Wie voor verlichting strijdt, haakt niet af

Paul Cliteur is het aan zijn stand van gewaardeerd deelnemer in het democratisch discours verplicht om door te gaan en niet toe te geven aan de drang zich te matigen.

Paul Cliteur sloeg vorige week een flater toen hij in alle media verkondigde zich terug te trekken uit het grensoverschrijdende debat over de multiculturele samenleving. Cliteur is zelf niet bedreigd, maar hij laat intellectuelen bij wie dat wel het geval is (Hirsi Ali door islamisten, Spruyt door antiglobalisten) in de kou staan.

Cliteur heeft zich steeds opgesteld als strijdbare verlichter in 'het kleine gevecht van alledag' (zoals hij schrijft in zijn boek Tegen de decadentie). Zijn vrolijk gepresenteerde gedachtegoed wordt ernstig genomen door journalisten, door zijn VVD-partijgenoten in het kabinet en door principiële tegenstanders van harde integratie. Cliteur is het oneens met multiculturalisten die menen dat het minderhedendebat ontspoort en met woordvoerders van moslims die zich in de woorden van de AIVD 'onheus bejegend voelen door opiniemakers'. Maar zijn huidige voorkeur voor matiging van woordkeus kan dan alleen nog maar ongunstig worden uitgelegd. Cliteur is een beetje de kluts kwijt door alle overuren onder mediamieke hoogspanning of zijn afscheid en terugkeer naar de academische luwte zijn weloverwogen. In dat laatste geval erkent de polemist dat zijn zienswijze en manier van optreden radicaal zijn en daardoor onbedoeld bijdragen tot een aantasting van het meningsklimaat.

Ik houd het erop dat hij tijdelijk is bezweken onder zijn populariteit en onder het wanhoopsoffensief van een sociaal-democratische achterhoede. Want als filosoof en democraat weet Cliteur dat een begrenzing van de discussievrijheid, in het bijzonder zelfcensuur, slechts onder strikte voorwaarden kan worden gerechtvaardigd.

De maatschappelijke waarde van de discussievrijheid ligt besloten in haar bijdrage aan pacificatie onder andersdenkenden, aan zelf-legitimering door machthebbers, aan leergedrag van sprekers en toehoorders, en aan insluiting van achtergestelde burgers. Zo beschouwd,kan een door Els Borst en vele andere 'weldenkenden' voorgestelde nieuwe correctheid in het Nederlandse debat slechts zin hebben als het volgende wordt aangetoond. Namelijk dat de openbare sfeer ergens tussen Janmaats kamerlidmaatschap vanaf 16-9-1982, Couwenberg, Bolkestein, Scheffer, Bin Laden, Fortuyn, Cliteur en het monster van Madrid op 11-3-2004 in is omgeslagen in heilloze polarisatie, ondermijning van openbaar gezag, een eindeloze dialoog der doven of uitsluiting van de meest kwetsbaren.

Inderdaad beweren de opponenten van Cliteur, Hirsi Ali, Ellian en andere neoliberalen en neoconservatieven in de cultuur, dat al deze negatieve effecten zich tegelijk voordoen. Het zouden deze intellectuelen zijn die, samen met de ministers van het kabinet-Balkenende II, de mensen tegen elkaar opzetten, de Randstad onbestuurbaar maken, een monoloog houden over waarden en normen, en de goede vreemdeling marginaliseren. Ramdas, directeur van De Balie, gaat zelfs zover dat hij niet meer over de inhoud van Cliteur en de zijnen begint maar over hun intonatie en gelaatsuitdrukking.

Ik vermoed dat Naipaul zijn epigoon Ramdas hierom zou verachten, net zoals Drees en Den Uyl zich in hun graf zouden omdraaien na lezing van Wallage'slaaghartige 'Hirsi Ali-brief' aan Van Aartsen, waarin hij zich beklaagde over haar optreden.

Want dit hele punt over een ontsporing van de openbaarheid is bij nader inzien eerder retorische verdachtmaking dan feitelijk bewijs. Ten opzichte van de paarse periode is het minderhedendebat veel vrijmoediger, interessanter en symmetrischer geworden wat betreft de inbreng van rechts. Rechts heeft de energie en het optimisme van links overgenomen, terwijl het gestaalde deel van links doorgaat met geestelijke zelfdeportatie.

Ik beweer niet dat het debat vlekkeloos verloopt. Ten eerste rijst de vraag of de nieuwe vrije geluiden worden opgepikt door de Nederlandse politieke partijen en de zelf-organisaties van immigranten. Vandaar de oproep van wethouder Aboutaleb tot universele veroordeling van terreur, een oproep die overigens ook elders wordt gedaan. Ten tweede rijst de vraag of de nieuwe opvatting over gezamelijke deelname van 'zwart' en 'wit' aan de democratische rechtsstaat doordringt tot de huiskamers van gewone moslims en Fortuyn-stemmers. Columnisten zijn net zomin als dominees nog verzekerd van trouwe volgelingen.

Ten derde zijn de woordvoerders van een politiek van haat, geweld en gewetensdwang welsprekender dan ooit. Het stagnerende poldermodel blijkt onderdak te bieden aan assimilationisten (Michiel Smit, Leefbaar Rotterdam), Arabische nationalisten (Abou Jahjah, AEL), Marokkaanse en Turkse traditionalisten (afkerig van de liberalisering door Hassan II en Erdogan) en allerlei andere groepen die menen dat een slachtofferstatus een goede reden vormt om de democratische rechtsstaat te verlaten. Ten slotte is er in het midden van de samenleving en de politiek nog steeds geen antwoord op voor de hand liggende vragen over de bestrijding van hedendaags autoritarisme en extremisme. Hoe maken democraten een einde aan etnische waan en onverdraagzaamheid onder immigranten zonder een eng nationalisme onder gevestigde Nederlanders te voeden? Waar dient de Nederlandse methode van pacificatie (overleg, compromis) het gezonde verstand, maar waar is zij een capitulatie?

Ik ben het vaak met Cliteur oneens. Hij verabsoluteert de rationaliteit van de Verlichting. Toch ware te wensen dat Cliteur zijn geloofwaardigheid in de meningsvorming herstelt en doorgaat met zijn godsdienstkritiek zolang hijzelf meent dat gelovigen de democratische orde ondermijnen.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2020 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden