Wie slecht schrijft kan ook niet denken

In Duitsland hebben Schopenhauers opstellen over stijl een cultstatus. Zijn tirades

Arthur Schopenhauer: In de tuin der letteren; Over de kunst van het schrijven. Uit het Duits vertaald door Hans Driessen. Wereldbibliotheek Amsterdam. ISBN 9789028422377; 127 blz. euro12,50

De wet van de zwaartekracht toegepast op de literaire stijlleer? Wat voor velen een potsierlijke, een groteske gedachte is, betekende voor de filosoof Arthur Schopenhauer welhaast het vertrekpunt van zijn ideeën over goed taalgebruik. Kort samengevat komt zijn theorie op het volgende neer. Wie schrijft zal zich terdege moeten realiseren dat gedachten en woorden de weg van hoofd naar papier (naar beneden als het ware) veel gemakkelijker afleggen dan de omgekeerde route, van papier naar hoofd. Een goed stilist zal er daarom alles aan doen om – liefst moeiteloos – begrepen te worden, en „daarom moeten de woorden zodanig gerangschikt zijn dat ze de lezer regelrecht dwingen precies hetzelfde te denken als de schrijver heeft gedacht”.

Schopenhauer constateerde in zijn tijd meestal het tegendeel: duisterheid, wolligheid en een omslachtige manier van formuleren. Slecht schrijven was voor hem inherent aan vaag of verward denken (’stijl is de fysionomie van de geest’) en daarom trok hij te velde tegen slordigheid en de hang naar retoriek en opsmuk, waarmee de scribenten graag verbergen dat ze in feite niks te zeggen hebben. Schopenhauer brak een lans voor een ’kuise stijl’, eenvoud was voor hem het kenmerk van het ware. „Niets is gemakkelijker dan zo te schrijven dat geen mens er wat van snapt, zoals er ook niets moeilijker is dan belangrijke gedachten zo uit te drukken dat iedereen ze wel móét begrijpen.”

Schopenhauers beroemde opstellen over stijl, die in Duitsland een cultstatus bezitten en grote schrijvers als Flaubert, Musil en Thomas Mann hebben beïnvloed, verschenen rond 1850 als onderdeel van de ’Parerga en Paralipomena’. Deze tweedelige bundel over de meest uiteenlopende onderwerpen leverde hem een veel groter publiek op dan zijn drie decennia eerder verschenen hoofdwerk ’Die Welt als Wille und Vorstellung’. Met de ’Parerga’ begon in zijn eigen woorden ’de komedie van mijn roem’.

Bij herlezing valt op hoe actueel en tijdloos deze opstellen zijn. Dat geldt met name voor een tweede hoofdthema dat Schopenhauer aansnijdt: de enorme overproductie aan middelmatige en slechte boeken, door hem het ’woekerende onkruid der literatuur’ genoemd.

Slechte boeken zijn volgens hem niet alleen nutteloos, maar zelfs buitengewoon schadelijk omdat ze de aandacht van het publiek afleiden van de boeken die er echt toe doen. De lezer met smaak dient zich volgens hem te bekwamen in de ’kunst van het niet-lezen’ (alles wat op enig moment het grotere publiek bezighoudt) en moet zich houden aan de werken van de grote, de rest van de mensheid overvleugelende geesten van alle tijden en alle volken „(...) alleen zij brengen onze kennis en beschaving op een hoger peil”.

Het lijkt misschien ietwat elitair wat Schopenhauer anno 1850 beweerde, maar tegenwoordig snijden zijn argumenten nog meer hout dan vroeger. De boekenproductie ligt heden ten dage onvergelijkelijk veel hoger, en de literatuurkritiek (die volgens de filosoof het kaf van het koren zou moeten scheiden) is wel erg vluchtig geworden en heeft voor oudere literatuur veel minder belangstelling dan voor de ’dagelijks verschijnende schrijfsels van doorsneegeesten’ (Schopenhauer). Dus zeg maar voor alles wat vers van de pers komt en wat in grote stapels in de boekhandels ligt.

Schopenhauer schittert in deze opstellen met briljante satire en originele vergelijkingen of invalshoeken. (Ergens zet hij de roem van goochelaars en koorddansers af tegen die van filosofen of dichters.) Sommige fragmenten zijn welhaast cabaretesk van toon, een kolfje naar de hand van voordrachtskunstenaars. Ook zijn scheldtirades tegen collega-filosofen als Fichte, Schelling en Hegel, of tegen de ’inktverspillende schooiers’ en ’incapabele kliederaars’ binnen de letterkunde, mogen er zijn.

Maar de grootste indruk maakt Schopenhauer met zijn welgevormde, krachtige en uiterst toegankelijke taalgebruik. „Men moet gewone woorden gebruiken en ongewone dingen zeggen”, stelt hij – en dat is precies wat hij doet. Hulde ook aan Hans Driessen, onze vaste Schopenhauer-vertaler, die praktisch het volledige oeuvre van de Duitse filosoof subliem heeft overgezet.

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright. Linken kan altijd, eventueel met de intro van het stuk erboven.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden