Wie weet waar nog wijngaardslakken leven?

De wijngaardslak is onze grootste huisjesslak. Ze hoort oorspronkelijk thuis in de kalkrijke gebieden van Eu-ropa. In ons land is dat hoofdzakelijk Zuid-Limburg, maar het wordt door meer dan een deskundige betwijfeld of ze daar echt inheems is.

Omdat zij, doorgaans aangeduid als escargot, op de menukaart prijkt van dure restaurants en mede daardoor in haar voortbestaan wordt bedreigd, is de wijngaardslak het enige weekdier dat wettelijke bescherming geniet. Het zal ook vooral om haar eetbaarheid zijn dat ze al in oude tijden is versleept naar plaatsen waar ze van huis uit niet voorkwam. Nicolaas Beets noemde in 1836 in de Camera Obscura een nog steeds bestaande vindplaats in Bloemendaal. En zo zijn er tal van plekken in Nederland waar de wijngaardslak werd uitgezet. Tera van Benthem Jutting somt in 1933 (Fauna van Nederland - Mollusca) naast Bloemendaal als plaatsen op waar te eniger tijd wijngaardslakken voorkwamen Venlo, Arnhem, Buren, Den Haag, Voorburg, Katwijk, Velzen, Bunnik, Alphen aan den Rijn, Lisse, Rijswijk, Noordwijkerhout, Loenersloot, Rhijnauwen, Groningen en Waaxens bij Holwerd.

Vooral buitenplaatsen

Omdat de Zuid-Limburgse populatie in de jaren zestig terugliep, deed Louis J.M. Butot, malacoloog aan het toenmalige Rijksinstituut voor Natuurbe-heer, in 1970 onderzoek naar het voorkomen van wijngaardslakken in de rest van Nederland.

De wijngaardslak bleek opmerkelijk vaak op buitenplaatsen voor te komen. In Friesland komt het stinsenslakkenkarakter tot uiting in een populatie in Waaxens, op de plaats van het vroegere slot Tjessens. Misschien leven nog wijngaardslakken op Herema State in Joure, waarnaar ze in de jaren dertig uit Limburg werden overgebracht en vervolgens door de gemeente in onwetendheid met slakkendood werden uitgeroeid.

Getuige een gedicht van Jacob Cats leeft de wijngaardslak al zeker sinds 1656 op de Haagse buitenplaats Sorghvliet. Uit zijn historisch onderzoek leidde Butot af dat de Scheveningse sector van Den Haag tussen Oude en Nieuwe Weg bevolkt werd door wijngaardslakken uit het park bij het Catshuis. Van die grote populatie waren in 1970 nog resten over aan de Oude Scheveningseweg, de Grote Weg, de Casimirlaan, in afgesloten delen van Sorghvliet en een duinterreintje bij de Johan van Oldenbarneveldlaan. Mogelijk overleven wijngaardslakken in die sector ook in particuliere tuinen.

De Haagse slakken kwamen voornamelijk in de voormalige duinstreek voor. In de duinen van Hoek van Holland tot Bergen kwamen plaatselijk populaties voor, in deze eeuw nog in het Staelduinse Bos, in Vogelenzang en Heemstede, in villatuinen te Bennebroek en het hele Bloemendaalse gebied. Nog maar een paar jaar geleden kwam ik er verscheidene tegen in de berm van de Bloemendaalse Zeeweg. Minstens sedert 1827 leven wijngaardslakken in het Bloemen-daalse Bos, waar ik ze in Thijs-se's Hof in 1953 terugzag. Ondanks wazige historische gegevens zijn in recente tijden geen wijngaardslakken in Haarlem gevonden, waar de karakollen door Spanjaarden zouden zijn gebracht.

Butot meldde een zeer florerende populatie in het Parkherstel-lingsoord Leeuwenbergh in Leidschendam. In 1973 werden ook wijngaardslakken aangetroffen in tuinafval bij de werkplaats van de tuinman bij Huize Wil-bert van de Stichting Francis-caanse Bejaardenzorg bij Kat-wijk, een restpopulatie van import halverwege de negentiende eeuw. Een vroegere populatie op Zandvliet bij Lisse, nu de Keukenhof, is al omstreeks de vorige eeuwwisseling uitgestorven. Introductiepogingen in Rotterdam, Maasland, Wassenaar, Rijswijkse Bos, Voorschoten, Leiden, Noordwijk, Noordwijkerhout, Zandvoort, Alphen aan den Rijn, Vianen, Mijdrecht, Amstelveen en Heemskerk zijn op niets uitgelopen.

Oudste vindplaats

Het park van kasteel Loenersloot bij Abcoude herbergde in 1970 een bloeiende populatie, volgens Butot waarschijnlijk met die van Holwerd (Waaxens) en het Cats-huis een van de oudste buiten Limburg.

Ook Amsterdam komt voor onder de door hem genoemde vindplaatsen. Zo hebben in 1920 en 1950 twee mislukte importen plaatsgevonden in de tuin van het Amsterdams Lyceum.

Wijngaardslakken komen in grote aantallen voor op het Vogeleiland in het Amsterdamse Bos, waar ze in de nazomer opvallende gaten vreten in groot hoefblad. Ik zelf heb daar in overleg met de toenmalige beheerders in mei 1957 twintig slakken losgelaten, die een maand eerder waren verzameld op een kalkterreintje bij Hilversum, waar ze op hun beurt eerder in deze eeuw werden losgelaten.

Er is in 1947 voor het eerst sprake van wijngaardslakken in Hilversum. Van 1915 tot 1922 werd bij het zwembad Crailoo afgewerkte carbid gestort uit de Amsterdamse werkplaatsen van de Nederlandse Spoorwegen en van de Electro Zuur- en Water-stoffabriek uit Amsterdam-Noord. Er groeide een zeldzame kalkflora. “Het enige bekende geval dat afvalstort verrijkend heeft gewerkt op een milieu”, schreef Butot. De slakkenpopulatie op dit vroeger fameuze kalkterreintje nam na 1950 af en werd in 1970 als uitgestorven beschouwd. Ruim drie kilometer verder werden al in 1937 wijngaardslakken in Blaricum aangetroffen en nog in 1972 in de tuin van Jonkheer A.F. Meijer.

Butot noemt verder nog Oud- en Nieuw-Amelisweerd, waar Katwijkse slakken werden uitgezet, Driebergen en de tuin van sanatorium Weizigt in Dordrecht.

Oude en nieuwe plekken

Er is inmiddels bijna dertig jaar voorbijgegaan sinds het onderzoek van Butot. Er zijn ongetwijfeld populaties uitgestorven door kalkgebrek, versnippering van terreinen, huizenbouw en verwording tot kinderspeelplaats. Er zijn ook nieuwe populaties bijgekomen. Slakkenkenner Tello Neckheim meldde mij de speeltuin Oud Valkeveen bij Huizen als vindplaats. In Amsterdam komt de wijngaardslak tegenwoordig op diverse plaatsen voor. In de heemtuin De Wiedijk en het nabijgelegen Piet Wiedijk-park wemelt het van de wijngaardslakken, nazaten van twee exemplaren die in 1993 werden losgelaten door iemand die ze had meegenomen uit de duinen. Henk Smit vertelde me dat in het tuinpark Eigen Hof aan de Sloterweg in 1992 met succes zes slakken werden uitgezet. Ook in de heemtuin aan de Sloterplas en in het Amstelpark zitten in de jaren negentig uitgezette wijngaardslakken.

Of ze op den duur standhouden, is zeer de vraag. Populaties in particuliere stadstuinen, die zich in het begin voorspoedig ontwikkelen, sterven na korte tijd uit, vermoedelijk doordat veel jonge slakken aan vogels ten offer vallen, misschien ook door ziekte of kalkgebrek.

Ik heb een vraag aan de lezer: waar en wanneer bent u in ons land levende wijngaardslakken tegengekomen? Vooral Amsterdamse gegevens zijn welkom: er gaat een boek verschijnen over de Amsterdamse slakkenwereld.

Natuur deze week

Merels en zanglijsters zingen druk, vooral in de vroege morgenuren en bij het vallen van de avond. - Ons land kent twee inheemse elzensoorten, de grauwe of witte en de zwarte els. Beide soorten staan nu in bloei, negen dagen eerder dan in het vorige voorjaar, dat ook al buitengewoon zacht was. - Veel heesters worden al groen. De vlieren hebben roodachtig gekleurd klein blad. Ook meidoorn en bosrank lopen uit. De struikvormige rode kamperfoelie, die veelvuldig is aangeplant, hulde zich eind januari al in een groen waas van pril blad. Kamperfoelie heeft naakte knoppen, zonder knopschubben, die in een zachte winter snel uitlopen. Ook de wilde kamperfoelie heeft nu klein blad, wat opvalt als de zon door het bos schijnt. - In tuinen en parken staat de gele kornoelje in volle bloei. Het blad verschijnt pas eind maart. - Op zonnige dagen vliegen honingbijen op de volop bloeiende gele krokussen. In sommige tuinen bloeien nu ook de lila terp- of boerenkrokussen, stinsenplanten die op verschillende landgoederen zijn verwilderd. - De eerste gele narcissen, meestal trompetnarcissen genoemd, bloeien in de tuinen en hier en daar verwilderd in landgoedbossen. - Op kalk- en op kleigrond bloeit het klein hoefblad met stralende gele zonnetjes op roodachtige beschubde stelen. De hoofdjes worden op zachte winterdagen voornamelijk door vliegen bezocht. - Op mistige winterdagen lijken de jeneverbesstruiken op de heide en in het stuifzand geheimzinnige gestalten en dreigende gedrochten. De wacholders (wachters) gaven voedsel aan tal van eeuwenoude spookverhalen. De blauwberijpte bessen tussen de korte stekels zijn eigenlijk besvormige kegels, want de jeneverbes is een naaldboom. De scherp geurende bessen worden gebruikt als kruiderij in zuurkool en om jenever te aromatiseren.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden