is mag hij wel een beetje opschieten want ik ben al bijna 65. Maar goed, het kan nog. Desnoods op mijn sterfbed. Voor een laatste kus."

VIII Gij zult niet stelen
"Ik ben een dief met mijn ogen. Aandachtig kijken, je laten inspireren en er je voordeel mee doen. De laatste jaren ben ik vooral naar de natuur gaan kijken. Ik ben een beginnend vogelaar, geweldig, zo ontspannend. Als het even kan - ik heb nu een onwillige knie - ga ik wandelen. Deze zomer kwam ik een hinde tegen. Middenin het bos. Het was een ontmoeting die mij diep ontroerde."

IX Gij zult geen valse getuigenissen spreken tegen uw naaste
"Dietrich Bonhoeffer (Duitse theoloog, 1906 - 1945, AV) hield zijn studenten, in een kloosterachtige omgeving bijeen, altijd voor: praat nooit over iemand als hij er niet is. Dat is een uitstekende regel. Eh... nee, ik houd mij daar ook niet altijd aan, maar je ervan bewust zijn kan al een hoop ellende voorkomen."

X Gij zult niet begeren uws naasten huis; gij zult niet begeren uws naasten vrouw, noch zijn dienstknecht, noch zijn dienstmaagd, noch zijn rund, noch zijn ezel, noch iets dat van uw naaste is
"Als ik denk aan de dingen die in mijn leven niet zijn gelukt, voel ik een zekere jaloezie opkomen. Ik heb redelijk veel registers op mijn orgeltje, maar ik heb misschien niet altijd de juiste keuzes gemaakt.

Ik zing graag en op mijn 35ste werd ik nog toegelaten tot het conservatorium in Utrecht, maar ik durfde uiteindelijk toch niet aan die studie te beginnen. Ik werkte bij de omroep, had dolgraag ook een reisprogramma voor televisie gemaakt maar... Ik zit er steeds heel dichtbij, maar uiteindelijk lukt het niet. Of willen ze me niet. Misschien moet ik het later nog een keer proberen.

Er blijft een spanning bestaan tussen ambitie - ik wil nog zo veel! -- en tevreden zijn met wat ik heb. Daar gaat dit tiende woord ook over: aanvaarden. Er zijn mensen die dat heel makkelijk kunnen maar - nee? Jij denkt dat iedereen daarmee tobt? Hm... ja, misschien heb je gelijk. Ik zou me vaker moeten bedenken dat ik eigenlijk heel gewoontjes ben. Dat helpt."

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden