Wie slaat, vergeet, wie geslagen wordt onthoudt

'Een oud Haitiaans spreekwoord zegt bay kou, bliye, pote mak, sonje: 'wie slaat, vergeet, wie geslagen wordt, onthoudt'. Ondergaan geweld wordt in het lichaam bewaard. Je ziet na verloop van tijd aan het lichaam niet af dat het geweld verzameld heeft. De blauwe ogen, de snij- en steekwonden genezen. Maar je verzamelt ook angst, en het kost dan heel veel moeite om te begrijpen dat je mag vragen om respect, om recht.' Dichter Maria van Daalen over geloof, kunst, politiek en geweld.

Er bestaat een klein verhaal over recht en onrecht, dat van groot belang is wanneer je als vrouw door een man bent aangerand, verkracht, in elkaar geslagen, of anderszins mishandeld, en er wordt je geen recht gedaan. Als er niets gebeurt na jouw aangifte - àls je dat al durft, want het valt niet mee de ellende tegenover een jonge agent te beschrijven, en wie weet, krijg je met een aangifte nog meer gedonder, want de handen van de dader zitten blijkbaar behoorlijk los. Misschien hoor je later, dat het jouw woord was tegen het zijne, of dat het niet bewezen kon worden, of dat de man in kwestie niet thuis geeft als de politie voor de deur staat, en dat het wordt geseponeerd want de huisarts 'doet al iets'. Ik heb het allemaal al eens meegemaakt, met aardige, goedwillende agenten, die niet beseften dat alleen recht het slachtoffer helpt, niet hun goede bedoelingen. God redde ons van de mensen met goede bedoelingen.

Maar nu het verhaal. Ik bedoel Lucas 18:1-8, bijbel, nieuwe testament. Het heet de 'gelijkenis van de onrechtvaardige rechter', maar ik noem het in stilte altijd 'het verhaal van de vrouw die beleefd bleef doorvragen'. Want niet die rechter is de spil van het verhaal, maar een vrouw. Een weduwe, zegt het verhaal, dat betekent voor die tijd 'zonder een beschermende sociale status, en zonder geld'. Zij heeft een zaak lopen, en een tegenpartij, en wil dat haar recht wordt gedaan. Dat gebeurt niet. De rechter seponeert het geval en wil het graag vergeten. Het verhaal is kort, als een nieuwsbericht. Je zou bijna denken dat de omstanders de namen van de hoofdpersonen moeiteloos konden invullen.

Maar de vrouw kan niet vergeten. Ze wil recht. Wat nu? Een advocaat kan ze zich niet veroorloven. Dan doet ze het enige dat ze doen kàn: ze stapt op de rechter af, en stelt haar vraag. Doe mij recht. En de dag er na weer, en de volgende dag, en de volgende. Ze vraagt. Ze vraagt, hetzelfde, zonder ophef, maar telkens opnieuw. Het is meer een actie die zweemt naar doodsverachting dan naar moed. Ze vraagt zo vaak, dat de rechter tenslotte doet wat ze vraagt. Omdat hij een beetje benauwd wordt van haar aanhoudend vragen.

Wat betekent dat? (1) Dat het belangrijk is, om te blijven vragen, dat er recht wordt gedaan. En (2), wat meestal vergeten wordt: dat het niet-recht-doen gaandeweg lastiger wordt dan het wel-recht-doen, omdat de aanklacht een gezicht gekregen heeft. Het gezicht van één vrouw, die weet dat ze geen enkel middel heeft om recht voor zich te organiseren. Het enige dat ze heeft is haar wil, en de minimale mogelijkheden van het woord, gesproken vanuit een ogenschijnlijk hopeloze positie. Maar het is de volharding die werkt. De aanklacht krijgt haar gezicht. Dagelijks. En de enige manier voor de rechter om van het gedoe af te zijn, is, recht te doen.

In een rechtsstaat behoort het tot het recht van elke burger dat aan haar/hem recht wordt gedaan. Maar het gebeurt niet altijd. Soms, omdat de benadeelde niet durft vragen, of niet durft doorvragen, soms omdat het onrecht niet eerder als zodanig herkend was. Stel, u bent een vrouw, en u wordt door uw man geslagen. Uw onrecht heeft geen gezicht, behalve het bont-en-blauwe dat u aankijkt in de spiegel. Misschien kúnt u niet klagen, omdat uw geloof u gebiedt dit onrecht te verdragen. Misschien wílt u niet klagen, uit liefde voor uw man. Dat is een vorm van vrouwenmoed waar geen naamkaartje aan hangt.

Wat nu. Er zijn wel wat statistische gegevens over het geweld, maar ja, er is geen organisatie, geen gironummer, geen tv-programma. Het krijgt pas een gezicht als er iemand opstaat die zegt, dit is mijn geschiedenis. Vanaf dat ogenblik is de diffuusheid van de ellende, en onbekendheid ermee, die aanpak zo moeilijk maakt, een beetje opgehelderd. Maar voor die vrouw betekent het een persoonlijk conflict: wat betekent het voor mijn verdere leven als vrouw, die nog een relatie wil, of nog moeder wil worden. Of, als zij een moslima is, ziet zij zich misschien geconfronteerd met de vraag: wat betekent dit voor mijn geloof. Dit lijkt een vorm van moed, en toch denk ik dat er iets fundamenteels mee mis is. Moet je je geloof opgeven om menselijk te kunnen zijn?

Ik kon op zeker moment de bijbel alleen nog lezen als een literaire tekst, die als zodanig wel bepaalde morele kwesties aan de orde stelt, maar niet van mij kan eisen, dat ik alles voor waar aanneem. Als de buitenstaander die ik nu ben, vind ik het moeilijker om het geloof te helpen emanciperen. Er zijn wat waarheden die mij vrij aannemelijk lijken. Bijvoorbeeld dat een geloof, dat het zicht op menselijkheid verliest, de eigen essentie uit het oog verliest. God en godin hebben mensen nodig om te kunnen bestaan, omgekeerd geldt hoogstens het do ut des, 'als ik iets offer, wil ik graag door jullie goden geholpen worden', een inversie van de no pay no cure betrekking. Zodra in een religie het bovenmenselijk gedachte doel de middelen van het onrecht heiligt, worden de kruisen getimmerd, de brandstapels opgericht, de stenigingen afgekondigd. En dan gebeurt, wat je nu ziet gebeuren met de zogenaamde fundamentalistische islam, namelijk dat allerlei terroristische splintergroeperingen, en ook wat westerse salonterroristen, er zo snel mogelijk 'lid' van worden alsof het een politieke partij betreft, want dan hebben ze direct een grote groep waar ze bijhoren, en media-coverage, en echte 'religieuze drijfveren' van hun mogelijk gewelddadige acties.

Ik denk dat in de kunst het gezicht op de menselijkheid behouden blijft, en dat die daarom zo belangrijk is voor diezelfde mens. Zoals: 'verzet begint niet met grote woorden / maar met kleine daden', in het gedicht Iemand stelt de vraag van Remco Campert. Bij de vraag hoort iemand. Wie de vraag stelt, stelt zich ook bloot, door namelijk het onrecht een gezicht te geven. Het kan gevaarlijk zijn. Maar wat taal krijgt, is ineens aanwezig in het debat.

Een oud Haitiaans spreekwoord zegt bay kou, bliye. pote mak, sonje, 'wie slaat, vergeet, wie geslagen wordt, onthoudt'. Ondergaan geweld wordt in het lichaam bewaard op een manier die van totaal andere orde is dan een opvatting, zelfs een geloofsopvatting. Men kan het vergeten, maar het raakt nooit meer weg. Je ziet na verloop van tijd aan het lichaam niet af dat het geweld verzameld heeft. De blauwe ogen, de snij- en steekwonden genezen. Maar je verzamelt ook angst, en het kost dan heel veel moeite om te begrijpen dat je mag vragen om respect. En om recht.

Tot de grondrechten behoort het recht op lichamelijke integriteit, dus ook dat vrouwen niet in elkaar geslagen mogen worden, of verminkt als kind. Je kunt best een religieuze opvatting hebben waarnaar je niet handelt, maar hoe krijg je opvattingen, die onrecht bewerkstelligen, uit het gedrag waaraan dat geloof ten grondslag lag, en dat ook nog lang nadat het geloof is verdwenen, kan voortbestaan? Gaan we dat redden, in een Nederland, waar nog dagelijks de nare effecten blijken van een gedrag van geweld van mannen jegens vrouwen, dat (mede) voortkomt uit de visie, dat een vrouw minder is dan een man - een visie waaraan vermoedelijk een bijbelopvatting ten grondslag ligt, die niemand meer aanhangt, zelfs de calvinisten niet?

Toen ik ging vertellen over het geweld dat ik heb ondervonden, hoefde ik er mijn geloof niet voor in te leveren, eenvoudig, omdat ik mij al tientallen jaren geleden had laten uitschrijven uit het register van de belijdende leden van de Gereformeerde Kerken Nederland, en sindsdien niet eens behoor tot de in mijn ogen vrij luie denkers die zich 'ietsisten' noemen. Ik geloof wel, in aarde. Ik geloof in de mens, en zelfs, van harte, in de liefde. Ik zet mij in voor de vrouwen die geweld van mannen hebben (moeten) verdragen, maar dit kost mij niet mijn geloof, integendeel.

Het kost mij ook niet mijn kunst. Maar misschien kost het wel mijn politieke keuzes. Misschien voel ik mij langzamerhand wel meer thuis bij de persoon van deze of gene politicus/politica dan bij een partijprogramma. Is er werkelijk een verschuiving gaande, van de partijpoliticus/politica naar de man/vrouw die zich in de politiek laat leiden door eigen ervaringen? Mijn zoon is overleden aan aids, zegt Nelson Mandela luid en duidelijk. Politiek met een menselijk gezicht. Keuzes die mij eerder aan de houding van een kunstenaar doen denken, of aan religie zoals die in mijn ogen zou moeten zijn, dan aan een programma. Als de grote woorden ook hier verschuiven naar de eenvoudige daden, komt er dan ook meer zicht op recht?

Meer over

Wilt u iets delen met Trouw?

Tip hier onze journalisten

Op alle verhalen van Trouw rust uiteraard copyright.
Wil je tekst overnemen of een video(fragment), foto of illustratie gebruiken, mail dan naar copyright@trouw.nl.
© 2021 DPG Media B.V. - alle rechten voorbehouden