Wie zal ons troosten?

„Het lijden is niet veranderd. Priamus schreit bittere tranen om het verlies van zijn geliefde zoon Hektor, en we begrijpen precies wat hij doormaakt. Maar is de troost veranderd?” Door de eeuwen heen hebben dichters en denkers nagedacht over passende antwoorden op groot verdriet. Filosoof Jabik Veenbaas onderzoekt of de woorden van Homerus en Dante, van Schopenhauer en Camus, de moderne mens nog kunnen troosten.

Het kind valt, het bezeert zijn knie. Hij begint te huilen en loopt naar zijn moeder. ’Stil maar’, zegt zij. ’Kusje erop.’ Dat helpt en het kind speelt verder. Als het geluk heeft, groeit het op in een veilige omgeving, met de beschermende arm en de troostende woorden van zijn ouders vlakbij.

Dan komt de tijd dat hij geen kind meer is. Hij staat op eigen benen, misschien krijgt hij zelf kinderen. Vroeger of later komen de eerste grote klappen: de dood van een ouder, een eenzame tijd, een scheiding, de fatale ziekte van een kind of een geliefde. Bij wie vindt hij steun? Is er troost mogelijk voor het grote verdriet? De begaafdste geesten uit de beschavingsgeschiedenis hebben die vraag trachten te beantwoorden, in hun filosofieën, hun religieuze geschriften, hun poëzie.

De vraag is dezelfde gebleven. Zijn de antwoorden anders geworden?

Laat ik beginnen bij Homerus, die geniale dichter, aartsvader van de westerse cultuur. Homerus vindt dat de sterfelijke mens zijn plaats moet kennen. De machtige, zorgeloze goden kunnen hem maken en breken. Als Achilles de oude Priamus troost voor het verlies van zijn geliefde zoon Hektor, wijst hij hem erop dat hij zich geduldig in zijn nederige lot moet schikken:

’t Helpt toch allemaal niets, dat ijzingwekkende klagen. Zo hebben eenmaal de goden, die zelf het lijden niet kennen, Ons ongelukkige mensen gedoemd in ellende te leven. Want in de woning van Zeus staat een tweetal vaten, waaruit hij Gaven bedeelt; uit het ene vat het goede, uit ’t andere kwade.

Je ziet hem staan, de machtige oppergod, een beetje beneveld van de nectar, met een onverschillige grijns op het gelaat en een grote soeplepel in de hand, waarmee hij naar willekeur uitdeelt. De ene sterveling krijgt een kom vol geluk, de andere een pan met leed. En je hebt het maar te aanvaarden, want als je een god tegen de haren instrijkt, ben je gezien. Odysseus’ makkers moesten de verdrinkingsdood sterven toen ze de runderen van Helios slachtten, een van die andere Olympiërs.

In zulke goden geloven wij allang niet meer. Maar zijn de woorden die Achilles gebruikt daarmee onbruikbaar? Op de een of andere manier doen ze verrassend modern aan. Wanneer je de goden weglaat, houd je immers de willekeur over. En van een toevalsuniversum kijken in elk geval de atheïstische materialisten niet vreemd op. Homerus’ wereldbeeld is ons de afgelopen eeuw dichter genaderd, en de woorden van Achilles bieden zeker troost.

Bij Homerus was de mens klein en onmachtig. Maar dat zou hij niet blijven. In de eeuwen na hem kwamen er denkers die hem grotere mogelijkheden toedichtten. De grote aanjager op dit punt was Socrates, een denker die we vooral kennen door Xenophons ’Herinneringen’ en de dialogen van Plato. In de dialoog ’Phaedo’ beschrijft Plato hoe Socrates, nadat hij door de Atheense juryrechtbank ter dood is veroordeeld, zijn vrienden tijdens de laatste uren van zijn leven vertelt dat ze niet hoeven treuren. Hij is niet bang om te sterven, omdat alleen zijn lichaam zal heengaan en zijn kern, zijn ziel, onsterfelijk is. Wie er bij zijn leven naar gestreefd heeft om een zuiver en gematigd leven te leiden, zal na zijn dood in het gezelschap van de goden verkeren. De dood is voor Socrates niets minder dan de bevrijding uit de gevangenis van het lichaam. Dat levert de mens immers over aan genot, begeerten, pijn en angst, kortom, aan alles wat beperkt en wisselvallig is. De filosofische ziel, zegt Socrates, probeert zich daarom al tijdens het leven boven het lichamelijke te verheffen en zich met het ware en goddelijke bezig te houden.

Nu is de onsterfelijke ziel voor ons geen vreemde. Ze is bekend uit de christelijke geloofstraditie, die deze samenleving heeft gevoed en gevormd. Toch lijkt Socrates verder weg te staan dan Homerus. Zijn rust in het aangezicht van de dood is groots, maar zijn strenge afwijzing van het lichamelijke doet onmenselijk aan. Zijn troost is schraal. Pijn en angst horen bij ons, mensen, net als genot. Wij hangen aan het zintuiglijke leven. Wij mogen verdrietig zijn omdat we sterven, en we mogen verdrietig zijn als onze geliefden sterven. We zijn zoveel aardser dan Socrates.

Dan kunnen we beter uit de voeten met de stoïcijnen. Natuurlijk, ook zij hebben de naam dat ze het gevoelsleven verachten. Nog altijd heet iemand die onaangedaan reageert op wat bij anderen heftige gemoedsbewegingen zou veroorzaken een ’stoïcijn’, en dan is het beeld toch dat van een wat kille persoonlijkheid. ’Apatheia’ heette het ideaal van de oude stoïcijnen: hartstochtloosheid, en het hedendaagse gebruik van het woord ’apathie’ maakt duidelijk dat wij de ideale mens liever niet als gevoelloos zien.

Tegelijk benadrukten de stoïcijnen het belang van het medeleven met anderen. Ze beoefenden het genre van het troostschrift, waarmee ze een door verdriet getroffen medemens troostten. De stoïcijnse troostschriften zijn vaak nog heel toegankelijk. Als Seneca zich richt tot Marcia, een vrouw die al drie jaar treurt om de dood van haar zoon en haar echtgenoot, benadert hij haar begripvol. „Maar neem nu eens aan, Marcia”, schrijft hij, „dat jou meer ontnomen is dan enige andere moeder ooit heeft verloren – je ziet: ik ben niet bezig je vrolijk te stemmen en ik stel je ellende niet kleiner voor dan ze is.” Die empathische toon typeert de hele brief. Seneca ziet Marcia niet als een verachtelijk wezen omdat ze na drie jaar nog treurt, hij probeert haar met voorzichtige raadgevingen op te beuren. En zijn visie op de dood is zeer aards en voor ons dus zeer navoelbaar. „De dood betekent een bevrijding uit alle lijden en een grens waar onze ellende niet overheen kan reiken”, schrijft hij. „Hij brengt ons weer terug in die toestand van rust waarin wij lagen voordat wij geboren werden.”

Ook de epicuristen staan in dat opzicht niet ver van ons af. Volgens Epicurus is de wereld door natuurlijke, materiële oorzaken ontstaan. Dat geldt ook voor de mens. De mens is een sterfelijk wezen, dat zijn sterfelijke leven zo gelukkig mogelijk moet zien in te richten. Goden bestaan wel, maar hebben de wereld niet geschapen en oefenen er ook geen invloed op uit. Wees niet bang voor de goden, zegt Epicurus, want ze bemoeien zich helemaal niet met je. En wees niet bang voor de dood, want als je dood bent, verdwijnt je bewustzijn, dus lijd je niet meer. „Het verschrikkelijkste kwaad dat er is, de dood, raakt ons in het geheel niet, aangezien de dood er niet is zolang wij bestaan en wij niet bestaan zodra de dood komt.” Die nuchtere wijsheid lijkt ons haast door een tijdgenoot te zijn ingefluisterd.

Met de komst van het christendom verschuift het denken. De christelijke denkers stellen hun vertrouwen niet langer in de mens, maar in God. Kerkvader Augustinus vertelt in zijn prachtige autobiografie ’Belijdenissen’ hoe hij eens aan wanhoop ten prooi raakte na het verlies van een hartsvriend. „Het verdriet hierover hulde mijn hart in duisternis, en waar ik maar keek was de dood. En mijn vaderstad was mij een kwelling en mijn ouderlijk huis een vreemde ellende, en alles wat ik met hem had gedeeld, was zonder hem in een ontzettende foltering verkeerd. Aan alle kanten zochten mijn ogen naar hem en ze kregen hem niet.” Ik was een dwaas, zegt hij, om zoveel verdriet te hebben. Want in God blijven alle mensen eeuwig bewaard: „Gelukkig degene die u liefheeft en zijn vriend in u en zijn vijand omwille van u. Want de enige die nooit een dierbaar wezen verliest is de mens, aan wie allen dierbaar zijn in Hem die niet verloren gaat. En wie is dit anders dan onze God, de God die hemel en aarde geschapen heeft en ze vervult, omdat Hij ze geschapen heeft door ze te vervullen.” De God van Augustinus verschilt hemelsbreed van de wrede en willekeurige homerische goden. Zijn God is een wezen dat alle mensen in zijn oneindige liefde opneemt.

De Florentijnse dichter Dante Alighieri wist het wereldbeeld van de christelijke Middeleeuwen zijn indrukwekkendste literaire vorm te geven. Ook Dante kende het lijden. Als jongeling werd hij diep geschokt door de dood van zijn geliefde Beatrice, die hij nooit meer heeft kunnen vergeten. En rond het midden van zijn leven maakte hij een diepe geestelijke crisis door. Hij opent er zijn grote dichtwerk ’De goddelijke komedie’ mee:

Op ’t midden van ons levenspad gekomenKwam ik bij zinnen in een donker woud.Want ik had niet de rechte weg genomen.

Rondom mij dicht en doornig kreupelhout:Ik kan niet zeggen hoe het mij bezwaarde.Nu de herinnering mij weer benauwt:

Een bitterheid die doodsnood evenaarde.

Vervolgens beschrijft hij hoe hij een uitweg vindt. Nadat hij met de dichter Vergilius door hel en vagevuur is gereisd, treft hij zijn gestorven geliefde Beatrice, die nu engel is geworden. Zij maakt hem duidelijk hoe hij zijn inzinking te boven moet komen. Hij heeft zich, zegt ze, na haar dood, te veel op sterfelijke zaken gericht. Maar hij had zich moeten richten op het eeuwige en het hemelse. Beatrice leidt hem door het paradijs, Dante komt tot inzicht. Hij beleeft de zalige eenwording met Gods licht en liefde:

Want al het goede waar de wil naar reiktIs in die Bron bijeen, en zo volkomenDat alles buiten haar gebrekkig blijkt.

Augustinus en Dante zijn verwante zielen. Ze ontdekken dat hun verdriet veroorzaakt werd door hun beperkte, aardse blik, en ze ontdekken dat ze dat verdriet kunnen overstijgen door te versmelten met Gods eeuwige, alomvattende liefde. Ze bewandelen de mystieke weg, de weg van afgescheidenheid naar eenwording, die ook die andere grote mystici uit de Middeleeuwen zijn gegaan.

Zijn Dante en Augustinus vandaag de dag nog bemoedigend? Zijn wij nog ontvankelijk voor het mystieke antwoord? In algemene zin wel. De mystiek is immers op allerlei manieren aanwezig in de hedendaagse geloofsbeleving. Voor een cursus gebedsoefening of meditatie hoef je bij wijze van spreken de stad niet meer uit. Maar kan ik er iets mee, als agnostisch humanist, als, laten we zeggen, ongelovige maar onwetende aardling? Ik heb de lectuur van ’De goddelijke komedie’ van Dante zelf toch echt als een intens geestelijk avontuur ervaren, als meer dan alleen een esthetisch genot. Ik denk dat ik me met Dantes reis heb kunnen vereenzelvigen door die te interpreteren als een innerlijke ontwikkeling. In die interpretatie is Dante zijn crisis te boven gekomen doordat hij zich op een hoger psychisch niveau verzoent met de wereld. Dantes queeste wordt zo al snel beeld van een sublimatieproces.

God verdwijnt bepaald niet van het toneel tijdens de Renaissance. Maar de mens begint Hem dichter te naderen, hij krijgt zijn klassieke zelfvertrouwen gaandeweg terug. Treur niet om je geliefde Alberia, schrijft de 15de-eeuwse humanist Marsilio Ficino aan Sismundo Della Stufa, want de ziel is onsterfelijk, en de ziel is de mens zelf. Het is alsof de oude Socrates spreekt. En in ’Zedekunst, dat is Wellevenskunste’, de ethica van de Nederlandse denker Dirck Volkertszoon Coornhert, is duidelijk de invloed van de stoïcijnen, en vooral die van Seneca aan te wijzen. Coornhert legt uit dat de mens in tijden van tegenspoed standvastig kan zijn doordat hij de goddelijke waarheid kent.

Ook de troost van de 17de-eeuwse rationalisten herinnert sterk aan die van de stoïcijnen. De filosoof Spinoza wist wat lijden was. Hij maakte zich los van het joodse geloof van zijn voorvaderen en moest al zijn geestkracht aanwenden om aan de spirituele afgrond te ontkomen. Dat blijkt uit de openingsbladzijden van zijn ’Vertoog over de verbetering van het verstand’, waarin hij zichzelf omschrijft als een door grote geestelijke onrust gekwelde ziel. Het middel dat Spinoza geneest is de weg van de rede. Volgens hem lijdt de mens minder naarmate zijn rede de noodzakelijke gang van het leven beter begrijpt: „Naarmate de geest de dingen meer als noodzakelijk begrijpt, is zijn macht over de hartstochten groter en ondergaat hij hen minder.” De geest die alles begrijpt, de geest van de wijze, zo schrijft hij, „wordt zich met een eeuwige noodzakelijkheid bewust van zichzelf, van God en van de dingen, houdt nooit op te bestaan en is altijd tot ware gemoedsrust in staat.” De rede brengt de mens tot rust en leidt hem naar God.

Spinoza’s medicijn doet op het eerste gezicht als een paardemiddel aan. Is het niet verkrampt om zo je best te doen je gevoelens te beheersen? Toch is zijn op het oog puur redelijke uitweg uit het lijden misschien ook een gevoelsmatige. Hij identificeert het allerhoogste begrip namelijk met de ervaring van de liefde Gods. „Wie zichzelf en zijn hartstochten helder en welonderscheiden kent, heeft God lief. Deze liefde is groter naarmate hij zichzelf en zijn hartstochten beter kent.” Daarmee staat deze man van de ratio weer dicht bij de mystici, bij Augustinus en Dante.

Kan Immanuel Kant ons misschien troosten, de reus uit de tijd van de rede, van wiens leven zo vaak wordt gezegd dat dat tragiek ontbeerde? In zijn ’Antropologie’ laat hij merken dat hij niet onbekend was met de donkere uren. Zijn kijk op het verdriet is stoer maar wereldwijs. „Smart prikkelt ons tot handelen, en pas in dat handelen voelen we dat we leven; zonder smart zou levenloosheid intreden.” Daar lees ik ook een praktische aanbeveling in: blijf niet zitten treuren, maar doe iets, laat het verdriet je niet verlammen.

Dan taant de macht van de rede, die de mens een tijdlang zijn trotse koningschap gaf. De moderne tijd ligt in het verschiet, waarin hij tot broze proporties wordt teruggebracht. Bij Voltaire kondigt die tijd zich al aan. In zijn satire ’Candide’ getuigt hij van zijn ontnuchterde mensbeeld. Voltaires exemplarische mens, Candide, is niets dan de speelbal van het grillige lot. Nadat hij de ene ramp na de andere heeft overleefd, komt hij tot de conclusie dat het leven alleen door arbeid draaglijk kan worden gemaakt en dat hij alleen soelaas vindt in de paar vierkante meters die aan zijn voeten liggen: „Dat hebt u voortreffelijk gezegd, antwoordde Candide, maar laten wij onze tuin bewerken.” Candide verschilt niet wezenlijk van de 21ste-eeuwer, die de schouders ophaalt over de metafysica, en verdriet verwerkt in kleine, aardse besognes: in werk, hobby’s, een avond televisie kijken, lekker uit eten met een geliefde.

Even herkenbaar is de remedie die Jean-Jacques Rousseau zoekt voor zijn geplaagde ziel. In zijn ’Overpeinzingen van een eenzame wandelaar’ beschrijft hij hoe hij in grote neerslachtigheid troost vindt in de natuur: „Komt, schitterende bloemen, kleuren des velds, koele schaduwen, beekjes, bosjes en groen, komt en zuivert mijn verbeelding die door al die afzichtelijke zaken is besmeurd.” En wat hij daarop laat volgen, zou zo’n beetje als motto voor de hedendaagse mens kunnen dienen: „Mijn ziel, die niet meer ontvankelijk is voor verheven aandoeningen, kan nog slechts door tastbare dingen worden beroerd...”

Wat mankeert er toch aan de oude zekerheden? Niet alleen de rede verliest haar reputatie, ook die van God brokkelt af. Immanuel Kant, de ’allesvermorzelaar’, sloeg de bewijzen voor diens bestaan aan gruzelementen. In de eeuw daarop zal zijn verwoestende werk worden voortgezet door denkers als Nietzsche. De liefdevolle Trooster van Augustinus en Dante is van zijn sokkel getrokken, al biedt een enkele denker Hem nieuwe kansen, en al handhaaft Hij zich tot op de dag van vandaag.

De grote filosofen zien de mens meer en meer als een eenzame sterveling die hulpeloos is overgeleverd aan zijn driften. De 19de-eeuwer Arthur Schopenhauer raakt er al jong van overtuigd dat het menselijk leven een bron van lijden is. De mens is volgens hem van nature overgeleverd aan zijn wil, zijn begeerte, en zolang dat het geval is, blijft hij ongelukkig. Toch ziet ook Schopenhauer een uitweg. Allereerst is er kortstondige verlossing mogelijk door het beoefenen en genieten van de kunst, die hem ’de lasten van het leven doet vergeten’. Maar duurzame troost voor ons lijden vinden we alleen door al ons begeren te beëindigen en de wereld onthecht te aanschouwen. Het is niet veel wat ons in die staat van onthechting rest, het is om precies te zijn niets: „Alleen het niets ligt dan nog voor ons. En wat zich tegen dit wegvloeien in het niets verzet, onze natuur, is uitsluitend en alleen de wil tot leven, die we zelf zijn, zoals hij onze wereld is.”

Het lijkt me evident dat Schopenhauer nog niet achterhaald is. De rijke, hedendaagse westerling is immers verstrikt geraakt in het wilde raderwerk van de begeerte. Zoekt hij niet naar wegen om daaraan te ontsnappen? Ook de remedies die Schopenhauer schetst zijn nog altijd van toepassing. De mens probeert de lasten van het leven te vergeten door bijvoorbeeld te genieten van kunst, in de bioscoop, in het museum of bij een popconcert. En hij schrijft zich inderdaad in voor een cursus zenboeddhistische meditatie, om zich van het jachten en jagen te kunnen onthechten. Schopenhauer zou die hang naar het boeddhisme heel goed begrepen hebben: hij zag zelf de overeenkomsten tussen zijn wijsbegeerte en Boeddha’s leer. Hoe duurzaam de troost is die de mens in meditatieoefeningen vindt, is weer een andere vraag.

Het gedachtengoed van Schopenhauer biedt meer soelaas dan dat van Nietzsche. Nietzsche is sowieso niet het troostende type. Hij veracht de zwakheid, en kijkt de mens boos en hooghartig aan in zijn kwetsbare uren. Hij richt zich vóór alles op de held en de heerser, op de vitale, roekeloze mens. Toch geeft hij het lijden een plaats in zijn heldenfilosofie. De heldhaftige mens, de mens met het bloeiende lichaam en de veerkrachtige geest, wint zijn geluk in een tragische, grootse strijd: „Alleen onder deze voorwaarde, dat hij aan alle kanten en tot in zijn diepste innerlijk altijd voor de smart openstaat, kan hij openstaan voor de fijnste en hoogste vormen van geluk.” En kijk, die gedachte bevat ook voor wekelingen zoals wij zowaar nog iets troostrijks. Als het lijden het levensgeluk verdiept, is het niet voor niets geweest.

Met de 20ste eeuw, de eeuw waarin wij wortelen, hebben we een somber tijdperk betreden. Twee wereldoorlogen ondermijnden wat er nog restte aan vertrouwen in God en de rede. Albert Camus heeft de moderne mens misschien nog wel het treffendst getypeerd met het beeld van Sisyfus. De tragische held uit de Griekse mythologie stond bekend als de sluwste mens op aarde. Maar hij werd vermetel en wekte daarmee de wrevel van de oppergod Zeus. Nog enkele malen wist hij door sluwheid aan de Dood te ontkomen, maar ten slotte moest hij dan toch sterven. In de Onderwereld lieten de goden hem boeten voor zijn hoogmoed. Hij moest een rotsblok omhoog rollen naar de top van een berg. Als het rotsblok haast boven was, rolde het weer naar beneden en begon de beproeving van voren af aan.

Ook de Sisyfus van Camus rolt eindeloos een rotsblok naar boven. Maar zijn taak is hem niet door de goden opgedragen. Sisyfus bewoont een absurde, godloze wereld. „In dit geval”, schrijft Camus, „zien wij alleen maar hoe iemand al zijn krachten aanwendt om de enorme steen op te lichten, hem voort te wentelen en er steeds opnieuw mee naar boven te worstelen.” Maar wonderlijk genoeg vindt zelfs hij iets waaruit hij troost kan putten. Sterker, Camus denkt zelfs dat Sisyfus gelukkig is. Sisyfus, de absurde mens, weet dat zijn lot een menselijke aangelegenheid is, waarmee god of goden niets hebben te maken: „Alleen al door zijn worsteling om de top te bereiken, wordt de mens volledig in beslag genomen. We moeten ons voorstellen dat Sisyfus gelukkig is.”

Het is een teken aan de wand dat Camus de mens typeert als een held uit de antieke Griekse wereld. Zijn wereldbeeld lijkt niet zo heel veel te verschillen van dat van Homerus. Bij de laatste deelde Zeus zijn lotsgaven naar willekeur uit aan de stervelingen. Bij Camus ontbreken de goden, maar zijn universum is even redeloos.

In de tijd van Sisyfus, die nog steeds voortduurt, vinden de denkers net als vroeger wegen om met het lijden om te gaan. Hun troost onttrekt zich doorgaans aan hemelse regionen, hij is aards en lichamelijk. Toch blijkt hij ook nu nog de mens te kunnen verheffen. Zo pleit Ton Lemaire in ’De tederheid’ voor het bescheiden, zachtmoedig mededogen tussen mens en mens als remedie tegen de pijn van het leven. „En misschien dat het samen verdragen van de onvolmaaktheid van het bestaan, enkele duurzame momenten tilt boven het vage verloop van de dagen, waarin het leven met zichzelf schijnt verzoend en het bestaan ongedeerd.” Volgens Wilhelm Schmid kunnen we pijn en verdriet zien als zingevend deel van ons bestaan. „Die smart is de prijs die voor de levenslust moet worden betaald. Ze maakt net zo goed als levenslust deel uit van een vervuld leven en moet dus worden opgenomen in de coherentie van het zelf.”

De mens zoekt troost, ook in tijden die troosteloos lijken. Hij lijdt meer dan het dier, omdat hij zich van zijn lijden bewust is. Hij lijdt ook minder, omdat hij de pijn van het bewustzijn weet te verzachten. Door alle eeuwen heen hebben denkers en dichters zichzelf en hun medemensen troostende woorden meegegeven. Vaak hebben ze hun grootste denkkracht en mooiste werken aan dit thema gewijd. Misschien komt een beschaving wel pas tot rijpheid als ze antwoorden op de lijdensvraag weet te geven.

Het lijden is niet veranderd. Priamus schreit bittere tranen om het verlies van zijn zoon, en we begrijpen precies wat hij doormaakt. Is de troost veranderd? Kunnen we ons nog laten sterken door de woorden van oude denkers? Ik geloof het wel. Ik zelf heb er althans troost uit geput. Ik heb me door Achilles laten vertellen dat ik me bij de dood van mijn dierbaren moet neerleggen, en door Schopenhauer dat ik minder lijd als ik afstand neem van mijn begeren. Ik laat me in tijden van geestelijke nood graag moed inspreken door Dante, al doe ik zo mijn eigen profane dingen met zijn grootse visioen. Bepaalde ingrediënten keren natuurlijk voortdurend terug: de oproep om het lot te aanvaarden, de gedachte dat de dood van je dierbaren ook hun lijden beëindigt, de aansporing om het eigen leed te overstijgen en zin te geven vanuit een hoger perspectief, het idee dat een leven zonder lijden onvolledig is. En in al deze geschriften ontwaar ik een kleinood dat me boven alles ontroert. Dat is de zachte, sussende stem, die gelukkig nooit verandert. De stem van de mens die de mens een troost is.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden